ECLI:NL:RBZWB:2026:5989

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
5 juli 2026
Zaaknummer
C/02/425991 / FA RK 24-3955
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:253c BWArt. 1:377a BWArt. 1:377b lid 1 BWArt. 1:402 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing gezamenlijk gezag en vaststelling omgangsregeling en kinderalimentatie

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 7 mei 2026 een zaak over gezamenlijk gezag, omgangsregeling en kinderalimentatie voor een minderjarige geboren in 2017. De man had vervangende toestemming gekregen om het kind te erkennen, maar de erkenning was nog niet ingeschreven. Hij verzocht om gezamenlijk gezag met de moeder, een zorg- en omgangsregeling, en kinderalimentatie. De moeder verzette zich tegen gezamenlijk gezag vanwege slechte communicatie en wantrouwen.

De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde negatief over gezamenlijk gezag vanwege het ontbreken van communicatie en het risico voor het kind. Uit hulpverleningstrajecten bleek dat de ouders niet in staat waren tot gezamenlijke besluitvorming en dat het kind last had van loyaliteitsconflicten. De rechtbank oordeelde dat het verzoek tot gezamenlijk gezag moest worden afgewezen omdat dit niet in het belang van het kind was.

De rechtbank stelde een omgangsregeling vast die grotendeels overeenkomt met een eerdere voorlopige regeling, met specifieke tijden voor ophalen en terugbrengen bij school en een vakantierooster. Tevens werd bepaald dat er belmomenten zijn op verjaardagen en speciale dagen. De man werd verplicht een kinderalimentatie van €18 per maand te betalen, gebaseerd op zijn Wajong-uitkering en draagkrachtberekening. De beschikking is direct uitvoerbaar en de proceskosten worden ieder voor eigen rekening genomen.

Uitkomst: Verzoek tot gezamenlijk gezag afgewezen, omgangsregeling vastgesteld en kinderalimentatie van €18 per maand toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/425991 / FA RK 24-3955
datum uitspraak: 4 juni 2026
Nadere beschikking over wijziging ouderlijk gezag, vaststelling zorgregeling/ omgangsregeling en levensonderhoud
in de zaak van
[de man],
hierna te noemen: de man,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. R.A.F. Jansen te Rotterdam,
en
[de vrouw],
hierna te noemen: de vrouw,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. S. Kandemir te Dordrecht,
over de minderjarige:
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2017 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.
1 Het verdere procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
  • het proces-verbaal van de zitting in deze zaak van 12 maart 2025;
  • de in deze zaak gegeven beschikking van deze rechtbank van 17 april 2025 en alle daarin genoemde stukken;
  • het resultatenformulier Uniform Hulpaanbod (UHA) van 17 april 2025;
  • het e-mailbericht van de procesregisseur van de [werkgever] van 17 september 2025, met bijlage;
  • de brief van de Raad van 15 oktober 2025;
  • de brieven van mr. Jansen van 13 en 16 februari 2026 over een akte non-appèl;
  • de F9-formulieren van mr. Kandemir van 22 en 23 april 2026, met bijlagen;
  • het F9-formulier van mr. Jansen van 26 april 2026, met bijlagen.
1.2 De zaak is mondeling behandeld op de zitting van 7 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad.
1.3 De minderjarige [minderjarige] is, gelet op haar leeftijd, in staat gesteld haar mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek
.Tijdens de zitting heeft de rechtbank samengevat wat [minderjarige] heeft verteld.
1.4 De rechtbank verwijst naar de hiervoor genoemde beschikking van 17 april 2025. Bij die beschikking heeft de rechtbank de man vervangende toestemming verleend om de minderjarige [minderjarige] te erkennen. Ook is daarbij een door partijen overeengekomen (voorlopige) regeling voor omgang tussen de man en [minderjarige] vastgelegd en zijn partijen in het kader van het UHA verwezen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de zorgregio West-Brabant-Oost. In afwachting van de uitkomst van de UHA-verwijzing heeft de rechtbank de (definitieve) beslissing op de resterende verzoeken van partijen over gezag, omgang en kinderalimentatie aangehouden.
1.5 Bij e-mailbericht van 17 september 2025 heeft de procesregisseur van de [werkgever] een negatieve terugkoppeling inzake het UHA gegeven. De hulpverlening is niet gestart omdat het traject bij [hulpverlening 1] al was afgerond op het moment van de verwijzing door de rechtbank op 17 april 2025.
1.6 [minderjarige] heeft in het kader van de hulpverlening vanuit de gemeente (CJG) gesprekken gehad met een Kindbehartiger van [hulpverlening 1] . Ook dit traject is afgerond.

2.De verzoeken

2.1
Aan de orde zijn nu nog de volgende verzoeken van de man, samengevat:
  • te bepalen dat de man samen met de vrouw met het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt belast;
  • een zorgregeling/omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] vast te stellen, waarbij [minderjarige] één keer in de twee weken van vrijdag uit school (15.00 uur) tot en met zondagavond (19.00 uur) bij de man verblijft, dan wel gedurende de zomertijd tot en met zondag 19.00 uur en gedurende de wintertijd tot en met zondag 17.00 uur, waarbij de man [minderjarige] op vrijdagmiddag bij de school ophaalt en haar op zondagavond terugbrengt bij de school,
en daarnaast voor het contact tussen de man en [minderjarige] de volgende feest- en vakantieregeling vast te stellen:
  • carnavalsvakantie: [minderjarige] verblijft in de even jaren van vrijdag na school tot de zondag de week daarop tot 12.00 uur bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;
  • meivakantie: [minderjarige] verblijft in de oneven jaren de eerste week van vrijdag na school tot de zondag de week daarop tot 12.00 uur bij de man en in de tweede week van zondag 12.00 uur tot zondag 12.00 uur bij de vrouw en in de even jaren andersom;
  • zomervakantie: [minderjarige] verblijft in de even jaren in de weken 1, 2 en 3 van vrijdag na school tot zondag 12.00 uur bij de vrouw en in de weken 4, 5 en 6 vanaf zondag 12.00 uur tot zondag 12.00 uur bij de man en in de oneven jaren andersom;
  • herfstvakantie: [minderjarige] verblijft in de even jaren van vrijdag na school tot de zondag de week daarop tot 12.00 uur bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man;
  • kerstvakantie: [minderjarige] verblijft in de oneven jaren de eerste week van vrijdag na school tot zondag 12.00 uur bij de man en de tweede week van zondag 12.00 uur tot en met zondag 12.00 uur bij de vrouw en in de even jaren andersom;
- de vrouw te veroordelen tot nakoming van de contact-/omgangsregeling op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,= per dag dat zij daarin in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000,=.
