ECLI:NL:RBZWB:2026:6060

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
02-266502-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging zware mishandeling, vrijheidsberoving, bedreiging, diefstal en afpersing met voorbedachten rade

Verdachte heeft samen met medeverdachten op 11 en 12 augustus 2025 een jongere aangever mishandeld, bedreigd, van zijn vrijheid beroofd en bestolen van telefoon en horloge. De feiten vonden plaats na een afspraak waarbij zij deden alsof ze interesse hadden in de scooter van aangever. Verdachte was actief betrokken en maakte beelden van het incident.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte met voorbedachten rade handelde en medepleegde aan de strafbare feiten. De verdediging voerde onder meer gebrek aan bewijs en kwalificatieverweer aan, maar dit werd verworpen. De rechtbank nam de aangifte van het slachtoffer als betrouwbaar uitgangspunt en stelde vast dat sprake was van een vooraf afgesproken plan met duidelijke rolverdeling.

Bij strafoplegging hield de rechtbank rekening met de ernst van de feiten, de jeugdige leeftijd van verdachte, zijn blanco strafblad, verminderde toerekeningsvatbaarheid door een verstandelijke ontwikkelingsstoornis en positieve ontwikkeling onder schorsingstoezicht. De opgelegde straf is 14 maanden gevangenisstraf waarvan 7 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden, en een taakstraf van 100 uur (vervangbaar door 50 dagen hechtenis).

Daarnaast werd de telefoon verbeurd verklaard en het wapen onttrokken aan het verkeer. Verdachte is hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor een schadevergoeding van €2.071,24 aan het slachtoffer, inclusief wettelijke rente en met gijzeling als dwangmiddel bij niet-betaling.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 14 maanden gevangenisstraf waarvan 7 maanden voorwaardelijk, taakstraf en schadevergoeding voor poging zware mishandeling, vrijheidsberoving, bedreiging, diefstal en afpersing.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-266502-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 6 juli 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2007,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,
raadsman mr. I. Azarkan, advocaat te Roosendaal.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 juni 2026, waarbij de officier van justitie mr. M. Poirters en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De zaak is gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (02-261941-25) en [medeverdachte 2] (02-261955-25).

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving, poging zware mishandeling met voorbedachten rade, bedreiging en diefstal dan wel afpersing van de telefoon en het horloge van [slachtoffer] .

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van alle ten laste gelegde feiten. Verdachte bekent ook hierbij betrokken te zijn geweest.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit ten aanzien van het primaire onder 1 ten laste gelegde feit vrijspraak vanwege het ontbreken van bewijs voor de voorbedachte rade. Ten aanzien van de overige feiten voert de verdediging een kwalificatieverweer. Het dossier bevat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om medeplegen vast te stellen. Van medeplichtigheid kan sprake zijn, maar nu dit niet ten laste is gelegd dient verdachte vrij te worden gesproken van de overige ten laste gelegde feiten.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
De feiten en omstandigheden
De rechtbank neemt de aangifte van [slachtoffer] als uitgangspunt omdat deze op belangrijke onderdelen steun vindt in het dossier en de rechtbank deze aangifte dan ook betrouwbaar acht. Op basis van de aangifte en de andere bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.
