ECLI:NL:RBZWB:2026:6042

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
C/02/411204 / FA RK 23-3038 & C/02/445289/ FA RK 26-938
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • mr. Hendriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:253a lid 1 BWArt. 1:253a lid 2 BWArt. 1:377e BWArt. 1:401 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouding beslissing partneralimentatie en wijziging zorgregeling na raadsonderzoek

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde twee samenhangende zaken betreffende partneralimentatie, kinderalimentatie en zorgregeling na echtscheiding van partijen met drie minderjarige kinderen. De rechtbank bevestigde de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder en de bestaande zorg- en alimentatieregelingen, maar stond open voor wijzigingen op basis van gewijzigde omstandigheden.

De moeder verzocht om wijziging van de zorgregeling voor twee van de kinderen en een definitieve vaststelling van partner- en kinderalimentatie. Zij stelde dat de situatie bij de vader onveilig en onstabiel was, met name door zijn drankgebruik en agressie, en dat de kinderen daardoor schade leden. De vader ontkende deze beschuldigingen en benadrukte het belang van samenwerking en communicatie, die volgens hem tekortschoten door de negatieve houding van de moeder.

De rechtbank besloot de zorgregeling voor het jongste kind te wijzigen conform het verzoek van de moeder, omdat het kind hiermee instemde. Voor de andere twee kinderen werd de beslissing aangehouden in afwachting van een gecombineerd beschermings- en gezag- en omgangsonderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming. Ook de verzoeken tot wijziging van partner- en kinderalimentatie werden aangehouden, waarbij de vader werd verplicht relevante financiële stukken te overleggen.

De rechtbank benadrukte het belang van samenwerking tussen ouders en gaf aan dat de Raad in haar rapportage ook moet adviseren over mogelijke ondertoezichtstellingen. De zittingen voor verdere behandeling zijn gepland in augustus 2026, waarbij partijen worden opgeroepen om tijdig alle relevante stukken in te dienen.

Uitkomst: Zorgregeling voor jongste kind gewijzigd, overige verzoeken aangehouden voor nader onderzoek en financiële beoordeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/411204 / FA RK 23-3038 (echtscheiding)
C/02/445289/ FA RK 26-938 (wijziging zorgregeling, wijziging kinderbijdrage en raadsonderzoek)
beschikking d.d. 5 juni 2026
in de zaken van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat: aanvankelijk mr. S. Kuit, daarna mr. drs. E.R. Knoester en nu mr. P.H. Kramer te Spijkenisse,
en
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat: voorheen mr. M. Czarnota, mu geen.
Ouders van de navolgende minderjarigen kinderen:
-
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2008 te [geboorteplaats] ,
-
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2011 te [geboorteplaats] , en
-
[minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2017 te [geboorteplaats] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de
Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, (hierna: de Raad), de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.

1.Het (verdere) procesverloop

1.1
Dit blijkt uit de volgende stukken:
In de zaak met zaaknummer
C/02/411204 / FA RK 23-3038:
- de tussenbeschikking van 16 juli 2024 en de daarin genoemde stukken;
- het e-mailbericht van Kind in scheiding Zeeland (KisZ) van 20 mei 2025 met als bijlage een rapportage;
- het e-mailbericht van de Raad van 20 mei 2025;
- de brief van de Raad van 28 mei 2025;
- de brief van mr. Kramer van 18 februari 2026 met bijlagen;
- de brief van mr. Kramer van 1 april 2026 met bijlagen;
- de brief van mr. Czarnota van 2 april 2026 met bijlagen;
- de brief van mr. Kramer van 7 april 2026 met bijlagen.
In de zaak met zaaknummer
C/02/445289/ FA RK 26-938:
- het op 18 februari 2026 ingediende verzoekschrift van de vrouw, met bijlagen;
- de brief van mr. Kramer van 1 april 2026 met bijlagen;
- de brief van mr. Czarnota van 2 april 2026 met bijlage;
- de brief van mr. Kramer van 7 april 2026 met bijlagen;
- het op 8 april 2026 ontvangen verweerschrift van de man met zelfstandig verzoek;
- het op 10 april 2026 ontvangen verweerschrift op zelfstandig verzoek van de vrouw.