2.2
De vrouw voert verweer tegen de hiervoor genoemde verzoeken van de man.
2.3
De vrouw verzoekt nu zelfstandig, samengevat:
  • een omgangsregeling/zorgregeling tussen de man en [minderjarige] te bepalen, waarbij de man en [minderjarige] contact hebben gedurende een weekend per veertien dagen van vrijdag 15.00 uur tot zondag 17.00 uur, waarbij de man [minderjarige] bij de school ophaalt en terugbrengt, en daarnaast gedurende de helft van alle schoolvakanties en feestdagen conform de regeling zoals die is bepaald in de beschikking van deze rechtbank van 17 april 2025;
  • te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] dient te voldoen een bedrag van € 250,= per maand, met ingang van 1 augustus 2023, steeds bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bijdrage.
2.4
De man voert verweer tegen het zelfstandig verzoek van de vrouw met betrekking tot het door hem aan de vrouw te betalen kinderalimentatie.
Meer aanvullend heeft de man verzocht:
- het door de man aan de vrouw te betalen bedrag aan kinderalimentatie te bepalen zoals de rechtbank juist acht, met ingang van de datum beschikking, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum.

3.De beoordeling

Gezag
Wettelijk kader
3.1
Ingevolge artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nog nooit het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Uit het tweede lid van dit wetsartikel volgt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders gezamenlijk met het gezag te belasten en de andere ouder met dit gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Standpunten
3.2
Namens en door de man is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd.
Weliswaar heeft de man van deze rechtbank vervangende toestemming verkregen om [minderjarige] te erkennen, maar de erkenning heeft nog niet plaatsgevonden. Dit komt doordat de gemeente een akte non-appèl verlangt en de man die ondanks zijn verzoek daarover aan de rechtbank niet heeft ontvangen. De man wil de erkenning alsnog zo snel mogelijk geregeld hebben, zodat hij ook in juridisch opzicht de vader van [minderjarige] is.
De man handhaaft zijn verzoek om samen met de vrouw belast te worden met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] . Volgens de man ondermijnt eenhoofdig ouderlijk gezag het gezamenlijk ouderschap en is gezamenlijk gezag daarom passend. Alhoewel de communicatie tussen partijen moeizaam verloopt, is dat op zichzelf nog geen reden om het verzoek af te wijzen. Duidelijk moet zijn dat de communicatieproblemen een onaanvaardbaar risico vormen dat in dit geval [minderjarige] klem of verloren raakt tussen hen als ouders en daarvan is in deze zaak geen sprake. De man meent dat partijen in staat zijn om beslissingen van enig belang over [minderjarige] in gezamenlijk overleg te nemen. De man zal zijn medewerking verlenen aan het nemen van de belangrijke beslissingen over [minderjarige] en dit in het belang van haar niet weigeren. Hij zal bijvoorbeeld toestemming voor vakanties naar het buitenland niet weigeren, want dat is leuk voor [minderjarige] . Er zijn geen signalen waaruit kan worden afgeleid dat de man zijn positie zal misbruiken of zaken op de spits zal drijven op het moment dat hij ook het gezag heeft. Integendeel. Hij wil graag actief zijn vaderrol in het leven van [minderjarige] kunnen vervullen en bij haar betrokken zijn als gezagdragende ouder, onder meer bij school. De vrouw informeert de man nauwelijks over [minderjarige] . Partijen communiceren nu alleen met elkaar via e-mailberichten. De man is nog steeds bereid om door middel van hulpverlening te werken aan verbetering van de communicatie van partijen, bijvoorbeeld door middel van mediation.
3.3
Namens en door de vrouw is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd.
De vrouw heeft geen bezwaren tegen erkenning van [minderjarige] door de man, maar wel grote bezwaren tegen gezamenlijk gezag. De vrouw wenst te benadrukken dat zij vanaf het begin een emotioneel en financieel verantwoordelijke vader wenste voor [minderjarige] , maar daar is geen sprake van. De man heeft het volgens de vrouw keer op keer laten afweten. Er is geen enkele basis voor gezamenlijk gezag. De vrouw weet niet eens waar [minderjarige] verblijft als zij bij de man is. Partijen praten al vier jaar niet met elkaar, zij sturen enkel mails. De communicatie verloopt uitermate slecht. Ondanks de inzet van hulpverlening is dit niet verbeterd. Het lukt de professionals niet om partijen met elkaar te laten praten. De man wil [minderjarige] niet eens bij de woning van de vrouw afzetten. De man maakt de vrouw veel verwijten, trekt de wijze waarop zij het moederschap uitoefent in twijfel en zet haar voor schut bij de school van [minderjarige] . De vrouw heeft de school toestemming gegeven om aan de man informatie te verstrekken over [minderjarige] . Hij kan zelf contact opnemen met de school. Verder heeft de vrouw erop gewezen dat [minderjarige] hulpverlening heeft gehad vanuit [hulpverlening 2] en ook vanuit [hulpverlening 1] . Bij [hulpverlening 1] heeft zij gesproken met een kindbehartiger. Uit de overgelegde stukken hierover blijkt dat [minderjarige] last heeft van de situatie tussen haar ouders en dat sprake is van een loyaliteitsconflict. Zij zit klem tussen haar ouders. Het incident tussen partijen op eerste Paasdag (5 april 2026) is daar een voorbeeld van.
