ECLI:NL:RBZWB:2026:6034

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
C/02/445242 / FA RK 26/901
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Toekoen
  • Bogaert
  • Van den Heuvel-Beerens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 BWArt. 1:247 BWArt. 8 EVRMArt. 1:276 BWArt. 1:275 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogd over minderjarige wegens bedreigde ontwikkeling

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 5 juni 2026 uitspraak gedaan in een zaak over de beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder en vader over hun minderjarige kind, geboren in 2012. De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om het gezag te beëindigen en de gecertificeerde instelling (GI) te benoemen als voogd, omdat de ouders onvoldoende in staat zijn de verzorging en opvoeding te dragen en de minderjarige ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd.

De minderjarige verblijft sinds haar geboorte voornamelijk bij haar grootouders en sinds juni 2023 in een gezinshuis. De ouders hebben nauwelijks contact met haar en er is sprake van een moeizame, conflictueuze familieverhouding die de minderjarige emotioneel belast. De moeder en vader tonen onvoldoende bereidheid om het contact te herstellen en de moeder heeft beperkte mogelijkheden om fysiek contact te onderhouden. De GI en het gezinshuis benadrukken dat de minderjarige zich goed voelt in het gezinshuis, maar dat de voortdurende kritiek van ouders en grootvader schadelijk is.

De rechtbank oordeelt dat het voortzetten van het gezag schadelijk is voor de minderjarige en dat de ouders niet binnen een aanvaardbare termijn in staat zijn de verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding te dragen. De rechtbank wijst het verzoek van de Raad toe, beëindigt het gezag van de ouders, benoemt de GI als voogd en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Tevens wordt de ouders opgedragen rekening en verantwoording af te leggen over het vermogen van de minderjarige. De minderjarige heeft zelf aangegeven de beslissing te ondersteunen en wenst duidelijkheid over de rol van haar ouders.

Uitkomst: Het ouderlijk gezag van de ouders wordt beëindigd en de gecertificeerde instelling benoemd als voogd over de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445242 / FA RK 26/901
Datum uitspraak: 5 juni 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over gezagsbeëindiging
in de zaak van
Raad voor de Kinderbescherming,
Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag 1] 2012 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. S.E.C. Segeren-Krijnen,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. A.G. Ouwejan.
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
locatie Etten-Leur, hierna te noemen: de GI,
[gezinshuis],
hierna te noemen: de gezinshuisouders,
gevestigd in [woonplaats 3] .
Als informant is aangemerkt:
[de grootvader],
hierna te noemen: de grootvader,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 18 februari 2026;
  • de door de Raad overgelegde bereidverklaring van de GI van 19 februari 2026;
  • de door de Raad op 20 februari 2026 overgelegde reactie van de grootvader op het raadsrapport;
  • de op 26 februari 2026 door de Raad overgelegde geboorteakte van [minderjarige] ;
  • het op 19 mei 2026 ontvangen verweerschrift namens de moeder;
  • de e-mail van de gezinshuisouders van 19 mei 2026.
De rechtbank neemt geen kennis van de op 15 mei 2025 ontvangen brief van de grootvader, van vaderszijde, omdat hij als informant geen stukken in mag dienen.
1.2.
De zitting heeft voor de meervoudige kamer van de rechtbank met gesloten deuren plaatsgevonden op 21 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Poolse taal,
  • de advocaat van de vader,
- een vertegenwoordiger van de Raad;
  • een vertegenwoordiger van de GI,
  • de grootvader.
De vader is niet op de zitting verschenen. De gezinshuisouders zijn, zoals zij al in hun
e-mail van 19 mei 2026 hadden aangegeven, niet verschenen.
1.3.
De zaak met het kenmerk C/02/447411 / JE RK 26-693 over het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is gelijktijdig op de zitting behandeld. In die zaak zal een beslissing volgen in een afzonderlijke beschikking van heden.
1.4.
[minderjarige] is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft op
20 mei 2026 via videobellen met de voorzitter van de meervoudige kamer gesproken.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] staat onder toezicht van de GI sinds 8 juni 2021. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 26 november 2025 laatstelijk de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening verlengd met ingang van 8 december 2025 tot 8 juni 2026.