1.2
De beide zaken zijn vanwege de samenhang behandeld op de zitting van 13 april 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Bij de behandeling van de zaak was verder een vertegenwoordiger van de Raad aanwezig.
1.3.
De minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Ze hebben op 13 april 2026 met de (kinder)rechter gesproken. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.4.
Na de zitting is het volgende stuk ontvangen:
- het F-formulier van mr. Czarnota van 3 juni 2026 waarin ze zich onttrekt in beide zaken.
1.5.
Vanwege de samenhang van beide zaken beslist de rechtbank in een beschikking.

2.De (verdere) beoordeling

2.1.
In de zaak met kenmerk
C/02/411204/FA RK 23-3038heeft de rechtbank bij tussenbeschikking van 16 juli 2024, voor zover thans relevant:
- de echtscheiding in het huwelijk van partijen uitgesproken;
- de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw bepaald;
- bepaald dat de zorg voor de minderjarigen tussen partijen zal worden verdeeld zoals vastgelegd in het aan die beschikking gehechte ouderschapsplan;
- de man veroordeeld om met een bedrag van € 124,25 per kind per maand bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen, te betalen aan de vrouw. Door indexering is dit bedrag nu € 138,42 per maand;
- bepaald dat de overige onderlinge regelingen uit het ouderschapsplan deel uitmaken van de beschikking;
- partijen en de minderjarigen voor een (jeugd)hulptraject verwezen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West (UHA);
- de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud voorlopig vastgesteld op € 172,- per maand.
Door indexering is dit bedrag nu € 191,61 per maand;
- iedere verdere beslissing op het verzoek van de vrouw om een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud aangehouden.
De beschikking is op [datum] 2024 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.2.
In voornoemde zaak ligt thans nog slechts ter beoordeling voor een verzoek tot het vaststellen van een definitieve door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw. De vrouw heeft bij brief van 18 februari 2026 haar verzoek ten aanzien van de partneralimentatie gewijzigd. Ze verzoekt nu te bepalen dat de man dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, primair met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, en subsidiair met ingang van een in goede justitie door de rechtbank te bepalen datum, met een bij vooruitbetaling voor de eerste van de maand aan de vrouw te betalen bedrag, primair van € 195,00 bruto per maand, en subsidiair met een in goede justitie door de rechtbank te bepalen bedrag;
2.3.
Uit de op 20 mei 2025 van KisZ ontvangen rapportage blijkt dat het UHA-traject niet is geslaagd. De Raad heeft in eerste instantie, bij brief van 28 mei 2025, laten weten geen gezag- en omgangonderzoek (G&O-onderzoek) te doen, omdat daarvoor geen voorwaardelijk vraag was gesteld in voormelde beschikking van 16 juli 2024. Hierdoor ontbrak de grondslag voor zo’n onderzoek. Daarnaast was de Raad van mening dat, op basis van de verkregen informatie, het starten van een kinderbeschermingsonderzoek niet aan de orde was. Op basis van de stukken vond de Raad de zorgen over de kinderen onvoldoende ernstig in combinatie met dat Veilig Thuis en de gemeente betrokken zijn én hulpverlening voor [minderjarige 1] zou gaan plaatsvinden. Het vrijwillige kader was naar de mening van de Raad nog niet voldoende uitgeput. Uit de stukken en wat er is besproken op zitting blijkt dat de Raad inmiddels wel voldoende aanleiding ziet voor een beschermingsonderzoek omdat vermoed wordt dat de zorgen rondom de kinderen onvoldoende weggenomen kunnen worden in het vrijwillig kader. Dit onderzoek zal binnen een maand na de zitting starten.
2.4.