Partijen hebben al een zwaar hulpverleningstraject bij het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) en [hulpverlening 1] doorlopen, zonder resultaat. Nog meer hulpverlening om de communicatie tussen de ouders te verbeteren zal niets uithalen. De vrouw heeft zichzelf wel aangemeld bij een psycholoog voor systeemtherapie. Ook heeft zij [minderjarige] bij het CJG aangemeld voor een ondersteunende groepstraining voor kinderen van zes tot tien jaar ( [groepstraining] ). Als de man aantoonbaar op normale wijze met de vrouw kan communiceren, dan is het gezamenlijk gezag in de toekomst wellicht bespreekbaar voor de vrouw, maar gezamenlijk gezag is nu absoluut niet in het belang van het kind.
3.4
De Raad heeft, samengevat, geadviseerd dat het verzoek van de man tot verkrijging van het gezamenlijk gezag dient te worden afgewezen. De Raad vindt het niet wenselijk dat er een raadsonderzoek plaatsvindt om de redenen zoals genoemd in de brief van de Raad van 15 oktober 2025. De raadsmedewerker heeft verder aan de orde gesteld dat de Raad op de vorige zitting heeft geadviseerd om de ouders naar het UHA te verwijzen. De raadsmedewerker vermoedt dat dit niet zou zijn gebeurd als toen bekend was geweest dat het hulpverleningstraject bij [hulpverlening 1] al was afgerond. Helaas is daardoor veel tijd verloren gegaan. Op het moment dat de man de erkenning van [minderjarige] heeft geregeld, heeft hij als juridisch ouder meer rechten en plichten. Onder meer heeft hij dan recht op informatie en consultatie over [minderjarige] . Op die manier zal de man ook al invloed hebben op het leven van [minderjarige] . De Raad ziet voor het overige weinig mogelijkheden voor gezamenlijk gezag. Er is geen sprake van communicatie tussen partijen. Zelfs het traject Parallel Solo Ouderschap (PSO) bij [hulpverlening 1] heeft niet geholpen. De diverse trajecten die de Raad zou kunnen adviseren om te komen tot een verbetering van de ouderrelatie, zijn al doorlopen. Ook op de zitting blijkt dat de communicatie tussen partijen niet goed verloopt. De Raad neemt ook een sterke vorm van non-verbale communicatie waar. De Raad verwacht niet dat de slechte communicatie binnen afzienbare tijd zal veranderen. Daarom adviseert de Raad negatief over het verzoek van de man met betrekking tot het gezamenlijk gezag. Verder raadt de Raad de man aan om, net als de vrouw, hulpverlening voor zichzelf te zoeken, om aan zichzelf te werken.
Beoordeling
3.5
De rechtbank dient allereerst te beoordelen of de man kan worden ontvangen in zijn verzoek om samen met de vrouw te worden belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . Op het moment van de zitting van 7 mei 2026 had de erkenning van [minderjarige] nog niet plaatsgevonden. De man heeft op de zitting van 7 mei 2026 evenwel verklaard dat hij twee keer bij de gemeente is geweest voor de erkenning. Volgens de man stelt de gemeente zich op het standpunt dat hij wat betreft de beschikking van de rechtbank van 17 april 2025 met daarin de vervangende toestemming voor de erkenning, een zogeheten verklaring non-appèl moet overleggen. Door de griffier van de rechtbank is echter aan de advocaat van de man medegedeeld dat de rechtbank de onherroepelijk geworden beschikking op 5 augustus 2025 heeft verzonden naar de [werkgever] , dat de erkenning kan worden ingeschreven en dat een verklaring non-appèl niet nodig is. Desondanks vraagt de gemeente nog steeds om een verklaring non-appèl. Zodra de man beschikt over deze verklaring van de rechtbank zal de man [minderjarige] erkennen, zo heeft hij verklaard.
Voorgaande betekent dat de man nu nog geen tot het gezag bevoegde vader van het kind is in de zin van artikel 1:253c BW. De rechtbank gaat er echter vanuit dat de man [minderjarige] op korte termijn alsnog daadwerkelijk zal erkennen. Gelet op al deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de man nu al kan worden ontvangen in zijn verzoek met betrekking tot het gezamenlijk gezag over [minderjarige] . Bij dit oordeel speelt voor de rechtbank verder nadrukkelijk ook een rol dat de Raad in zijn brief van 15 oktober 2025 heeft aangegeven dat het voor partijen belangrijk is dat zij op korte termijn duidelijkheid krijgen over de vraag of er gezamenlijk gezag komt. De rechtbank zou de beslissing over het gezamenlijk gezag namelijk ook nogmaals kunnen aanhouden in afwachting van de erkenning, maar dan blijft er nog langer onduidelijkheid bestaan. De rechtbank acht dit niet in het belang van [minderjarige] , en ook niet in het belang van partijen.
3.6
Zoals in de beschikking van 17 april 2025 door de rechtbank al is overwogen, is het uitgangspunt van de wetgever dat ouders het ouderlijk gezag over hun minderjarige kind gezamenlijk uitoefenen. Voor de uitvoering van gezamenlijk gezag is wel vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans dat zij ten minste in staat zijn om vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond hun kind kunnen voordoen, zodat het kind niet klem of verloren raakt of dreigt te raken tussen de ouders. Daarvoor is een vorm van basiscommunicatie en samenwerking tussen de ouders nodig.