2.3.
[minderjarige] en de vader hebben de Nederlandse nationaliteit. De moeder heeft de Poolse nationaliteit.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt om het gezag van de moeder en de vader over [minderjarige] te beëindigen en om de GI te benoemen als voogdes over haar. De Raad verzoekt daarnaast om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad heeft ter onderbouwing van het verzoek het volgende aangegeven. [minderjarige] verblijft feitelijk al twaalf jaar niet meer bij de vader en de moeder. [minderjarige] heeft namelijk vanaf haar geboorte (voornamelijk) bij de grootouders vaderszijde verbleven. Sinds juni 2023 verblijft zij in het gezinshuis. Beide ouders hebben aldus slechts een korte periode voor [minderjarige] gezorgd. Zij zijn onvoldoende in staat om zelf de verzorging en opvoeding over haar te dragen, omdat zij onvoldoende tegemoet kunnen komen aan wat [minderjarige] nodig heeft. De conflictueuze, complexe familieverhouding speelt daarbij een grote rol. Er is sprake van een zeer moeizame familierelatie tussen enerzijds de moeder en anderzijds de vader en de grootvader. Er blijkt onderling geen enkele basis van vertrouwen te zijn en zij blijven elkaar beschuldigen van ingrijpende voorvallen en gedragingen. Dit veroorzaakt een groot beroep op de loyaliteit van [minderjarige] . Er zijn al meerdere vormen van hulpverlening ingezet, maar die heeft nauwelijks resultaat gehad. De [zorgaanbieder] heeft begin 2024 een perspectiefonderzoek uitgevoerd. De conclusie uit het rapport van [zorgaanbieder] is dat er niet meer toegewerkt kan worden naar de thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder, omdat er een te grote kans is dat [minderjarige] dan in dezelfde situatie terechtkomt als de situatie die aanleiding heeft gegeven tot de uithuisplaatsing in het gezinshuis. Eenzelfde conclusie is getrokken ten aanzien van een terugplaatsing bij de grootvader. Uit het onderzoek is gebleken dat een neutrale plek de enige manier is voor [minderjarige] om een onbelast contact met haar beide ouders en grootvader te kunnen hebben, dat het gezinshuis voor [minderjarige] daarom een passende woonplek voor haar is om verder op te groeien en dat van daaruit geïnvesteerd kan worden in één-op-één contact met de moeder, de vader en met de grootvader. In de zomer van 2024 is het gezinshuis verhuisd van [plaats] , naar een dorp in de [provincie] . De ouders laten geen flexibiliteit en bereidheid zien om te investeren in het contact met [minderjarige] . Er is al anderhalf jaar nauwelijks contact tussen [minderjarige] en beide ouders. De ouders zijn daardoor onvoldoende op de hoogte van haar ontwikkelingen en van wat [minderjarige] nodig heeft voor beslissingen over haar. Het is voor [minderjarige] belangrijk dat zij niet langer wordt belast met een situatie waarin haar ouders beslissingen voor haar moeten maken, terwijl zij nauwelijks tot geen contact met hen heeft. De moeder heeft eerder bij de GI aangegeven alleen stukken te willen ondertekenen die zij begrijpt en waar zij het mee eens is. Dit zorgt regelmatig voor vertraging of voor het ontbreken van een handtekening. De vader laat een terugkerend patroon zien dat hij uit contact gaat en dat hij ook niet beschikbaar is voor [minderjarige] . Zijn leven is niet altijd stabiel. Daarnaast ondervindt [minderjarige] veel hinder ervan dat met name de grootvader en de vader beschuldigingen uiten richting het gezinshuis, terwijl zij het daar goed naar haar zin heeft. [minderjarige] heeft nodig dat zij merkt dat haar ouders en grootvader van haar houden en dat deze liefde groter is dan de strijd tegen elkaar en van die tegen het gezinshuis. Haar belang wordt door de ouders en de grootvader niet vooropgesteld. [minderjarige] heeft de behoefte om duidelijkheid te krijgen over de rol van haar ouders in haar leven. De voortzetting van de ondertoezichtstelling is niet langer de meest passende juridische maatregel en is voorts onvoldoende toereikend gebleken. De voortzetting van de plaatsing in het vrijwillig kader is niet mogelijk, omdat de ouders niet hun instemming verlenen aan de plaatsing en omdat er geen sprake is van een goede samenwerking tussen de ouders en het gezinshuis.