In de zaak met kenmerk
C/02/445289/ FA RK 26-938verzoekt de vrouw, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
A. de beschikking van 16 juli 2024 en het daarvan onderdeel uitmakende ouderschapsplan van 19 september 2023 te wijzigen, in die zin dat:
I. ten aanzien van de contact- en zorgregeling, primair met ingang van 5 maart 2026, en subsidiair met ingang van een in goede justitie door de rechtbank te bepalen datum, de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en de man, primair, qua basiszorgregeling over en weer gerechtigd zijn tot omgang met elkaar een weekend per 14 dagen in de even weken van vrijdag na school tot en met zondag 19.00 uur en subsidiair, op een wijze zoals de rechtbank dat in goede justitie geraden acht;
II. ten aanzien van de contact- en zorgregeling, primair met ingang van 5 maart 2026, en subsidiair met ingang van een in goede justitie door de rechtbank te bepalen datum, dat de minderjarige [minderjarige 1] , primair naar haar behoefte contact- en omgang heeft met de man, en subsidiair op een wijze zoals de rechtbank dat in goede justitie geraden acht;
III. de man, primair met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, subsidiair met ingang van een in goede justitie door de rechtbank te bepalen datum, dient bij te dragen in de kosten van opvoeding en verzorging van de minderjarigen met een bij vooruitbetaling voor de eerste van de maan aan de vrouw te betalen bedrag, primair van € 875,- (€ 291,67 per kind per maand), en subsidiair met een in goede justitie door de rechtbank te bepalen bedrag per maand c.q. per kind per maand;
B. een onderzoek door de Raad te gelasten c.q. de Raad opdracht te geven onderzoek te doen terzake de onderhavige onderwerpen van gezag en omgang.
Voorts heeft de vrouw verzocht de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn zelfstandige verzoeken dan wel deze zelfstandige verzoeken van de man af te wijzen.
2.5.
De man voert verweer tegen de verzoeken van de vrouw en verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad
- De verzoeken van de vrouw geformuleerd onder A sub I en sub III af te [
naar de rechtbank begrijpt] wijzen wegens ongegrond;
- Het verzoek van de vrouw geformuleerd onder A sub II, tot referte;
- Het verzoek van de vrouw geformuleerd onder B, tot referte.
Bij zelfstandig verzoek:
I. De zorgregeling te wijzigen zodanig dat in het weekend dat de kinderen bij de man zin de kinderen wisselen op maandag voor school onder handhaving van de rest van de zorgregeling zoals vastgelegd in het ouderschapsplan d.d. 19 september 2023.
2.6.
Om proceseconomische reden zal de rechtbank hierna eerst ingaan op de zorgregeling en kinderalimentatie (zaaknummer C/02/445289/ FA RK 26-938) en daarna op de partneralimentatie (zaaknummer C/02/411204/FA RK 23-3038).
Zorgregeling
Juridisch kader
2.7.
In artikel 1:253a lid 1 BW staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouders aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt.
2.8.
Ingevolge artikel 1:253a lid 2 BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken omvatten.
2.9.
In artikel 1:377e BW staat dat de rechtbank op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Inhoudelijk beoordeling
2.10.
Uit de stukken en wat er is besproken op zitting blijkt dat de (basis)zorgregeling voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verloopt overeenkomstig de afspraken in het ouderschapsplan. Deze regeling houdt in dat zij bij de man zijn:
- in de oneven weken van woensdagavond 18.00 uur tot vrijdagmiddag 18.00 uur;
- in de even weken van woensdagavond 18.00 uur tot zondagmiddag 18.00 uur.
[minderjarige 1] verblijft sinds de herfstvakantie 2025 (vrijwel) volledig bij de vrouw. Zij heeft naar behoefte contact met de man. In de praktijk komt dat erop neer dat zij probeert een keer in de week bij de man langs te gaan en daar te eten.
2.11.
De vrouw verzoekt nu de in de beschikking van 16 juli 2024 en het daarvan onderdeel uitmakende ouderschapsplan van 19 september 2023 opgenomen (basis)zorgregeling te wijzigen in die zin dat:
- [minderjarige 2] en [minderjarige 3] een weekend per 14 dagen van vrijdag uit school tot zondagavond 19.00 uur bij de man zullen verblijven en
- de zorgregeling voor [minderjarige 1] wordt vastgesteld op de manier waarop die nu loopt.