3.7
De stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken laten het volgende beeld zien. Op 26 augustus 2024 heeft de man (onder meer) een verzoek ingediend om samen met de vrouw te worden belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . In alinea 34 van dat verzoekschrift is vermeld dat partijen naar aanleiding van incidenten en het stopzetten van de omgangsregeling een mediation traject met elkaar zijn aangaan om de onderlinge communicatie tussen hen als ouders te verbeteren. Partijen hebben zich destijds vrijwillig bij het CJG gemeld voor hulpverlening en zijn vervolgens met elkaar aan de slag gegaan bij [hulpverlening 1] . In de eindevaluatie van [hulpverlening 1] (productie 7 van de vrouw) uit maart 2025 is vermeld dat de vrouw parallel ouderschap als de meest geschikte vorm van ouderschap ziet. Ook de man kiest voor parallel ouderschap, omdat hij geen contact wenst met de vrouw. Volgens de man is er te veel gebeurd en is het wantrouwen te groot om te komen tot een veilig contact met de vrouw. Volgens de eindevaluatie bedoelt de man hiermee dat er in het verleden escalaties zijn geweest tussen partijen, onder meer bij de wisselmomenten van [minderjarige] . De man wil dat deze wisselmomenten op neutraal terrein plaatsvinden om ervoor te zorgen dat er altijd mensen zijn die mogelijke conflicten kunnen waarnemen als getuige. Uit de eindevaluatie van [hulpverlening 1] blijkt verder dat afname van de Masic laat zien dat sprake is van een onveiligheidsgevoel tussen de ouders. Volgens [hulpverlening 1] is het erg lastig is om bij partijen voldoende basis voor parallel ouderschap te realiseren.
In het eindverslag van 10 april 2025 van de Kindbehartiger van [hulpverlening 1] (productie 6 van de vrouw) is vermeld dat [minderjarige] schuldgevoelens richting haar ouders heeft en dat zij soms het gevoel heeft tussen hen te moeten kiezen. Er wordt gesproken over loyaliteitsproblematiek. Ook heeft [minderjarige] bij de Kindbehartiger benoemd dat er ruzie is tussen haar ouders tijdens het bellen en dat zij daarom niet zelf meer met papa belt. Daarnaast heeft [minderjarige] verteld over een situatie waarbij de man de voordeur van het huis van de vrouw heeft ingetrapt omdat hij [minderjarige] nog een knuffel wilde gegeven maar dat niet mocht van de vrouw. Verder blijkt uit de eindevaluatie dat [minderjarige] slaapproblemen heeft. Zij heeft last van nachtmerries en is bang om te gaan slapen. Het is voor [minderjarige] van belang dat de ouders hierover eenzelfde visie en handelwijze uitstralen. Het zou wenselijk zijn als de ouders samen een plan van aanpak maken. Als de angsten blijven, is dit volgens de Kindbehartiger een belemmering voor de ontwikkeling van [minderjarige] .
3.8
De rechtbank heeft partijen bij beschikking van 17 april 2025 een verwijzing in het kader van het UHA gegeven en dit heeft op 17 september 2025 geleid tot een negatieve terugkoppeling. In het rapport van de [werkgever] van 9 juli 2025 is vermeld dat volgens [hulpverlening 1] met de inzet van de methodiek PSO het hoogst haalbare tussen deze ouders is bereikt. Het traject heeft veel tijd gekost. Het starten van een nieuw traject wordt door [hulpverlening 1] afgeraden, omdat dit geen toegevoegde waarde heeft en mogelijk zelfs schadelijk kan zijn voor wat is bereikt. Verder is in het rapport vermeld dat beide ouders aangeven emotioneel en mentaal uitgeput te zijn en niet in staat zijn om nog een hulpverleningstraject aan te gaan. Ook de ouders zelf vinden dat het hoogst haalbare binnen hun mogelijkheden inmiddels is bereikt. Tot slot is in het rapport te lezen dat het structureel ontbreken van communicatie tussen de ouders van [minderjarige] een zorg blijft.
3.9
Tenslotte volgt uit het van de zijde van de man als productie 14 overgelegde proces-verbaal van aangifte dat er op 5 april 2026 opnieuw een incident is geweest tussen partijen naar aanleiding van het terugbrengen van [minderjarige] door de man in het kader van de omgangsregeling. Partijen verschillen in visie over wat er is voorgevallen op 5 april 2026. Op basis van wat partijen op de zitting van 7 mei 2026 over het incident hebben verteld, staat in elk geval vast dat er een discussie is geweest over het moment waarop de man [minderjarige] met Pasen naar [woonplaats 2] zou terugbrengen en dat die discussie uit de hand is gelopen. Ook staat vast dat er sindsdien geen contact meer is geweest tussen de man en [minderjarige] .
3.1
De rechtbank signaleert op basis van al het voorgaande dat er tussen partijen over en weer sprake is van een grote mate van wantrouwen en dat zij niet met elkaar kunnen (en willen) communiceren. De ouders staan met elkaar niet op één lijn en dit leidt bij [minderjarige] tot loyaliteitsproblemen. Zij houdt van haar beide ouders, maar heeft soms ook het gevoel dat zij tussen hen moet kiezen. Partijen hebben bij [hulpverlening 1] een intensief traject gevolgd om te komen tot verbetering van de onderlinge verstandhouding en communicatie, maar dit heeft nauwelijks effect gehad. Zelfs het wisselmoment van [minderjarige] in het kader van de omgangsregeling kan niet bij de woning van de vrouw plaatsvinden, omdat dat volgens de man leidt tot een onveilige situatie. Het traject PSO bij [hulpverlening 1] heeft (ook) niet geleid tot de voor gezamenlijk gezag benodigde oudercommunicatie.