Er heeft een geweldsincident plaatsgevonden tegen een jongere zus van medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Deze zaak is door het Openbaar Ministerie geseponeerd. De medeverdachten waren ervan overtuigd dat aangever [slachtoffer] bij het incident met de zus betrokken was en zij wilden aangever daarom een lesje leren. Zij hebben op 11 augustus 2025 een afspraak gemaakt met aangever, waarbij zij deden alsof zij geïnteresseerd waren in het kopen van zijn scooter. Verdachte en de medeverdachten zijn samen naar aangever gereden. Eenmaal aangekomen op de afgesproken locatie hebben verdachten een kapmes getoond aan aangever, een hand op zijn mond gelegd en hem bedreigd. Vervolgens hebben de verdachten aangever gedwongen in hun auto plaats te nemen, waarbij zij hem hebben geslagen en geschopt. Verdachte [medeverdachte 2] was bestuurder, verdachte was bijrijder en verdachte [medeverdachte 1] had het kapmes vast en zat op de achterbank naast aangever. Ook in de auto is aangever geslagen. Daarnaast hebben verdachten hem gedwongen zijn horloge af te geven en hebben zij zijn telefoon afgepakt. Op de [straat] te [plaats] is de auto gestopt en is aangever uit de auto getrokken. Hij is op de grond gevallen en vervolgens opnieuw geschopt en geslagen waarbij door alle verdachten geweldshandelingen zijn verricht. Aangever is op enig moment ook met het kapmes gesneden. Verdachte heeft in opdracht van de medeverdachten van dit incident beelden gemaakt. Als gevolg van de geweldshandelingen heeft aangever [slachtoffer] letsel opgelopen.
Voorbedachten rade (feit 1)
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Op grond van de feiten en omstandigheden zoals deze uit de bewijsmiddelen blijken, is de rechtbank van oordeel dat sprake was van een van tevoren afgesproken plan om aangever – kort gezegd – te mishandelen en dat het niet anders kan dan dat de verdachte van dit plan op de hoogte was. Immers, de rechtbank heeft vastgesteld dat verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] – naar aanleiding van een incident met hun zus – verhaal wilden gaan halen bij aangever en hem een lesje wilden leren. Zij zijn samen met verdachte naar de woning van aangever gereden. Bij aankomst (en tijdens de vrijheidsberoving) hebben de drie verdachten aangever aangesproken over de zus. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte al bij aankomst op de hoogte was van het eerdere incident met de zus van de medeverdachten. Bovendien was sprake van een duidelijke rolverdeling. Zo onderhield [medeverdachte 2] het contact met aangever en fungeerde hij als chauffeur, bedreigde [medeverdachte 1] aangever met het kapmes en heeft verdachte de opdracht gekregen om alles te filmen. Uit de aangifte van [slachtoffer] blijkt niet dat in zijn bijzijn tussen verdachten een gesprek heeft plaatsgevonden over deze handelingen en rolverdeling. Dit alles impliceert dat verdachten tijdens de rit naar de woning van aangever over een en ander hebben gesproken. Bovendien begon het geweld tegen aangever vrijwel direct, hetgeen er eveneens op duidt dat was afgesproken om aangever te mishandelen. Bij dat geweld was verdachte ook actief betrokken. Voor de rechtbank staat vast dat het handelen van verdachte niet het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Op grond van het voorgaande, en anders dan door de verdediging bepleit, acht de rechtbank bewezen dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachten rade.
Medeplegen (feiten 2, 3 en 4)
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
De rechtbank overweegt met betrekking tot de wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 2) het volgende. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten en had verdachte daarin ook een eigen rol. Verdachte en de medeverdachten zijn vanaf het moment dat aangever in de auto moest stappen tot het moment dat hij op de [straat] achter werd gelaten bij elkaar gebleven en zij hebben zich op geen enkel moment aan de situatie onttrokken. Daarbij heeft verdachte actief bijgedragen aan de intimiderende en bedreigende sfeer in de auto. Ook is, zoals blijkt uit de aangifte, door verdachte zowel tijdens als na de rit geweld gebruikt tegen aangever.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving wettig en overtuigend bewezen.