4.2.
De GI heeft naar voren gebracht dat op allerlei manieren is geprobeerd om het contact tussen [minderjarige] en de moeder, de vader en de grootvader te onderhouden, maar dat dit nog steeds niet goed verloopt. [minderjarige] geeft consequent aan dat zij zich fijn voelt in het gezinshuis, maar de grootvader en de vader blijven aanhoudend kritiek leveren op met name de geloofsbeoefening binnen het gezinshuis. Vanuit de grootvader en de moeder wordt het geloof, het bidden en de kleding verbonden aan de gesloten gemeenschap van de mormonen. Daar is echter geen sprake van. Het gezinshuis is een praktiserend Christelijk gezin vanuit gemeenschapsgevoel. Er is geen sprake van een gesloten cultuur. De kinderen in het gezinshuis hebben aangegeven dat ze het fijn vinden om zich te verbinden aan de identiteit van het gezin. Zij ontlenen veiligheid aan de structuur en aan het geloof. De onveiligheid die [minderjarige] ervaart, komt juist voort uit het niet ervaren van steun van haar ouders en grootvader voor het mogen verblijven in het gezinshuis. Op internet heeft [minderjarige] negatieve uitlatingen onder de namen van de grootvader en de vader over het gezinshuis gevonden. De vader heeft recent via zijn advocaat aangegeven weer contact te willen hebben met [minderjarige] . De GI zal dit moeten organiseren, omdat het gezinshuis dit niet meer zelf kan doen wegens de aanhoudende kritiek naar hen toe. Het videocontact tussen [minderjarige] en de moeder is een periode goed gegaan, maar recent heeft de moeder zich ook kritisch uitgelaten over het gezinshuis en over de haardracht en de kleding van [minderjarige] binnen dit gezinshuis. [minderjarige] voelt zich daardoor niet gehoord en zij trekt zich dan terug uit het contact. Voor [minderjarige] is dan de vraag wie zij kan vertrouwen. De afgelopen periode heeft daarnaast een rol gespeeld dat eind januari 2025 er een dubbele zorgmelding binnen is gekomen over de opvoedsituatie in het gezinshuis ten aanzien van een ander kind in het gezinshuis. Dit heeft direct geleid tot de inzet van ambulante spoedhulp. Het tussenrapport ontkracht deze melding; de zorgen worden niet herkend en er is een positief beeld over de opvoedsituatie in het gezinshuis. [minderjarige] heeft hier echter wel last van gehad, omdat het voor onrust heeft gezorgd binnen het gezinshuis en omdat zij zich afvroeg of zij wel in het gezinshuis kon blijven, zij heeft aangegeven dat in ieder geval wel te willen. De GI is bereid de voogdij over [minderjarige] op zich te nemen. De huidige jeugdbeschermer zal de voogdij uitvoeren.
4.3.
De advocaat van de vader heeft namens hem aangegeven dat hij zich refereert aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het verzoek. Voor hem is het contact met [minderjarige] het allerbelangrijkste. De advocaat heeft namens de vader contact gelegd met de GI om te bespreken wat hij kan doen naar [minderjarige] toe om het contact goed te herstellen. Het verzoek tot beëindiging van zijn gezag voelt als een nog verdere verwijdering tot [minderjarige] , terwijl hij juist de verbinding wil zoeken Hij wil niet met het verzoek instemmen, omdat het dan lijkt of hij zijn kind opgeeft. Maar hij realiseert zich dat het voor hem moeilijk is om beslissingen over [minderjarige] te nemen, omdat hij op afstand van haar is. Het is voor de vader emotioneel zwaar, daarom is hij ook niet aanwezig op de zitting.