3.11
De rechtbank is gelet op voornoemde omstandigheden dan ook van oordeel dat het verzoek van de man over het gezamenlijk gezag moet worden afgewezen omdat dit anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De rechtbank begrijpt dat de man als vader graag wil worden betrokken bij de beslissingen over [minderjarige] . Maar, om samen het gezag te kunnen hebben, is het nodig dat de ouders samen beslissingen kunnen nemen over de verzorging en opvoeding van hun kind. Dat moet op een manier die hun kind niet belast en de veiligheid van het kind niet in gevaar brengt. Daarvan is in deze zaak geen sprake. Intensieve hulpverlening heeft niet geleid tot verbetering danwel het gewenste resultaat. Partijen communiceren nog steeds niet met elkaar en het onderlinge wantrouwen lijkt alleen maar groter te zijn geworden. De minimale basis die nodig is voor gezamenlijk ouderschap is afwezig en het ziet er niet naar uit dat dit binnen korte tijd zal verbeteren. Voor de rechtbank staat vast dat de communicatie tussen de man en de vrouw volledig ontbreekt en dat verbetering daarvan door middel van een mogelijk nieuw traject, zoals de man dat tijdens de zitting naar voren heeft gebracht, op dit moment een gepasseerd station is.
3.12
De rechtbank benadrukt dat deze beslissing niet af doet aan het recht van [minderjarige] en de man op omgang met elkaar. Op het moment dat de man [minderjarige] heeft erkend en in juridisch opzicht haar ouder is, komt daar op grond van artikel 1:377b lid 1 BW een informatie- en raadpleegplicht bij. Dit betekent dat de vrouw de man dan over belangrijke aangelegenheden met betrekking tot [minderjarige] moet informeren en raadplegen. Dit raadplegen houdt in dat de man over belangrijke aangelegenheden zoals bijvoorbeeld een ziekenhuisopname van [minderjarige] , een verhuizing of naar welke school zij gaat, zijn mening aan de vrouw kenbaar kan maken. Als partijen het niets eens zijn is het echter wel de vrouw die als gezaghebbende ouder beslist.
Zorg-/omgangsregeling
Wettelijk kader
3.13
In artikel 1:377a lid 1 BW staat dat een kind recht heeft op omgang met zijn
ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft bovendien het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Op grond van het tweede lid van voormeld artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
Standpunten
3.14
Namens en door de man is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd.
Sinds het incident op 5 april 2026 heeft de man geen contact met [minderjarige] . Dit leek hem gelet op alle emoties naar aanleiding van het conflict beter. De man had [minderjarige] op 5 april 2026 te laat teruggebracht. [minderjarige] had het erg naar haar zin bij de man en wilde graag langer blijven. De man had de vrouw daarover gemaild, maar kreeg geen reactie. De man ging er vanuit dat de vrouw akkoord was, maar dat bleek anders te zijn.
De man wil nu graag dat de omgang zo snel mogelijk weer wordt opgestart, volgens de regeling die is bepaald in de voorlopige beschikking van 17 april 2025. Die regeling verliep tot het incident van 5 april 2026 goed. Partijen hebben wel nog wat discussie over het wisselmoment. Op vrijdag haalt de man [minderjarige] uit school, maar op zondag wil hij haar niet bij de vrouw thuisbrengen omdat hij dan een confrontatie met de vrouw en haar familie vreest. Op de vorige zitting is daarom afgesproken dat hij [minderjarige] afzet bij school en dat zij dan zelf naar huis loopt. De man brengt [minderjarige] op zondag het liefst om 19.00 uur terug bij de school, of gedurende de wintertijd om 17.00 uur en gedurende de zomertijd om 19.00 uur. Verder wil de man niet alleen omgang met [minderjarige] tijdens de schoolvakanties en feestdagen volgens de regeling zoals die is vermeld in alinea 5.4 van de beschikking van 17 april 2025, maar ook op zijn verjaardag, Vaderdag en op speciale dagen zoals Pasen, Hemelvaart en Pinksteren.
In zijn inleidende verzoekschrift heeft de man gesteld dat de vrouw de omgangsregeling in het verleden meerdere keren heeft stopgezet. Om te voorkomen dat zij dat opnieuw doet, verzoekt de man om de vrouw te veroordelen tot nakoming van de omgangsregeling op straffe van verbeurte van een dwangsom. Dit om ervoor te zorgen dat [minderjarige] niet steeds wordt geconfronteerd met onvoorspelbaarheid en dat de hechtingsrelatie tussen de man en [minderjarige] niet in gevaar komt.
3.15
Namens en door de vrouw is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd.
Ook de vrouw wil dat de omgang tussen de man en [minderjarige] snel wordt hervat, overeenkomstig de regeling in de beschikking van 17 april 2025. Deze regeling kan wat betreft de vrouw als een definitieve regeling worden vastgelegd. Wel is het belangrijke dat de man zich strikt houdt aan de tijden van de regeling. Als de man zich daar gewoon aan houdt, is het niet nodig om te mailen over de tijd van het ophalen en terugbrengen. Dan blijven conflicten daarover uit. Een verdere regeling voor bijzondere dagen vindt de vrouw niet nodig. Als bijvoorbeeld de verjaardag van de man of die van [minderjarige] in het weekend van de vrouw valt, kunnen [minderjarige] en de man telefonisch contact met elkaar hebben.