De vrouw stelt dat deze wijziging nodig is omdat uit de door haar gestelde feiten en omstandigheden blijkt dat de kinderen op dit moment alleen bij haar in een veilige en stabiele omgeving kunnen opgroeien. Bij de man is daar al langere tijd geen sprake van. Samengevat stelt ze dat de man (te) veel drinkt, agressief is en niet goed voor de kinderen zorgt. De situatie bij de man is aantoonbaar onveilig en niet stabiel voor de kinderen. De man dient door de deskundige organisaties aan hem te adviseren hulp te aanvaarden, zodat de situatie bij hem kan worden omgevormd tot een stabiele en veilige omgeving voor de kinderen om in op te groeien. Zij erkent dat de communicatie en samenwerking met de man niet van de grond komt. Dit komt doordat ze zich niet veilig voelt. Ze is blij met het beschermingsonderzoek, want er moet want passende hulpverlening komen voor de kinderen en het is voor de kinderen van belang dat daar medewerking aan verleend wordt. De vrouw acht het van belang dat gedurende dit onderzoek een situatie wordt gecreëerd die rust en stabiliteit voor de kinderen bevordert. Ze acht het daarom niet wenselijk dat gedurende een dergelijk onderzoek de huidige regeling ongewijzigd blijft, nu de bestaande regeling naar haar mening juist bijdraagt aan de ontstane spanningen en onduidelijkheid voor de kinderen. Met name [minderjarige 3] heeft last van de spanningen tussen ouders. Dit merkt ze vooral tijdens de wisselmomenten. [minderjarige 3] heeft veel meegemaakt en de vrouw zou voor hem graag nu al graag een wijziging zien in de zorgregeling zodat hij op adem kan komen. Ook vindt ze het belangrijk dat de regeling voor de [minderjarige 2] en [minderjarige 3] gelijk blijft want [minderjarige 3] ziet er tegenop om alleen bij zijn vader te zijn. Daarnaast acht de vrouw het in het belang van de kinderen dat er een G&O-onderzoek door de Raad wordt gedaan over alle vraagstukken die spelen.
2.12.
De man voert geen verweer tegen de wijziging van de zorgregeling voor [minderjarige 1] . Hij vindt het prima dat er voor [minderjarige 1] een zorgregeling zal gelden dat zij naar behoefte contact met de man zal hebben. Dit gebeurt feitelijk al en is ook passend bij de leeftijd van [minderjarige 1] . De man kan zich echter niet verenigen met de verzoeken die gedaan zijn om de zorgregeling voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te wijzigen. Daar ligt volgens hem ook niet de oplossing. Deze ligt in de samenwerking en communicatie tussen ouders. Door de negatieve houding die de vrouw heeft ten opzichte van de man en die zij projecteert op de kinderen hebben de kinderen een loyaliteitsconflict ontwikkeld. In tegenstelling tot wat de vrouw stelt, heeft de man een goed contact met alle drie de kinderen. Als de zorgregeling wordt gewijzigd zoals door de vrouw verzocht, wordt hij een weekendvader en is hij niet meer betrokken in het leven van de kinderen. Dit wil hij niet. Verder erkent de man dat hulpverlening niet van de grond is gekomen. De man had geen vertrouwen in de hulpverleners omdat hij het gevoel had dat deze door de verhalen van de vrouw niet neutraal , alsmede vooringenomen waren. Dit is ook de reden dat hij de hulpverlening voor [minderjarige 3] geweigerd heeft. Hij ontkent daarbij dat hij niet is verschenen op een intakegesprek van hulpverlening waar partijen naar waren verwezen. Hij heeft aangegeven niet te kunnen op de voorgestelde dag en tijd en om een andere datum gevraagd, maar daar niks op gehoord. Vervolgens is de hulpverlening niet meer doorgezet. De man mist samenwerking met de vrouw en ervaart alleen negativiteit. De vrouw verspreidt negatieve verhalen over de man bij de hulpverlening en ook weer in deze procedure. De reden waarom ze dit doet is de man niet bekend. Het zou in het belang van de kinderen zijn als de vrouw de samenwerking wel wil aangaan en de strijd met de man zou staken. De man staat ook open voor een onderzoek door de Raad en hoopt daarbij dat partijen op weg kunnen worden geholpen om in de toekomst beter samen te kunnen werken. De man verzoekt in de tussentijd, in afwachting van het advies van de Raad, de huidige zorgregeling voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in stand te houden. Hij kan er wel instemmen dat het aanvangstijdstip voor de zorgregeling voor [minderjarige 2] op woensdag wordt aangepast van 18.00 uur naar 20.00 uur, omdat hij op dat tijdstip toch met [minderjarige 3] naar de voetbal is.