Met betrekking tot de diefstal en afpersing (feit 3) overweegt de rechtbank dat voor het opzet op het medeplegen van de diefstal dan wel afpersing niet is vereist dat alle medeplegers de uitvoeringshandeling zelf verrichten. De nauwe en bewuste samenwerking kan bijvoorbeeld blijken uit taakverdelingen, aanwezigheid ten tijde van het delict en het zich niet distantiëren daarvan. De rechtbank stelt vast dat de verdachten in de auto aanwezig zijn geweest en dat ieder van hen aangever heeft aangesproken op het incident met de zus van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Verdachten hebben er elk aan bijgedragen en gezamenlijk voor gezorgd dat aangever niet weg kon, waarbij hij door [medeverdachte 1] is gedwongen zijn horloge af te geven en door verdachte zijn telefoon is weggenomen. Daarnaast hebben verdachten samen voor het bedreigende karakter van de groep gezorgd waaronder de diefstal en afpersing konden plaatsvinden en heeft verdachte zelf de telefoon van aangever gepakt. De rechtbank acht het medeplegen van de diefstal en afpersing dan ook wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank overweegt met betrekking tot de bedreiging (feit 4) dat uit de bewijsmiddelen volgt dat zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] en verdachte in het kader van de vrijheidsberoving bedreigingen hebben geuit. Daarnaast heeft verdachte zijn hand op de mond van aangever gelegd. Tussen de verdachten bestond dan ook ten aanzien van de bedreigingen een bewuste en nauwe samenwerking. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van medeplegen.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
en zijn mededaders in de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen
misdrijf om tezamen en in vereniging aan [slachtoffer] ,
opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen met kracht
- tegen het hoofd en het lichaam heeft geslagen en heeft gestompt, en
- tegen het lichaam heeft geschopt en
- met een machete en/of een kapmes in de
buik en het hoofd en het lichaam heeft gesneden
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
in de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd
door die [slachtoffer] ,
- in de veronderstelling te laten dat zij, verdachten, geïnteresseerd waren in de aankoop van zijn bromfiets, en vervolgens,
- te bedreigen met een machete en/of een kapmes, en
- een hand op de mond te leggen en te zeggen dat hij stil moest zijn, en
- de woorden toe te voegen "mond houden anders steken we je neer", en
- meermalen met kracht te schoppen tegen het lichaam, en
- vervolgens te dwingen in een auto te stappen, en
- gedurende enige tijd mee te nemen in voornoemde rijdende auto, en
- meermalen met kracht te slaan en stompen en met een mes te snijden
in voornoemde rijdende auto, en
- vervolgens achter voornoemde auto te gooien en
- opnieuw meermalen met kracht te schoppen en te trappen tegen het lichaam;
3
in de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen een telefoon die geheel aan [slachtoffer] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd
voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer]
- wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven, en
- vervolgens een machete en/of een kapmes te tonen, en
- daarbij de woorden toe te voegen dat hij, [slachtoffer] , zijn telefoon moest afgeven, en
- vervolgens de telefoon uit de handen te trekken;
en
in de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een horloge,
dat geheel aan die [slachtoffer] toebehoorde door die [slachtoffer]
- wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven, en
- vervolgens een machete en/of een kapmes te tonen, en
- daarbij de woorden toe te voegen dat hij, [slachtoffer] , zijn horloge moest afgeven;
4
in de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht
door die [slachtoffer]
- meermalen een machete en/of een kapmes te tonen, en
- een hand op de mond te leggen en te zeggen dat hij stil moest zijn, en
- de woorden toe te voegen "mond houden anders steken we je neer".