4.4.
Door en namens de moeder is verzocht om het verzoek van de Raad af te wijzen, omdat niet voldaan is aan de wettelijke gronden om haar gezag te beëindigen. Er is geen sprake van een bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] . De moeder heeft haar leven op orde en zij wil de verzorging en opvoeding van [minderjarige] weer zelf dragen. Het is niet gebleken dat het gezag van de moeder heeft geleid tot onoverkomelijke problemen. De moeder heeft haar toestemming verleend voor het paspoort van [minderjarige] , voor een buitenlandse reis en voor een vaccinatie. Vaak wordt echter niet om de toestemming van de moeder gevraagd, bijvoorbeeld voor de inschrijving op de nieuwe school. Niet is gebleken dat [minderjarige] er last van heeft dat de moeder het gezag draagt. Als het gezag van de moeder wordt beëindigd, vreest de moeder dat zij helemaal geen inbreng meer heeft in het leven van [minderjarige] en dat zij dan volledig afhankelijk wordt van de informatie vanuit de GI. Zij krijgt echter nu al te weinig informatie van de GI. Vóór de verhuizing van het gezinshuis had de moeder fysiek contact met [minderjarige] . Doordat het gezinshuis naar de [provincie] is verhuisd, is er een grotere reisafstand ontstaan. Daar kan de moeder niets aan doen. Het is lastig voor de moeder om een grotere rol in het leven van [minderjarige] op zich te nemen. Het is voor haar niet mogelijk om naar het gezinshuis te reizen. Zij heeft geen rijbewijs en zij is met het openbaar vervoer een hele dag kwijt aan reizen om [minderjarige] kort te kunnen bezoeken. Zij heeft wel telefonisch contact met [minderjarige] . De moeder heeft al eerder bij de GI nagevraagd met welk geloof [minderjarige] wordt opgevoed en waarom zij lange rokken draagt, die niet passen bij een tienermeisje. Naar de mening van de moeder wordt [minderjarige] meegetrokken in de religie van de gezinshuisouders, want de ouders en de grootouders hebben haar nooit religieus opgevoed.
4.5.
De grootvader heeft aangegeven dat zijn contact met [minderjarige] wordt tegengehouden door de GI. Hij heeft in april 2026 een e-mail van de GI gekregen dat [minderjarige] voorlopig geen contact met hem wil. Hij heeft nooit tegen [minderjarige] iets gezegd over haar haardracht of kleding, maar wel tegen de jeugdbeschermer van de GI. [minderjarige] heeft dat van de GI gehoord. De grootvader maakt zich er zorgen over dat [minderjarige] in dit gezinshuis verblijft. Hij heeft daarom contact met [jeugdzorg] en [hulpverlening] . Hij krijgt geen antwoorden van de GI en de GI vertelt leugens.
4.6.
De gezinshuisouders hebben in hun e-mail van 19 mei 2026, kort samengevat, het volgende aangegeven. [minderjarige] voelt dat haar ouders en haar grootvader niet kunnen accepteren dat zij gelukkig is in het gezinshuis. De emotionele toestemming vanuit de ouders en de grootvader, die [minderjarige] nodig heeft voor haar ontwikkeling, ontbreekt. Haar ontwikkeling is verstoord, omdat zij hieronder gebukt gaat. [minderjarige] is op een leeftijd dat zij inmiddels zelf dingen ziet en ervaart. Zij ervaart dat er door haar familie niet naar haar wordt geluisterd. Zij krijgt daardoor steeds meer het gevoel afstand te willen nemen van haar familie. De gezinshuisouders begrijpen dat de ouders en de grootvader hen niet leuk vinden, maar zij doen hun werk om [minderjarige] zo goed als mogelijk te begeleiden. De impact van de acties van de grootvader en de vader op het gezinshuis is groot. De gezinshuisouders hebben geen idee meer hoe de samenwerking met de ouders en de grootvader kan worden verbeterd. Zij zien zich genoodzaakt om [minderjarige] en zichzelf te beschermen tegen het gedrag van de grootvader en de vader. De gezinshuisouders vinden het van belang dat de nadruk komt te liggen op wat goed is voor [minderjarige] . Zij zullen niet aanwezig zijn op de zitting, omdat hun aanwezigheid een reactie oproept vanuit de ouders en de grootvader. Zij hopen op een stukje rust voor [minderjarige] .