2.13.
De Raad heeft tijdens de zitting aangegeven op dit moment onvoldoende zicht te hebben op de situatie van partijen en de kinderen om advies te kunnen geven over de zorgregeling. Om duidelijk te krijgen of een wijziging van de zorgregeling in het belang van de [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is, heeft de Raad daarom tijdens de zitting aangeboden het beschermingsonderzoek te combineren met een G&O onderzoek voor de zorgregeling. Dit onderzoek kan, net als het beschermingsonderzoek, binnen 4 maanden na de zitting klaar zijn. De Raad wijst ouders er wel op dat een raadsonderzoek geen wondermiddel is. Er zijn veel zorgen over de kinderen en ouders kunnen zelf zoveel doen om dit beter maken. De Raad heeft daarom moeite met de houding van ouders. Wat hulpverlening betreft zijn ouders namelijk zelf aan zet, maar zij leunen nu achterover. De Raad adviseert ouders om eens kritisch naar zichzelf kijken en de samenwerking te zoeken in de vorm van overleg. Ouders blijven immers samen ouders en het moet vreselijk zijn voor de kinderen om in deze situatie te zitten. Zij bestaan immers voor de helft uit allebei hun ouders. Verder heeft de Raad begrip voor de wens van moeder om de zorgregeling te wijzigen, maar de Raad adviseert toch de zorgregeling niet (voorlopig) te wijzigen in afwachting van het raadsonderzoek. Ouders kunnen het niet eens worden over een tijdelijke wijziging. Als de regeling nu wel gewijzigd wordt, voelt [minderjarige 3] dat deze regeling niet door (beide) ouders gedragen wordt en daar zit een risico in. Bovendien bestaat de kans dat de regeling dan na het raadsonderzoek weer gewijzigd moet worden.
2.14.
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank constateert dat partijen het erover eens zijn dat de zorgregeling van [minderjarige 1] gewijzigd kan worden overeenkomstig het verzoek van de vrouw. Ook [minderjarige 1] heeft tijdens haar kindgesprek aangegeven hiermee in te stemmen. De rechtbank zal dit verzoek daarom toewijzen.
Partijen kunnen het echter niet eens worden over een wijziging van de zorgregeling voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . De rechtbank maakt zich, net als partijen en de Raad, zorgen over het gebrek aan communicatie en samenwerking tussen partijen en de invloed daarvan op de kinderen. Echter omdat de verhalen van partijen haaks op elkaar staan heeft de rechtbank onvoldoende zicht op de exacte (oorzaken van de) problemen tussen partijen, wat zij nodig hebben om deze aan te pakken en in welke mate [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hier last van hebben of kunnen krijgen. Daarom acht de rechtbank zich op dit moment nog onvoldoende geïnformeerd om definitief te beslissen over een eventuele wijziging van de zorgregeling voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . De rechtbank zal daarom gebruik maken van het aanbod van de Raad en vraagt de Raad om, naast het beschermingsonderzoek, ook te adviseren wat er nodig is om de communicatie van partijen te verbeteren en een G&O-onderzoek in te stellen ter beantwoording van de volgende vragen:
- In hoeverre komt een wijziging van de zorgregeling door de ouders tegemoet aan de belangen van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ?
- Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
2.15.