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 30 maanden. De officier van justitie houdt in de strafmaat rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verzoekt de verdediging rekening te houden met de rapporten van de psycholoog en de reclassering. De verdediging acht een onvoorwaardelijke straf gelijk aan de duur van het voorarrest passend. Daarnaast kan een voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd met daaraan bijzondere voorwaarden verbonden.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich samen met de medeverdachten schuldig gemaakt aan een viertal strafbare feiten, namelijk poging zware mishandeling met voorbedachten rade, wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal, afpersing en bedreiging. Alle strafbare feiten zijn gepleegd tegen aangever [slachtoffer] . De verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] waren ervan overtuigd dat aangever betrokken was bij een incident waarbij hun jongere zus is geslagen. Deze zaak is door het Openbaar Ministerie geseponeerd. Verdachten hebben daarom het heft in eigen handen genomen en een afspraak gemaakt met aangever waarbij zij deden alsof zij interesse hadden in het kopen van zijn scooter. Eenmaal aangekomen op de afgesproken plek hebben de verdachten het kapmes getoond aan aangever, een hand op zijn mond gedaan en hem in de auto gesleurd. Hierbij is de aangever bedreigd en meermaals geslagen en geschopt. In de auto is aangever ook bedreigd met het kapmes en geslagen. Vervolgens is de auto gestopt en is aangever uit de auto getrokken. Hij is op de grond gevallen en vervolgens opnieuw geschopt en geslagen. Ook is aangever op enig moment met het kapmes gesneden als gevolg waarvan hij snijwonden had. Verdachte heeft van dit incident beelden gemaakt. Het behoeft geen betoog dat deze feiten zeer beangstigend zijn geweest voor aangever. Aangever verkeerde in de veronderstelling dat er een geïnteresseerde voor zijn scooter kwam en is uit het niets op schokkende wijze overmeesterd, mishandeld en bedreigd. Met dit handelen hebben de verdachten een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van aangever. Verder veroorzaken dit soort feiten gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. Verdachten hebben hier geen rekening mee gehouden en zich enkel bekommerd om hun eigen belang, namelijk het nemen van wraak. Het lijkt er daarbij sterk op dat zij wraak namen op de verkeerde persoon, nu een derde heeft verklaard betrokken te zijn geweest bij het incident met de zus en aangever heeft verklaard niet van een incident te weten. De rechtbank wijst erop dat ook als er wel een incident zou zijn geweest tussen aangever en de zus van de medeverdachten, eigenrichting onacceptabel is en niet kan worden getolereerd. Er is sprake geweest van ernstig geweld richting aangever. Verdachten hebben met zijn drieën de aangever aangevallen en bruut geweld toegepast waardoor aangever meerdere verwondingen heeft opgelopen. De rechtbank rekent dit alles de verdachten zwaar aan.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 8 juni 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.
De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van de psycholoog van 23 maart 2026 en het rapport van de reclassering van 4 juni 2026. Bij verdachte is een verstandelijke ontwikkelingsstoornis en psychotrauma- of stressorgerelateerde persoonlijkheidsontwikkeling geconstateerd die hem heeft beïnvloed ten tijde van de feiten. Verdachte heeft moeite met het overzien van (complexe) situaties en het inschatten van de gevolgen van zijn handelen. Verdachte kan, mede vanuit de bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling, beïnvloedbaar zijn door anderen en impulsief handelen. Er is door de stoornis sprake van een verhoogde kwetsbaarheid voor spanning en stress, waardoor verdachte in complexe of spanningsvolle situaties minder goed in staat is zijn gedrag te sturen of afstand te nemen van de situatie. Geadviseerd wordt om de feiten aan hem in verminderde mate toe te rekenen. Daarnaast adviseert de reclassering om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen. De rechtbank neemt deze adviezen over.
In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank daarnaast zijn jeugdige leeftijd mee. De reclassering ziet enige aanwijzingen voor het (toepassen van) jeugdstrafrecht, namelijk op het gebied van handelingsvaardigheden maar dit is (naar de rechtbank begrijpt), gelet op de overige wegingsfactoren onvoldoende om toepassing van het jeugdstrafrecht te rechtvaardigen. De rechtbank zal in strafmatigende zin rekening houden met de omstandigheid dat verdachte nog beperkte handelingsvaardigheden heeft. Zoals hierboven geconcludeerd handelt verdachte impulsief en is hij beïnvloedbaar. Hij overziet niet de gevolgen van zijn handelen. Verdachte heeft baat bij de praktische ondersteuning die hem door hulpverlening wordt geboden en bij continuering van zijn schoolgang. Momenteel ontvangt verdachte hulpverlening en praktische ondersteuning in het kader van een schorsingstoezicht voorlopige hechtenis. Hij komt de hieraan gestelde schorsingsvoorwaarden goed na. Verdachte lijkt een stijgende lijn te hebben ingezet. De rechtbank acht het wenselijk dat deze stijgende lijn wordt doorgezet en acht het in dat kader van belang dat het reclasseringstoezicht wordt voortgezet.
