ECLI:NL:RBZWB:2026:6030

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
C/02/448379 / JE RK 26-877
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 265 RvArt. 285 RvArt. 1:12 BWArt. 1:247 lid 2 BWArt. 1:255 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling minderjarige wegens bedreigde ontwikkeling door ouderlijke spanningen

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van een minderjarige die sinds haar geboorte in 2023 bij haar moeder woont. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit, maar de verhuizing van de moeder naar een andere woonplaats heeft geleid tot toenemende spanningen en communicatieproblemen tussen de ouders, waardoor de minderjarige klem komt te zitten.

De kinderrechter constateerde dat de situatie de ontwikkeling van de minderjarige ernstig bedreigt, mede door een motorische achterstand en het stoppen met kinderopvang. De ouders zijn wel bereid maar onvoldoende in staat om de problemen vrijwillig op te lossen. Daarom is het noodzakelijk dat een gecertificeerde instelling regie voert en passende hulpverlening inzet.

De beschikking stelt de minderjarige onder toezicht voor de duur van een jaar, met doelen gericht op een veilige en stabiele opvoedomgeving, terugkeer van de moeder naar de oorspronkelijke regio, beperking van reisbewegingen, onbelast contact met beide ouders, verbeterde communicatie tussen ouders en stimulering van de ontwikkeling van de minderjarige.

De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: De minderjarige wordt voor een jaar onder toezicht gesteld van een gecertificeerde instelling wegens ernstige bedreiging van haar ontwikkeling door spanningen tussen ouders.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/448379 / JE RK 26-877
Datum uitspraak: 5 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NEDERLAND, hierna te noemen: de Raad,
gevestigd te Middelburg,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. H.E.C.M. Nieland te Bergen op Zoom
,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof te Gilze.
De kinderrechter merkt als informant aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Etten-Leur,

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift, ontvangen op 15 mei 2026;
- het rapport van de Raad van 19 mei 2026, ontvangen op 29 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat
- via een digitale verbinding;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
Bij beschikking van 6 maart 2026 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 6 maart 2026 en tot 20 maart 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
2.4.
Bij beschikking van 17 maart 2026 is het restantverzoek ten aanzien van de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] toegewezen met ingang van 20 maart 2026 en tot 6 juni 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het verzoek. Er is een complexe situatie ontstaan door de verhuizing van de moeder met [minderjarige] naar [woonplaats 1] . [minderjarige] zit in toenemende mate klem tussen de ouders en de spanningen tussen de ouders lopen steeds verder op, waardoor [minderjarige] geen onbelast contact kan hebben met beide ouders. De Raad is van mening dat onder regie van de GI aan de doelen zoals geformuleerd in de raadsrapportage moet worden gewerkt.
4.2.
De vader is het eens met het verzoek. Er wordt aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling voldaan. De moeder komt haar afspraken telkens niet na en de vader heeft behoefte aan duidelijkheid. Hij vindt het daarom belangrijk dat er een jeugdbeschermer als regievoerder vanuit het gedwongen kader betrokken blijft.
4.3.
De moeder stemt in met het verzoek.
4.4.
De GI benoemt dat het gelet op de financiering door de gemeente ingewikkeld zal zijn om hulpverlening in te zetten in [woonplaats 1] .