4.7.
[minderjarige] heeft, kort samengevat, tijdens het videobellen verteld dat het goed met haar gaat in het gezinshuis en dat zij daar graag wil blijven wonen. Haar vader en moeder zijn nog niet bij haar op bezoek geweest sinds het gezinshuis is verhuisd, maar zij heeft nu wel belcontact met hen. Haar grootvader is al wel twee keer op bezoek gekomen. [minderjarige] vindt het goed als het gezag van haar ouders wordt beëindigd en dat de huidige jeugdbeschermer, met wie zij een goed contact heeft, haar voogd wordt. Zij begrijpt dat haar ouders haar ouders blijven bij een gezagsbeëindiging. Zij wil contact met haar ouders, maar als zij met elkaar bellen, moet het wel over leuke dingen gaan. Zij wil dat de procedures stoppen en dat zij niet elke keer met een rechter hoeft te praten. Zij wil de beslissing van de rechter graag per brief horen.

5.De beoordeling

Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
5.1.
Vanwege het feit dat de moeder de Poolse nationaliteit heeft, draagt deze zaak een internationaal karakter. De rechtbank dient daarom ambtshalve vast te stellen of zij internationaal bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek en welke recht hierop van toepassing is.
5.2.
De Nederlandse rechter is bevoegd van het verzoek kennis te nemen, omdat [minderjarige] ten tijde van de indiening van het verzoek haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Omdat de Nederlandse rechter bevoegd is, is op het verzoek het Nederlandse recht van toepassing.
Wettelijk kader
5.3.
Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen, indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding (bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW) te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn.
5.4.
De rechtbank betrekt hierbij dat de gezagsbeëindiging een verstrekkende en ingrijpende maatregel is, waardoor inmenging plaatsvindt in het gezinsleven van een ouder en zijn of haar kind. Op deze inmenging is artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) van toepassing. Uit richtinggevende jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat van een beëindiging van het ouderlijk gezag slechts sprake kan zijn als is gebleken dat voortzetting van de familieband, in dit geval in de vorm van een gezagsverhouding, schadelijk is voor het kind. De rechtbank dient dan ook te beoordelen of het laten voortduren van het gezag van de vader en de moeder schadelijk is voor de minderjarige.
De beoordeling door de rechtbank
5.5.
Uit de overgelegde stukken en uit hetgeen tijdens de zitting is aangegeven, is de rechtbank gebleken dat [minderjarige] nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] ontwikkelt zich weliswaar goed in het gezinshuis, maar zij wordt nog steeds klemgezet door haar ouders en haar grootvader, hetgeen ten koste gaat van haar sociaal-emotionele en identiteitsontwikkeling. Waar zij vóór de uithuisplaatsing in een klempositie kwam tussen de moeder, de vader en de grootvader vanwege de complexe familieverhoudingen, wordt zij nu door de ouders en de grootvader klemgezet in haar positie in het gezinshuis. De ouders (en de grootvader) stellen continue haar verblijfsplek, maar ook haar haardracht, kledingstijl en wijze van leven, ter discussie. [minderjarige] bevindt zich daardoor nog steeds in een conflictsituatie door het gedrag van de ouders (en de grootvader). De ouders (en de grootvader) handelen daarmee niet in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] voelt zich niet gehoord. Zij geeft telkens aan het fijn te hebben in het gezinshuis. Zij ervaart niet de emotionele toestemming van haar ouders (en de grootvader) om er te mogen wonen en om zich zo te mogen kleden waar zij zich goed bij voelt en wat haar een gevoel van veiligheid en stabiliteit biedt. Het gevolg daarvan is dat zij zich, ter bescherming van zichzelf, terugtrekt uit het contact met haar ouders (en grootvader). Daarnaast hebben de ouders al anderhalf jaar ook niet de verantwoordelijkheid genomen om frequent contact via (video)bellen en fysiek contact te kunnen hebben met [minderjarige] . Ook daardoor wordt [minderjarige] in haar ontwikkeling bedreigd.