De straf
Bij bepaling van de strafmaat weegt de rechtbank mee dat er sprake is van eendaadse samenloop. Gelet op hetgeen hierboven overwogen, houdt de rechtbank bij bepaling van de strafmaat daarnaast rekening met de jeugdige leeftijd van verdachte, zijn blanco strafblad, zijn persoonlijke omstandigheden, zijn verminderde toerekeningsvatbaarheid en de positieve ontwikkeling die verdachte heeft doorgemaakt in het kader van het schorsingstoezicht. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 14 maanden waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht passend en geboden. Aan het voorwaardelijke strafgedeelte worden de bijzondere voorwaarden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering met uitzondering van het locatie ver- en gebod met elektronisch toezicht nu de rechtbank dit niet noodzakelijk acht. Gelet op de aard en de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat naast de (on)voorwaardelijke straf een taakstraf van 100 uur te vervangen door 50 dagen hechtenis passend is.

7.Het beslag

7.1.
De verbeurdverklaring
De inbeslaggenomen telefoon wordt verbeurd verklaard. De telefoon is hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om naast de hoofdstraf verbeurdverklaring op te leggen, omdat
de telefoon aan verdachte toebehoort en de feiten met behulp van dit voorwerp zijn begaan. Met de telefoon van verdachte zijn opnames gemaakt van de strafbare gedragingen.
7.2.
De onttrekking aan het verkeer
Het inbeslaggenomen wapen wordt onttrokken aan het verkeer. Het wapen is hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om dit wapen te onttrekken aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

8.De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 2.071,24.
De rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat verdachte de feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding is niet (inhoudelijk) door de verdediging betwist, zij het dat er om matiging is gevraagd voor wat betreft de kosten voor de telefoon en ten aanzien van de gevorderde immateriële schade. De rechtbank acht de gevorderde schadevergoeding geheel toewijsbaar. Zij acht de gevorderde bedragen redelijk. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde feiten.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop de feiten werden gepleegd, te weten 12 augustus 2025.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
De rechtbank stelt vast dat verdachte de feiten samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald, en andersom.

9.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36f, 45, 47, 55, 282, 285, 303, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
De eendaadse samenloop van:
feit 1:medeplegen van een poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade, en
feit 2:medeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, en
feit 3:diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door meer verenigde personen
en
afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen, en
feit 4:medeplegen van een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 14 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- stelt als
bijzondere voorwaarden:
* Meldplicht bij reclassering
dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
* Gedragsinterventie cognitieve vaardigheden
dat verdachte binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa-plus van de
reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;
* Ambulante behandeling
indien gedurende het reclasseringstoezicht blijkt dat ambulante behandeling noodzakelijk is, zal verdachte zich laten behandelen door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start wanneer dit gedurende het reclasseringstoezicht wordt geïndiceerd. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling;
* Contactverbod
dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt of heeft met:
- Medeverdachte [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedag 2] ;
- Medeverdachte [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedag 3] ;
- Aangever [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 4] ;
*Dagbesteding
verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk of opleiding en/of
vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
* Praktische ondersteuning
dat verdachte meewerkt aan zijn huidige hulpverlening op het gebied van praktische ondersteuning bij Wijzijn en u-hulpverlening, of een soortgelijke hulpverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de ondersteuning nodig vindt;
- van rechtswege gelden de volgende voorwaarden:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde/voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- veroordeelt verdachte tot
een taakstraf van 100 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht,
vervangende hechteniszal worden toegepast van
50 dagen;
Benadeelde partij [slachtoffer] (feiten 1,2,3 en 4)
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 2.071,24, waarvan € 571,24 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer] , € 2.071,24 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 20 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Beslag
- verklaart de telefoon (Omschrijving: PL2000-2025211797-2916182, zwart) verbeurd;
- onttrekt het wapen (Omschrijving: PL2000-2025211797-2916174, plastic replica, zwart) aan het verkeer;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Nomes, voorzitter, mr. N.C.W. Haesen en mr. S.C.S. van Bree, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Verdult, griffier, en is
uitgesproken ter openbare zitting op 6 juli 2026.