In afwachting van de rapportage van de Raad zal de rechtbank de verdere behandeling van het verzoek over een wijziging van de zorgregeling tussen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en de man, zoals tijdens de zitting besproken met partijen en de Raad, 4 maanden aanhouden in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek door de Raad tot
de zitting van [datum] 2026 om [uur], ten overstaan van mr. Hendriks. De rechtbank verzoekt de Raad uiterlijk twee weken voor voormelde datum aan de rechtbank en (de advocaten van) partijen te rapporteren. Partijen kunnen tijdens de zitting op het rapport reageren. De rechtbank verzoekt de Raad in de rapportage tevens aan te geven of er een ondertoezichtstelling voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zal worden verzocht. Mocht de Raad daartoe een verzoek indienen, dan kan de Raad aan de rechtbank verzoeken om dit mits tijdig ingediend, mee te behandelen op voornoemde zitting van [datum] 2026.
Voorlopige zorgregeling
2.16.
Tijdens de zitting heeft de rechtbank met partijen en de Raad gesproken over een voorlopige wijziging van de zorgregeling in afwachting van het raadsonderzoek. De rechtbank heeft de zitting ook enige tijd geschorst zodat partijen daarover konden overleggen. De rechtbank constateert dat partijen het er alleen over eens zijn geworden dat het aanvangstijdstip van de zorgregeling voor [minderjarige 2] op woensdag van 18.00 uur naar 20.00 uur kan en dat voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] dezelfde zorgregeling moet gelden. Tijdens de zitting heeft de man voorgesteld om de wisselmomenten op vrijdag om 18.00 uur en zondag om 18.00 uur te wijzigen naar respectievelijk vrijdag na school en maandag voor school. Dan zijn er minder overdrachtsmomenten tussen ouders omdat de overdracht via school zal plaatsvinden en dat is wellicht beter en minder belastend voor [minderjarige 3] . De vrouw heeft laten weten hier niet mee in te stemmen. De rechtbank kan de gedachtegang van de man volgen, maar nu partijen het niet eens zijn geworden over een voorlopige wijziging van de zorgregeling, zal de rechtbank het advies van de Raad volgen en de huidige zorgregeling laten zoals die is. Temeer omdat tijdens de zitting is gebleken dat het partijen wel lukt om afspraken te maken over de verdeling van de zorg voor de kinderen tijdens de zomervakantie en de periode tussen deze beschikking en de zomervakantie een korte periode betreft. De rechtbank geeft partijen mee dat het hen vrij staat om, als dat mogelijk is, toch andere afspraken te maken over de overdrachtsmomenten. Nu de man tijdens de zitting heeft aangegeven in te kunnen stemmen met de wens van [minderjarige 2] om de overdracht op woensdag te laten plaats vinden om 20.00 uur in plaats van 18.00 uur gaat de rechtbank ervan uit dat partijen dit samen met [minderjarige 2] zullen afstemmen.
Kinderalimentatie
Juridisch kader
2.17.
Een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud kan bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen (artikel 1:401 lid 1 BW Pro).
Wijziging van omstandigheden
2.18.
De vrouw verzoekt de beschikking van 16 juli 2024 en het daarvan onderdeel uitmakende ouderschapsplan van 19 september 2023 te wijzigen en de door de man aan haar te betalen kinderbijdrage met ingang van de datum van indiening van haar verzoekschrift (18 februari 2026) te bepalen op een bedrag van € 291,67 per kind per maand. Zij voert daartoe aan dat de omstandigheden zijn gewijzigd sinds voormelde beschikking omdat ze het vermoeden heeft dat het inkomen van de man de afgelopen jaren is gestegen en dat de zorgkorting ten aanzien van [minderjarige 1] gedaald is naar 5% en ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zal dalen naar 15% als gevolg van de door haar verzochte verandering van de contact- en zorgregeling.
2.19
De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw. Haar verzoek moet worden afgewezen omdat het ongegrond is. Er is namelijk niets veranderd in zijn inkomen. Hij erkent wel dat de zorgregeling voor [minderjarige 1] gewijzigd is en dat daardoor de zorgkorting voor haar moet wijzigen.
2.20.
De rechtbank constateert dat tussen partijen niet ter discussie staat dat de zorgregeling voor [minderjarige 1] feitelijk is gewijzigd en dat de zorgkorting voor [minderjarige 1] moet wijzigen. Zoals hiervoor onder rechtsoverweging 2.14 al overwogen, zijn partijen het er ook over eens zijn dat de zorgregeling van [minderjarige 1] overeenkomstig het verzoek van de vrouw gewijzigd kan worden. Dat de zorgregeling en de zorgkorting voor [minderjarige 1] wijzigt, is naar het oordeel van de rechtbank een omstandigheid die maakt dat een onderzoek naar de behoefte van de kinderen aan een bijdrage en naar de huidige financiële draagkracht van de onderhoudsplichtigen noodzakelijk maakt. Het voorgaande maakt dat er naar het oordeel van de rechtbank ook op grond van artikel 1:401 lid 1 BW Pro aanleiding is voor een herbeoordeling van de door de man te betalen kinderbijdrage. Daarna zal blijken of deze wijziging als rechtens relevant is aan te merken.
Inhoudelijke beoordeling kinderalimentatie
2.21.
Tijdens de zitting heeft de rechtbank aan partijen voorgesteld om de verdere behandeling van het verzoek over de wijziging van de kinderalimentatie eveneens aan te houden tot de zitting van [datum] 2026, omdat de beoordeling van dit verzoek samenhangt met de beslissing over de wijziging van de zorgregeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Partijen zijn er daarbij op gewezen dat, omdat de vrouw een wijziging van de kinderbijdrage heeft verzocht met ingang van de indiening van haar verzoekschrift (18 februari 2026), hierdoor de mogelijkheid bestaat dat de kinderbijdrage met terugwerkende kracht wijzigt en de man een bedrag zal moeten nabetalen aan de vrouw. Na een korte schorsing voor overleg hierover met hun advocaten hebben partijen ingestemd met de aanhouding.
2.22.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verdere behandeling van het verzoek over een wijziging van de kinderbijdrage aanhouden tot d
e zitting van [datum] 2026 om [uur], ten overstaan van mr. Hendriks. De rechtbank verwacht daarbij van partijen dat zij
allerelevante stukken overleggen die ervoor nodig zijn om de kinder- en partneralimentatie te beoordelen. Deze stukken moeten, overeenkomstig het procesreglement familie- en jeugdrecht rechtbanken, door een advocaat worden ingediend, met afschrift aan de wederpartij, en uiterlijk tien dagen voor de dag van de zitting (
dus 23 augustus 2026) door de rechtbank zijn ontvangen. Als partijen nalaten alle relevante stukken te overleggen en hun standpunten dus niet (voldoende) onderbouwen kan de rechtbank daar gevolgen aan verbinden die zij geraden acht. De rechtbank zal hieronder onder rechtsoverweging 2.25 vermelden welke stukken de man tenminste, maar niet uitsluitend, moet overleggen.
Partneralimentatie
2.23.
Tijdens de zitting heeft de rechtbank aan partijen voorgesteld om ook de verdere behandeling van het verzoek van de vrouw over de partneralimentatie aan te houden tot de zitting van [datum] 2026, omdat de beoordeling van dit verzoek weer samenhangt met de beslissing over de wijziging van de kinderbijdrage. Partijen zijn er daarbij op gewezen dat, doordat de ingangsdatum van de (definitieve) partneralimentatie de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking ( [datum] 2024) is, de kans bestaat dat de partneralimentatie met terugwerkende kracht wijzigt en de man een bedrag zal moeten nabetalen aan de vrouw of de vrouw een bedrag zal moeten terugbetalen aan de man. Na de korte schorsing voor overleg hebben partijen ook ingestemd met de aanhouding van dit verzoek.
2.24.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verdere behandeling van het verzoek van de vrouw over de partneralimentatie ook aanhouden tot
de zitting van [datum] 2026 om [uur], ten overstaan van mr. Hendriks. Daarbij geldt dat alles wat hiervoor onder rechtsoverweging 2.22 is overwogen over de door partijen te overleggen stukken, van overeenkomstige toepassing is op dit verzoek. De rechtbank zal hieronder onder rechtsoverweging 2.25 vermelden welke stukken de man tenminste, maar niet uitsluitend, moet overleggen.