3.16
De Raad heeft, samengevat, geadviseerd dat het contact tussen de man en [minderjarige] op korte termijn dient te worden hervat en dat door de rechtbank een definitieve omgangsregeling wordt vastgelegd.
Het is belangrijk dat partijen zich dan aan die regeling houden en dat er geen sprake is van “mitsen en maren”, ook niet wat betreft de door de man genoemde feestdagen zoals zijn verjaardag en Pasen. Als een dergelijke dag in het weekend van de man valt, is het leuk dat [minderjarige] die dag bij de man kan doorbrengen, maar hij dient zich ook dan te houden aan de tijden voor het ophalen en terugbrengen in de regeling. Het is verder een goed idee als er op speciale dagen, zoals de verjaardag van partijen en [minderjarige] , telefonisch contact kan plaatsvinden tussen [minderjarige] en de ouder bij wie zij dan niet is.
3.17
[minderjarige] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter verteld dat zij haar vader op dit moment niet ziet en dat zij hem wel een beetje mist. Zij ziet haar vader niet omdat haar ouders met Pasen ruzie hebben gemaakt en dat uit de hand is gelopen. Haar vader belt haar nu af en toe en dat vindt ze fijn. [minderjarige] gaat er vanuit dat ze haar vader wel weer gaat zien. Ze vindt het leuk om naar haar vader te gaan, maar kan daar niet goed slapen. Ze moet nu een stapelbed delen met de dochter van de vriendin van haar vader en dat vindt ze niet fijn. [minderjarige] wil graag een eigen bed. Wat [minderjarige] het allerliefste zou willen is dat haar ouders weer bij elkaar komen en bij elkaar blijven.
Beoordeling
3.18
De rechtbank vindt het, net als de Raad, in het belang van [minderjarige] dat er een definitieve omgangsregeling wordt vastgelegd. Gelet op wat er op de zitting van 7 mei 2026 is besproken, zal de rechtbank een omgangsregeling bepalen die nagenoeg volledig overeenkomt met de voorlopige omgangsregeling die is vastgelegd in de beschikking van 17 april 2025. De rechtbank past de regeling wat betreft het terugbrengen van [minderjarige] op de zondagen overeenkomstig het verzoek van de man in zoverre aan dat [minderjarige] gedurende de wintertijd om 17.00 uur bij de school wordt teruggebracht en gedurende de zomertijd om 19.00 uur. Dit heeft er mee te maken dat [minderjarige] vanaf de school zelf naar de vrouw loopt en het in de winter om 19.00 uur donker is. Net als bij de voorlopige omgangsregeling is het de vrouw toegestaan om [minderjarige] tijdens het wisselmoment op de zondag zelf op te vangen bij de school, als zij dat wil. Het belang van [minderjarige] staat hierbij voorop. Bij het wisselmoment bij de school zijn in ieder geval geen derden aanwezig. Verder zal de rechtbank vastleggen dat er op de verjaardagen van partijen en [minderjarige] en op Moederdag en Vaderdag belmomenten zijn, op de wijze zoals hierna in de beslissing is vermeld. De rechtbank zal geen speciale regeling bepalen voor bijzondere dagen zoals Pasen, Hemelvaart en Pinksteren. [minderjarige] zal dergelijke dagen doorbrengen bij de ouder bij wie zij volgens de reguliere omgangsregeling is en tot het tijdstip dat volgens de reguliere omgangsregeling voor die dag geldt.
3.19
De rechtbank wil benadrukken dat het van belang is dat partijen de omgangsregeling strikt naleven. Dit betekent ook dat zij elkaar niet per e-mail of op een andere manier moeten blijven benaderen over afwijkingen daarvan. Uit eerdere incidenten, zoals op 5 april 2026, blijkt dat dit door de slechte communicatie en het onderlinge wantrouwen tussen partijen kan leiden tot een ernstig conflict en tot het stilvallen van de omgang. Dat is geenszins in het belang van [minderjarige] . Een herhaling moet worden voorkomen.
3.2
De vrouw heeft op de zitting kenbaar gemaakt dat zij het belangrijk vindt dat [minderjarige] contact heeft met haar vader en dat zij achter het spoedig hervatten van de omgangsregeling staat. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de vrouw zich zal houden aan de omgangsregeling. De rechtbank ziet geen aanleiding om de vrouw te veroordelen tot nakoming van de omgangsregeling op straffe van verbeurte van een dwangsom. Het daartoe strekkende verzoek van de man wordt afgewezen.
Kinderalimentatie
Grondslag verzoek vaststelling alimentatie
3.21
De vrouw stelt allereerst dat partijen zijn overeengekomen dat de man met ingang van april 2022 aan de vrouw een kinderalimentatie van € 250,= per maand betaalt. Zij verwijst ter onderbouwing naar bankafschriften (productie 2 van de vrouw). De man betwist dat partijen een afspraak hebben gemaakt over de betaling van kinderalimentatie. Hij stelt dat hij gedurende een bepaalde periode uit eigen beweging bedragen aan de vrouw heeft betaald om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] . De man wijst er in dat kader op dat uit de door de vrouw overgelegde bankgegevens blijkt dat hij telkens andere bedragen heeft voldaan en niet steeds een bedrag van € 250,=.
3.22
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw haar stelling dat sprake is van een partijafspraak over het betalen van kinderalimentatie onvoldoende heeft onderbouwd. Uit de door haar overgelegde bankgegevens blijkt weliswaar dat de man in de periode van 26 april 2022 tot en met 3 maart 2023 een paar keer bedragen heeft betaald, maar het gaat om bedragen die variëren van € 30,= tot € 350,= en bedragen die zijn voldaan via Tikkie. Daarmee is niet komen vast te staan dat partijen zijn overeengekomen dat de man maandelijks een bijdrage voor de kosten van opvoeding en verzorging van [minderjarige] zal betalen van € 250,= per maand.