Mrs. G.H. Nomes, S.C.S. van Bree en K. Verdult zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij en/of zijn mededader(s) in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en
met 12 augustus 2025 te [plaats] , gemeente Borsele, in elk
geval in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om tezamen en in vereniging, althans alleen,
aan [slachtoffer] ,
opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk zwaar lichamelijk letsel
toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen (met kracht)
- tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en/of heeft gestompt, en/of
- tegen het lichaam heeft geschopt en/of heeft getrapt, en/of
- met een machete en/of een kapmes, althans een mes en/of scherp voorwerp, in de
buik en/of het hoofd en/of het lichaam heeft gesneden en/of heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 303 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 47 lid Pro
1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij en/of zijn mededader(s) in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en
met 12 augustus 2025 te [plaats] , gemeente Borsele, in elk
geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
al dan niet met voorbedachten rade
aan [slachtoffer] , heeft mishandeld, door die [slachtoffer] meermalen (met kracht)
- tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te stompen, en/of
- tegen het lichaam te schoppen en/of te trappen, en/of
- met een machete en/of een kapmes, althans een mes en/of scherp voorwerp, in de
buik en/of het hoofd en/of het lichaam te snijden en/of te steken;
( art 301 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht)
2
hij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te
[plaats] , gemeente Borsele, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
opzettelijk
[slachtoffer]
wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden,
door die [slachtoffer] ,
- in de veronderstelling te laten dat hij/zij, verdachte(n), geïnteresseerd waren in de
aankoop van zijn bromfiets, en/of (vervolgens,
- te bedreigen met een machete en/of een kapmes, en/of
- een hand op de mond te leggen en/of te zeggen dat hij stil moest zijn, en/of
- de woorden toe te voegen "mond houden anders steken we je neer", en/of
- meermalen met kracht te schoppen en/of te trappen tegen het lichaam, en/of
- (vervolgens) te dwingen in een auto te stappen, en/of
- gedurende enige tijd mee te nemen in voornoemde (rijdende) auto, en/of
- meermalen (met kracht) te slaan en/of stompen en/of met een mes te snijden
en/of te steken in voornoemde (rijdende) auto, en/of
- (vervolgens) achter voornoemde auto te gooien en/of
- (opnieuw) meermalen met kracht te schoppen en/of te trappen tegen het lichaam;
( art 282 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht)
3
hij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12
augustus 2025 te [plaats] , gemeente Borsele, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een telefoon en/of een horloge, in elk geval enig goed, dat/die geheel of
ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of
zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk
om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd
voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met
geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te
bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad,
aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht
mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
die [slachtoffer]
- wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven, en/of
- (vervolgens) een machete en/of een kapmes te tonen, en/of
- (daarbij) de woorden toe te voegen dat hij, [slachtoffer] , zijn horloge en/of zijn telefoon moest afgeven, en/of
- (vervolgens) de telefoon uit de handen te trekken en/of te rukken
en/of
hij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12
augustus 2025 te [plaats] , gemeente Borsele, in
elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te
bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld
[slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon en/of een horloge,
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een
derde toebehoorde(n)
door die [slachtoffer]
- wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven, en/of
- (vervolgens) een machete en/of een kapmes te tonen, en/of
- (daarbij) de woorden toe te voegen dat hij, [slachtoffer] , zijn horloge en/of zijn telefoon moest afgeven;
( art 310 Wetboek Pro van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art
312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2 ahf Pro/sub 2
Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 3 Wetboek Pro van Strafrecht, art 317 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht )
4
hij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te
[plaats] , gemeente Borsele, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
[slachtoffer] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling,
door die [slachtoffer]
- meermalen, althans eenmaal een machete en/of een kapmes te tonen, en/of
- een hand op de mond te leggen en/of te zeggen dat hij stil moest zijn, en/of
- de woorden toe te voegen "mond houden anders steken we je neer";
( art 285 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht)