ECLI:NL:RBZWB:2026:6

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
23/11474
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen naheffingsaanslag Bpm en verzoek om immateriële schadevergoeding

In deze uitspraak beoordeelt de Rechtbank Zeeland-West-Brabant het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst, die op 30 oktober 2023 een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) heeft opgelegd van € 6.452. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag gehandhaafd. De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 behandeld, waarbij mr. M.U. Sahin namens belanghebbende en twee inspecteurs namens de Belastingdienst aanwezig waren.

De rechtbank heeft beoordeeld of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en of de herleidingsmethode kan worden toegepast. Belanghebbende had een BMW X4 M40i geregistreerd en een bedrag aan Bpm voldaan van € 4.279. De inspecteur stelde dat de verschuldigde Bpm € 10.731 bedraagt op basis van een hertaxatie. De rechtbank concludeert dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en dat de herleidingsmethode niet kan worden toegepast.

Daarnaast heeft belanghebbende verzocht om een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar met acht maanden is overschreden en kent belanghebbende een schadevergoeding van € 1.000 toe, die door de Staat moet worden vergoed. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, maar wijst de schadevergoeding toe en kent ook proceskosten toe aan belanghebbende.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11474

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 januari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, Bothof Services B.V.),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 30 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 6.452 aan verschuldigde Bpm.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. De naheffingsaanslag is terecht en naar het juiste bedrag opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft op 12 februari 2023 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een BMW X4 M40i met [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 4.279.
3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
3.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 10.731 bedraagt op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel omdat deze het meest gunstig is. De inspecteur heeft vervolgens de naheffingsaanslag opgelegd.

Overwegingen

4. Tussen partijen is in geschil of de zogenoemde herleidingsmethode kan worden toegepast en de hoogte van de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat.
4.1.
Tussen partijen is niet langer in geschil dat de historische nieuwprijs € 119.656 bedraagt.
Herleidingsmethode
4.2.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [1] slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Handelsinkoopwaarde in beschadigde staat
4.3.
Belanghebbende gaat uit van de taxatiemethode. Hij sluit voor de hoogte van de handelsinkoopwaarde aan bij het rapport van DRZ en stelt dat alleen nog een waardevermindering wegens schade in aanmerking genomen moet worden.
4.4.
De taxateur van belanghebbende heeft schade geconstateerd voor een bedrag van € 12.191 en deze voor 85% op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. Verder heeft de taxateur nog een totaalbedrag van € 13.136 in mindering gebracht in verband met een correctie schadeverleden, een correctie afwijkende bruto Bpm en geen oordeel kilometerstand. De hertaxateur van DRZ heeft geen schade aan de auto geconstateerd en opgemerkt dat de opgegeven schadeposities niet zijn aangetroffen dan wel als gebruikssporen zijn aangemerkt.
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de auto destijds bijna drie jaar oud was en 59.719 kilometer had gereden. Het beleid dat binnen de branche zou bestaan leidt niet tot een ander oordeel. De overige waardeverminderingen zijn door belanghebbende niet onderbouwd en dus ook niet aannemelijk gemaakt. Al hetgeen de inspecteur met betrekking tot het taxatierapport heeft gesteld hoeft dan geen behandeling meer evenals de vraag of 85% of 31% als waardevermindering in aanmerking moet worden genomen.
4.6.
Met betrekking tot de handelsinkoopwaarde overweegt de rechtbank dat de waarde uit de koerslijst van Xray van belanghebbende niet kan worden gevolgd gelet op het verschil in motorvermogen en omdat de opties niet goed zijn weergegeven. Belanghebbende heeft desgevraagd ter zitting ook niet nader kunnen toelichten welke koerslijst het beste aansluit bij de auto. De rechtbank is daarmee van oordeel dat de handelsinkoopwaarde zoals deze volgt uit de koerslijst van Xray van belanghebbende te laag is. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit de koerslijst van AutotelexPro die de inspecteur als uitgangspunt hanteert en waarin de opties wel zijn gespecificeerd, een hogere waarde blijkt, alhoewel ook deze uitgaat van een lager motorvermogen. Ook uit de koerslijst van AutotelexPro die bij het taxatierapport van belanghebbende is gevoegd, en waarin de opties wel zijn gespecificeerd, blijkt een veel hogere waarde. Bovendien gaat die koerslijst wel uit van een vermogen van 265 KW.
4.7.
Alles in overweging nemende, en gelet op de omstandigheid dat de rechtbank geen waardevermindering wegens schade in aanmerking neemt, komt de rechtbank tot de conclusie dat afschrijving aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel het meest gunstig is, zoals de inspecteur terecht heeft gesteld.
Hoogte naheffingsaanslag
4.8.
De rechtbank stelt de verschuldigde Bpm vast op € 10.731. Dit leidt ertoe dat de naheffingsaanslag niet tot een te hoog bedrag is opgelegd.
Immateriële schadevergoeding
4.9.
Belanghebbende heeft op 4 december 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.10.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 1 juni 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 6 januari 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond acht maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.000.
4.11.
Omdat de bezwaarfase afgerond vijf maanden heeft geduurd en daarmee niet te lang komt het volledige bedrag voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.000.
5.1.
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25 [2] , wat neerkomt op € 233,50. De Staat moet die kosten vergoeden.
5.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding weliswaar is gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [3] maar de redelijke termijn op deze datum nog niet was overschreden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.000;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 233,50 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
2.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
3.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rov. 7.1.1 en 7.1.2.