5.De beoordelingRelatieve bevoegdheid

5.1.
Op grond van artikel 265 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in zaken betreffende minderjarigen bevoegd de rechter van de woonplaats, of bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van het werkelijke verblijf van de minderjarige. Artikel 1:12 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de minderjarige de woonplaats volgt van degene die gezag over hem uitoefent. Oefenen beide ouders samen het gezag over hun minderjarige kind uit, maar hebben zij niet dezelfde woonplaats, dan volgt de minderjarige de woonplaats van de ouder bij wie het feitelijk verblijft dan wel laatstelijk heeft verbleven.
5.2.
De kinderrechter stelt vast dat [minderjarige] bij de moeder verblijft, die woonachtig is in [woonplaats 1] . Dit betekent in eerste instantie dat rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, relatief bevoegd is om kennis te nemen van het onderhavige verzoek. Echter, ingeval er reeds een verzoekschrift over eenzelfde of een verknocht onderwerp bij een (andere) rechtbank is ingediend, kan van die regel worden afgeweken (artikel 285 Rv Pro). Verknochtheid of connexiteit doet zich voor indien de beslissing in de ene procedure op die andere procedure onvermijdelijk of rechtstreeks van invloed is. Voorts kan van connexiteit worden gesproken, indien tussen de onderwerpen van de respectieve verzoekschriften een zodanige samenhang bestaat, dat die - om redenen van doelmatigheid - een gezamenlijke behandeling door één en dezelfde rechter rechtvaardigt.
5.3.
De kinderrechter constateert dat er op dit moment een familierechtelijke procedure van partijen in behandeling is bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, waarmee een samenhang bestaat die een behandeling door één en dezelfde rechter rechtvaardigt. De kinderrechter stelt daarom vast dat er sprake is van verknochtheid dan wel connexiteit met de onderhavige procedure en acht zich ter zake bevoegd.
Het wettelijk kader
5.4.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
De inhoudelijke beoordeling
5.5.
Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling. De kinderrechter zal het - onweersproken - verzoek daarom toewijzen en [minderjarige] onder toezicht stellen voor de verzochte duur van een jaar. De kinderrechter zal deze beslissing hierna toelichten.
5.6.
De kinderrechter is van oordeel dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is namelijk gebleken dat [minderjarige] in toenemende mate klem zit tussen de ouders. De grootste zorgen zijn ontstaan nadat de moeder met [minderjarige] naar [woonplaats 1] is verhuisd, waardoor het gezag van de vader en het contact tussen de vader en [minderjarige] onder druk is komen te staan. Bovendien vraagt de reisafstand tussen de ouders veel van [minderjarige] en van de ouders. Ondanks dat beide ouders proberen om [minderjarige] niet te belasten met de huidige situatie, maakt de kinderrechter zich met de Raad zorgen dat onbelast contact met beide ouders steeds moeilijker wordt als de situatie niet verandert. Naast de grote reisafstand tussen de ouders, verloopt de communicatie tussen de ouders namelijk zeer moeizaam en lukt het hen niet om afspraken te maken in het belang van [minderjarige] . De spanningen tussen de ouders lopen hierdoor op en zijn voelbaar voor [minderjarige] . Hierdoor zijn er niet alleen zorgen dat [minderjarige] onrust, spanning en stress ervaart, maar ook dat de spanningen tussen de ouders zoveel emoties oproepen dat dit maakt dat zij emotioneel minder beschikbaar zijn voor [minderjarige] en zich vooral richten op de strijd tussen elkaar. Daarnaast zijn er zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] , nu sprake is van een achterstand in haar motorische ontwikkeling en [minderjarige] niet meer naar de kinderopvang gaat terwijl dit voor haar sociaal-emotionele ontwikkeling wel van belang wordt geacht.
5.7.
Verder is de kinderrechter van oordeel dat de vader en de moeder op dit moment weliswaar bereid maar onvoldoende in staat zijn om deze ontwikkelingsbedreiging onder eigen verantwoordelijkheid weg te nemen en de noodzakelijke hulpverlening te accepteren. Er is sprake van een complexe situatie en gebleken is dat de communicatie tussen de ouders zeer moeizaam verloopt. Er is sprake van onderling wantrouwen en de spanningen tussen de ouders lopen steeds verder op. De kinderrechter heeft er daardoor onvoldoende vertrouwen in dat het in het vrijwillige kader zal lukken om de hierboven genoemde zorgen weg te nemen. Met de Raad vindt de kinderrechter het van belang dat wordt toegezien op de terugkeer van de moeder naar de regio [plaats] , het verloop van de zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader en de onderlinge communicatie tussen de ouders.
5.8.
Op basis van het voorgaande komt de kinderrechter tot de conclusie dat het noodzakelijk is dat hulp en regie in een gedwongen kader wordt ingezet. De kinderrechter stelt [minderjarige] daarom onder toezicht voor de duur van een jaar. Tijdens de ondertoezichtstelling moet worden gewerkt aan de onderstaande doelen:
  • [minderjarige] groeit op in een veilige, vertrouwde en stabiele opvoedomgeving en kan zich wortelen in de omgeving van [plaats] ;
  • De moeder verhuist terug naar [plaats] ;
  • De reisbewegingen tussen de ouders worden zoveel mogelijk beperkt, in ieder geval tot de moeder terugverhuisd is;
  • [minderjarige] heeft onbelast contact met beide ouders;
  • De ouders maken afspraken met elkaar over opvoeding en de belangen van [minderjarige] en de communicatie tussen de ouders verloopt zonder strijd;
  • Er is zicht op de (fysieke en sociaal emotionele) ontwikkeling van [minderjarige] en [minderjarige] wordt voldoende door ouders en professionals zoals kinderdagverblijf (of iets vergelijkbaars) en fysiotherapie gestimuleerd zodat zij op haar tempo leert lopen en ontwikkelen.
5.9.
De kinderrechter verwacht dat de GI stevig regie voert en passende hulpverlening inzet om bovenstaande doelen te behalen. Gelet op de huidige situatie verwacht de kinderrechter dat er op kortst mogelijke termijn een vaste jeugdbeschermer zal worden betrokken. De kinderrechter vindt het belangrijk dat de jeugdbeschermer er in de komende periode op toeziet dat de beschikking van 17 februari 2026 wordt nageleefd en zicht houdt op de inspanningen van de moeder om terug te keren naar de regio [plaats] . Daarnaast vindt de kinderrechter het van belang dat er hulp wordt ingezet om de communicatie en samenwerking tussen de ouders te verbeteren zodat zij afspraken kunnen maken over en in het belang van [minderjarige] . Voorts dient er zicht te komen op de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige] en op de door beide ouders geuite zorgen over de opvoedsituatie bij de andere ouder.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.10.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 5 juni 2026 en tot 5 juni 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 11 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.