5.6.
De moeder heeft aangegeven dat zij in staat is om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] weer op zich te nemen, omdat zij een eigen woning, een baan en stabiliteit in haar leven heeft. [minderjarige] heeft in haar leven amper bij haar moeder gewoond. Zij is inmiddels een tiener. De aanvaardbare termijn is voor [minderjarige] verstreken. [minderjarige] woont al bijna drie jaar in het gezinshuis. Sinds de verhuizing van het gezinshuis, bijna twee jaar geleden heeft [minderjarige] de moeder niet meer in het echt gezien. De verhuizing naar de [provincie] heeft voor meer fysieke afstand tussen [minderjarige] en de ouders gezorgd. Van de moeder (en de vader) mag echter worden verwacht dat zij toch enkele keren per jaar tijd investeert/eren om [minderjarige] in persoon te zien. Ook al kost het een hele dag om op en neer te reizen, zou het dat waard moeten zijn om te voorzien in de behoefte van [minderjarige] om dat fysieke contact met (één van) haar ouders te kunnen hebben. Het gebrek aan consistent en frequent (fysiek) contact staat een thuisplaatsing bij de moeder in de weg. Daarnaast is niet gebleken dat de familieverhoudingen sinds het perspectiefonderzoek door [zorgaanbieder] ten positieve zijn veranderd. De rechtbank ziet nog steeds een aanzienlijk risico dat [minderjarige] bij een thuisplaatsing weer in het conflict in de familieverhoudingen terechtkomt, waar de moeder dan ook onderdeel van uitmaakt. Daarmee stelt de rechtbank vast dat de ouders niet in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen binnen een voor [minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn.
5.7.
Het laten voortduren van het gezag van de moeder en de vader is tenslotte schadelijk voor [minderjarige] . De ouders hebben al bijna twee jaar nauwelijks contact met [minderjarige] . Zij hebben onvoldoende zicht op de ontwikkeling van [minderjarige] en op wat zij nodig heeft om op een voldoende afgewogen wijze beslissingen over haar te nemen. Daarbij speelt ook een rol dat de ouders zich niet kunnen vinden in de religieuze wijze waarop de gezinshuisouders de opvoeding inrichten en zij dat (constant) ter discussie stellen. Het is in het belang van de ontwikkeling van [minderjarige] dat zij niet langer wordt belast met situaties waarin haar ouders zaken voor haar moeten regelen of beslissingen over haar moeten nemen, terwijl zij nauwelijks contact heeft met haar ouders en deze ouders haar woonplek en (een deel van) haar levenswijze ter discussie stellen. Dit is schadelijk voor haar ontwikkeling. [minderjarige] heeft uitdrukkelijk de wens om duidelijkheid te krijgen over de rol van haar ouders in haar leven. Voor [minderjarige] is het van belang dat gezagsbeslissingen geregeld kunnen worden door iemand die voor haar betrouwbaar is en die er onafhankelijk naar kan kijken. [minderjarige] heeft zelf aangegeven vertrouwen te hebben in de huidige jeugdbeschermer van de GI.
5.8.
Aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, aanhef en onder a, BW en de vereisten van artikel 8 EVRM Pro is naar het oordeel van de rechtbank dan ook voldaan. De rechtbank zal het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de moeder en de vader toewijzen.
5.9.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:276, eerste lid, BW, wordt de ouders van wie het gezag is beëindigd, veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording
aan de opvolger in dit bewind, ervan uitgaande dat zij het bewind voerden over het vermogen van de minderjarige. Dat betekent dat de moeder en de vader verantwoording moet afleggen aan de GI over het eventuele vermogen van [minderjarige] .
5.10.