Stukken voor beoordeling kinder- en partneralimentatie
2.25.
De man moet voor de beoordeling van het verzoek over de wijziging van de kinderbijdrage en vaststelling van de partneralimentatie tenminste, maar niet uitsluitend, de volgende stukken overleggen:
- De jaarrekeningen over de jaren 2021 tot en met 2025 van [bedrijf 1] B.V, van [bedrijf 2] B.V. en van [bedrijf 3] B.V., waaruit eveneens de bedrijfsresultaten blijken. Als over het jaar 2025 nog geen definitieve jaarrekeningen overgelegd kunnen worden, verwacht de rechtbank dat de man een prognose overlegt;
- De prognose met betrekking tot het jaar 2026 van [bedrijf 1] B.V, van [persoon] .
- De aangiften inkomstenbelasting van de man over de jaren 2021, 2024 en 2025 met de bijbehorende aanslagen.
- Stukken met betrekking tot het DGA-inkomen van de man over de jaren 2021 tot en met heden: de arbeidsovereenkomst en managementovereenkomst met [bedrijf 1] B.V. loonstroken en jaaropgaven.
- Stukken met betrekking tot dividenduitkeringen van de man over de jaren 2021 tot en met heden: dividendbesluiten, aandeelhoudersbesluiten en overig bewijs ter zake dividenduitkeringen.
2.26.
De rechtbank wijst partijen er op dat processtukken
alleen doortussenkomst van
een advocaatkunnen worden ingediend

3.De beslissing

De rechtbank:
in de zaak met zaaknummer C/02/445289
wijzigt voormelde beschikking van 16 juli 2024 en het daarvan onderdeel uitmakende ouderschapsplan van 19 september 2023 als volgt:
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat tussen de man en de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 4] 2008 te [geboorteplaats] een zorgregeling zal gelden waarbij [minderjarige 1] naar haar behoefte contact heeft met de man;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Middelburg, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hierboven onder 2.14 vermelde vragen over de zorgregeling tussen de man en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en daarover te rapporteren en te adviseren;
houdt iedere verdere beslissing over de zorgregeling tussen de man en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek door de Raad aan tot
de zitting van [datum] 2026 om [uur], ten overstaan van mr. Hendriks, welke wordt gehouden in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, aan Kousteensedijk 2 in Middelburg;;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming het rapport uiterlijk twee weken voor voornoemde zitting van [datum] 2026, dus uiterlijk 19 augustus 2026, bij de rechtbank in te dienen en gelijktijdig een afschrift daarvan te verstrekken aan (de advocaten van) partijen;
houdt het verzoek van vrouw over de wijziging van de kinderbijdrage om redenen als genoemd in rechtsoverweging 2.22 aan tot
de zitting van [datum] 2026 om [uur], ten overstaan van mr. Hendriks, welke wordt gehouden in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, aan de Kousteensedijk 2 in Middelburg;
in de zaak met zaaknummer C/02/411204
houdt het verzoek van vrouw over de partneralimentatie om redenen als genoemd in rechtsoverweging 2.24 aan tot
de zitting van [datum] 2026 om [uur], ten overstaan van mr. Hendriks, welke wordt gehouden in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, aan de Kousteensedijk 2 in Middelburg;
in beide zaken
verzoekt de advocaten van partijen om alle relevante actuele stukken ter zake van de kinder- en partneralimentatie, waaronder in ieder geval de hiervoor onder 2.25 genoemde stukken van de zijde van de man, uiterlijk tien dagen voor de dag van voornoemde zitting, dus uiterlijk 23 augustus 2026, over te leggen, met gelijktijdig afschrift aan de (advocaat van de) wederpartij;
bepaalt dat deze beschikking heeft te gelden als oproeping voor (de advocaten van) partijen en de Raad voor voornoemde zitting;
bepaalt dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij aparte brief zullen worden uitgenodigd om, als zij dat willen, hun mening te geven.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hendriks, en, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.