3.23
Op de zitting is gebleken dat partijen het er wel over eens zijn dat [minderjarige] behoefte heeft aan enige onderhoudsbijdrage van de man en dat aan de rechtbank wordt verzocht om deze vast te stellen. Er dient daarom een onderzoek plaats te vinden naar de behoefte van het kind en de financiële draagkracht van de onderhoudsplichtigen.
Ingangsdatum
3.24
De rechtbank zal om proceseconomische redenen eerst de ingangsdatum van de eventueel toe te wijzen kinderalimentatie beoordelen.
3.25
De vrouw stelt dat voor de ingangsdatum moet worden uitgegaan van 1 augustus 2023. De man vindt dat moet worden gekozen voor de datum van de beschikking in deze procedure.
3.26
Op grond van artikel 1:402 BW Pro heeft de rechter een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van een alimentatieverplichting. Volgens vaste rechtspraak geldt echter als uitgangspunt dat de rechter behoedzaam gebruik dient te maken van deze bevoegdheid tot wijziging van een bijdrage over een periode in het verleden, tenzij er omstandigheden zijn die aanleiding geven anders te beslissen. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.
3.27
De rechtbank acht het redelijk om in deze zaak als ingangsdatum de datum van deze beschikking te hanteren. De vrouw heeft namelijk in deze procedure zelf voor het eerst pas op 22 april 2026 inkomensgegevens overgelegd waaruit kan worden afgeleid wat haar aandeel is in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Eerder heeft de vrouw daar geen inzage in gegeven. Daarnaast voorziet de rechtbank dat de man bij een eerdere ingangsdatum direct al met een betalingsachterstand zal worden geconfronteerd.
Daarmee zou de toch al slechte verstandhouding tussen partijen alleen maar nog verder onder druk komen te staan.
Behoefte van het kind
3.28
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
3.29
Tijdens de zitting is gebleken dat partijen het eens zijn over de behoefte van [minderjarige] . Partijen zijn daarbij uitgegaan van inkomensgegevens van de man uit het jaar 2021 en inkomensgegevens van de vrouw uit het jaar 2023. Gerekend is met de tarieven uit de eerste helft van 2023 (productie 11 van de man). Tussen partijen staat vast dat de behoefte van [minderjarige] in 2023 € 445,= per maand was. Deze behoefte is gebaseerd op een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 3.346,= per maand (netto besteedbaar inkomen van de man uit Wajong-uitkering van € 1.046,=, van de vrouw uit loondienst bij de [werkgever] van
€ 2.177,= en een kindgebonden budget van € 123,= per maand). Geïndexeerd naar 2025 is de behoefte van [minderjarige] € 503,= per maand. De rechtbank zal hiervan uitgaan.
Draagkracht van de onderhoudsplichtigen
3.3
Het aandeel van de onderhoudsplichtigen in de behoefte van het kind becijfert de rechtbank aan de hand van ieders huidig netto besteedbaar inkomen (NBI), waarbij ieders draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen. Gelet op de stellingen van partijen en de overgelegde stukken zal de rechtbank bij de bepaling van de draagkracht uitgaan van de jaaropgaves over het jaar 2025.
Draagkracht van de vrouw
3.31
Tijdens de zitting zijn partijen het eens geworden over de draagkracht van de vrouw. Afgesproken is dat deze op basis van de gegevens uit 2025 (werkzaam bij [werkgever] , 32 uur per week), kan worden vastgesteld op € 734,= per maand.
Draagkracht van de man
3.32
Voor de vaststelling van het NBI van de man gaat de rechtbank uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens. De man heeft volgens de jaaropgave 2025 van het UWV (Wajong) een inkomen van € 20.985,= bruto per jaar. De rechtbank houdt verder rekening met de van toepassing zijnde algemene heffingskorting en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de man in 2025 op een bedrag van € 1.378,= per maand. Daarmee is sprake van een NBI dat lager is dan de grens van € 2.125,= in de draagkrachttabel voor 2025. Voor inkomens onder € 1.875,= geldt een minimumdraagkracht van € 25,= per maand (of € 50,= voor twee of meer kinderen). Volgens de draagkrachttabel dient de draagkracht van de man dus te worden vastgesteld op € 25,= per maand. Gelet op de hoogte van de Wajong-uitkering van de man geldt dit ook voor het jaar 2026, nu gesteld noch gebleken is dat zijn inkomen uit de Wajong-uitkering in 2026 afwijkend is ten opzichte van dat in 2025.
3.33
Van de zijde van de vrouw is gesteld dat de man naast de Wajong-uitkering ook inkomen heeft als zelfstandig ondernemer (ZZP’er) en dat daarmee rekening moet worden gehouden bij de bepaling van zijn draagkracht.
Omdat de man in gebreke is gebleven met het overleggen van gegevens over zijn inkomen als ZZP’er, dient volgens de vrouw ervan te worden uitgegaan dat hij draagkracht heeft om de verzochte maandelijkse bijdrage van € 250,= te voldoen.
Dit wordt van de zijde van de man betwist. De man erkent dat hij in het verleden inkomsten heeft gehad als ZZP’er, hij was kok. De man voert echter ook aan dat hij, sinds de wijziging van de regelgeving rondom ZZP’ers, in 2025 niet meer wordt opgeroepen, dat hij daardoor geen inkomsten meer heeft als zelfstandig ondernemer en dat hij alleen nog een Wajong-uitkering ontvangt.