De rechtbank wil daarbij benadrukken dat de ouders altijd de ouders van [minderjarige] zullen blijven. Het is voor [minderjarige] belangrijk dat zij onbelast contact met haar ouders kan hebben. Het is aan de ouders om hiervoor te zorgen, niet alleen door daar tijd voor vrij te maken, maar ook door [minderjarige] te laten ervaren dat zij het fijn mag hebben in het gezinshuis, ook al kunnen de ouders zich niet vinden in de levensstijl van de gezinshuisouders. [minderjarige] heeft de (emotionele) steun van haar ouders nodig voor haar ontwikkeling.
5.11.
Omdat de beëindiging van het gezag van de ouders ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, BW een voogd over haar te benoemen. De rechtbank zal de GI, mede gezien haar bereidverklaring, belasten met de voogdij over [minderjarige] .
5.12.
De rechtbank zal de beslissing daarnaast uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat deze beslissing, ondanks een eventueel hoger beroep, meteen uitgevoerd kan worden.
5.13.
In verband met het bepaalde in artikel 2, aanhef en sub a, van het Besluit Gezagsregisters zal de rechtbank de griffier verzoeken een afschrift van deze beschikking te sturen aan het gezagsregister om daarin aantekening te doen van de gewijzigde gezagssituatie.
5.14.
[minderjarige] heeft aangegeven de beslissing van de rechtbank per brief te vernemen. Aan [minderjarige] zal daarom een brief met de volgende inhoud aan haar worden gestuurd:
Beste [minderjarige] ,
Op 20 mei jl. hebben wij via videobellen met elkaar gesproken. Wij hebben toen met elkaar gepraat over dat jij in [gezinshuis] woont en hoe het contact met jouw ouders (en jouw opa) is. Ik heb toen aan je uitgelegd dat de Raad voor de Kinderbescherming een verzoek had gedaan om het gezag van jouw ouders te beëindigen.
De dag na het gesprek met jou heeft er een zitting plaatsvonden waar ik, met nog twee andere rechters, over dit verzoek heb gesproken met jouw ouders, hun advocaten, jouw opa, de Raad voor de Kinderbescherming en met de heer [persoon] van Stichting Jeugdbescherming Brabant.
Met deze brief wil je ik laten weten dat de rechtbank het verzoek heeft toegewezen. Dat betekent dat is besloten dat jouw ouders niet meer het gezag over jou dragen en dus niet meer de beslissingen over jou mogen nemen. Mijn collega’s en ik vinden dat namelijk beter voor jou.
De rechtbank heeft de voogdij (dat is een ander woord voor gezag) gegeven aan Stichting Jeugdbescherming Brabant. De heer [persoon] heeft op de zitting verteld dat hij namens deze stichting jouw voogd zal zijn. Hij zal dus voortaan de beslissingen over jou nemen. Tijdens jouw gesprek met mij heb jij mij verteld dat jij dit ook een goed idee vindt.
Doordat Stichting Jeugdbescherming jouw voogd zal zijn, is een ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing niet meer nodig. Er was door Stichting Jeugdbescherming nog gevraagd om verlenging hiervan, maar dat hebben ik en mijn collega’s dus daarom afgewezen.
Jouw ouders zullen altijd jouw ouders blijven. Ik hoop dat jouw contact met jouw ouders binnenkort beter gaat en dat jij gewoon fijn contact met hen en ook met jouw opa kan hebben. Ik heb in mijn beslissing aan jouw ouders ook geschreven dat dit belangrijk voor jou is.
Met vriendelijke groet,
De rechter
mr. Toekoen

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van [de moeder] , geboren op [geboortedag 2] 1979 te [geboorteplaats 2] te Polen, en [de vader] , geboren op [geboortedag 3] 1978 te [geboorteplaats 3] , over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag 1] 2012 te [geboorteplaats 1] ;
6.2.
benoemt de GI als voogdes over [minderjarige] ;
6.3.
veroordeelt de vader en de moeder om aan de voogdes rekening en verantwoording af te leggen van het gevoerde bewind over het vermogen van [minderjarige] ;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
verzoekt de griffier om van deze beslissing een aantekening te maken in het gezagsregister.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026 door mr. Toekoen, mr. Bogaert en mr. Van den Heuvel-Beerens, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. Verger-Maas, als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.