3.34
Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat de regelgeving rondom ZZP’ers vanaf 2025 is gewijzigd en dat vanuit de overheid streng wordt gecontroleerd op de zogeheten schijnzelfstandigheid. De rechtbank acht het mede gelet op de toelichting van de man tijdens de zitting dan ook niet onaannemelijk dat de man inmiddels niet meer als zelfstandig kok door derden wordt ingehuurd. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank verder de inhoud van de uitkeringsspecificatie over de maand februari 2025 (productie 10 van de man), waarop niet is vermeld dat de man is gekort op zijn uitkering vanwege andere inkomsten. Tenslotte heeft de vrouw naar het oordeel van de rechtbank ook voor het overige onvoldoende gesteld en onderbouwd om te kunnen concluderen dat de man als zelfstandig ondernemer inkomsten geniet. De rechtbank gaat daarom bij de bepaling van de draagkracht van de man alleen uit van zijn inkomen uit de Wajong-uitkering en niet van andere inkomsten.
3.35
Uitgaande van de hiervoor staande uitgangspunten is de draagkracht van de man ten behoeve van het betalen van kinderalimentatie € 25,= per maand. De rechtbank verwijst naar de berekening die als bijlage bij deze berekening is gevoegd. Die berekening maakt deel uit van deze beschikking.
Draagkrachtvergelijking
3.36
De totale draagkracht van partijen bedraagt op basis van de cijfers uit 2025 samengeteld € 759,= (namelijk € 734,= en € 25,=). De draagkracht van partijen overstijgt daarmee de behoefte van [minderjarige] van € 503,= per maand (2025).
3.37
De verdeling van de kosten van de kinderen over de onderhoudsplichtigen wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van de kinderen, oftewel:
het aandeel van de man bedraagt: (€ 25 / € 759) x € 503 = € 17,= per maand
het aandeel van de vrouw bedraagt: (€ 734 / € 759) x € 503 = € 486,= per maand.
Zorgkorting
3.38
De man is bij het berekenen van zijn draagkracht uitgegaan van een zorgkorting van 20%. Van de zijde van de vrouw is hierover geen expliciet en concreet standpunt ingenomen.
3.39
Bij toepassing van een zorgkorting komt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] uit op nihil. In dat geval komen de kosten van [minderjarige] (nagenoeg) volledig te rusten op de schouders van de vrouw, terwijl zij ook in praktisch opzicht het grootste gedeelte van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich neemt. Daarom vindt de rechtbank het redelijk om geen zorgkorting toe te passen en dient de man het bedrag dient te betalen dat voortvloeit uit de draagkrachtvergelijking.
Omdat de ingangsdatum ligt in het jaar 2026, en uitgegaan wordt van de cijfers over 2025, dient het bedrag van € 17,= nog wel te worden geïndexeerd en komt de rechtbank uit op een kinderalimentatie van € 18,= per maand.
Conclusie
3.4
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] met ingang van de datum van deze beschikking vaststellen op € 18,= per maand.
Algemene overwegingen
3.41
De beslissing over de omgangsregeling en de kinderalimentatie zal, gelet op het karakter daarvan en het belang dat hierover voor alle partijen duidelijkheid bestaat, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
3.42
Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kind gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1
bepaalt dat de man en [minderjarige] eenmaal per twee weken van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond gerechtigd zijn tot het hebben van omgang met elkaar, waarbij de man [minderjarige] op vrijdag om 15.00 uur ophaalt op school en hij haar op zondag op het hierna genoemde tijdstip terugbrengt bij de school, waarna [minderjarige] zelfstandig terugloopt naar de woning van de vrouw en er, behalve (als de vrouw dat wil) de vrouw, geen andere personen bij het wisselmoment aanwezig zijn; in de periode vanaf het eerste omgangsweekend ná het weekend waarin de zomertijd ingaat brengt de man [minderjarige] op zondag telkens om 19.00 uur terug bij de school en in de periode vanaf het eerste omgangsweekend ná het weekend waarin de wintertijd ingaat brengt de man [minderjarige] op zondag telkens om 17.00 uur terug bij de school;
4.2
bepaalt in het kader van de omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] met betrekking tot de verdeling van de vakanties het volgende:
­ Carnavalsvakantie: [minderjarige] verblijft in de even jaren van vrijdag na school tot de zondag de week daarop tot 12.00 uur bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;
­ Meivakantie: [minderjarige] verblijft in de oneven jaren de eerste week van vrijdag na school tot de zondag de week daarop tot 12.00 uur bij de man en in de tweede week van zondag 12.00 uur tot zondag 12.00 uur bij de vrouw. In de even jaren andersom;
­ Zomervakantie: [minderjarige] verblijft in de even jaren de weken 1,2 en 3 van vrijdag na school tot zondag 12.00 uur bij de vrouw en in de weken 4, 5 en 6 vanaf zondag 12.00 uur tot zondag 12.00 uur bij de man. In de oneven jaren andersom;
­ Herfstvakantie: [minderjarige] verblijft in de even jaren van vrijdag na school tot de zondag de week daarop tot 12.00 uur bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man;
­ Kerstvakantie: [minderjarige] verblijft in de oneven jaren de eerste week van vrijdag na school tot zondag 12.00 uur bij de man en in de tweede week van zondag 12.00 uur tot en met zondag 12.00 uur bij de vrouw. In de even jaren andersom;
4.3
bepaalt dat [minderjarige] en de ouder bij wie zij op dat moment niet is recht hebben op telefonisch contact (belmoment) met elkaar op de verjaardag van die ouder, op de verjaardag van [minderjarige] en op Vaderdag respectievelijk Moederdag;
4.4
bepaalt dat de man vanaf de datum van deze beschikking ten behoeve van de verzorging en opvoeding van het minderjarige kind [minderjarige] aan de vrouw bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 18,= (achttien) per maand;
4.5
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.6
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.7
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Vos, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. Van der Plas, griffier, in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.