ECLI:NL:RBZWB:2026:6062

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
02-261955-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 33 SrArt. 33a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen poging zware mishandeling, vrijheidsberoving, bedreiging en diefstal

Verdachte heeft samen met medeverdachten op 11 augustus 2025 een gewelddadig incident gepleegd tegen aangever, waarbij sprake was van poging zware mishandeling met voorbedachten rade, wederrechtelijke vrijheidsberoving, bedreiging met een mes en diefstal van een telefoon en horloge. De verdachten maakten een afspraak met aangever onder het voorwendsel interesse te hebben in de aankoop van zijn scooter, waarna zij hem bedreigden, in een auto sleepten en mishandelden.

De rechtbank achtte de aangifte van aangever betrouwbaar en baseerde zich op diverse bewijsmiddelen, waaronder videobeelden, verklaringen van medeverdachten en telefoonlocaties. Verdachte ontkende betrokkenheid, maar dit werd verworpen vanwege tegenbewijs en het ontbreken van een geloofwaardige alibi.

De rechtbank stelde vast dat sprake was van voorbedachten rade en medeplegen, gezien de duidelijke rolverdeling en de voorbereiding van het geweld. Verdachte was bestuurder en actief betrokken bij de mishandeling en bedreiging. De strafbaarheid werd bevestigd, zonder strafuitsluitingsgronden.

De officier van justitie eiste 42 maanden gevangenisstraf, maar de rechtbank legde 30 maanden op, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, rekening houdend met de jeugdige leeftijd en eerdere veroordelingen van verdachte. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van €2.071,24 schadevergoeding aan aangever en werd de inbeslaggenomen telefoon verbeurd verklaard.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, en tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-261955-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 6 juli 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Syrië) op [geboortedag] 2006,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de PI [plaats 1] ,
raadsman mr. H. Goedegebure, advocaat te Middelburg.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 juni 2026, waarbij de officier van justitie mr. M. Poirters en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De zaak is gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (02-261941-25) en [medeverdachte 2] (02-266502-25).

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving, poging zware mishandeling met voorbedachten rade, bedreiging en diefstal dan wel afpersing van de telefoon en het horloge van [slachtoffer] .

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht bewezen dat verdachte betrokken was bij alle ten laste gelegde feiten. Meerdere bewijsmiddelen in het dossier ondersteunen dat verdachte op de avond van de feiten aanwezig was. Gelet op de aangifte en de beelden kan worden vastgesteld dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten. De officier van justitie acht dan ook bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de vier ten laste gelegde feiten.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit een integrale vrijspraak, omdat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om de betrokkenheid van verdachte vast te stellen. De verklaring van de medeverdachte dat verdachte aanwezig was, is ongeloofwaardig en kan niet voor het bewijs worden gebezigd.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
De feiten en omstandigheden
De rechtbank neemt de aangifte van [slachtoffer] als uitgangspunt omdat deze op belangrijke onderdelen steun vindt in het dossier en de rechtbank deze aangifte dan ook betrouwbaar acht. Op basis van de aangifte en de andere bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.
Er heeft een geweldsincident plaatsgevonden tegen een jongere zus van verdachte en [medeverdachte 1] . Deze zaak is door het Openbaar Ministerie geseponeerd. De verdachten waren ervan overtuigd dat aangever [slachtoffer] bij het incident met de zus betrokken was en zij wilden aangever daarom een lesje leren. Zij hebben op 11 augustus 2025 een afspraak gemaakt met aangever, waarbij zij deden alsof zij geïnteresseerd waren in het kopen van zijn scooter. Verdachte en de medeverdachten zijn samen naar aangever gereden. Eenmaal aangekomen op de afgesproken locatie hebben verdachten een kapmes getoond aan aangever, een hand op zijn mond gelegd en hem bedreigd. Vervolgens hebben de verdachten aangever gedwongen in de auto, welke op naam van verdachte stond, plaats te nemen. Daarbij hebben zij aangever geslagen en geschopt. Verdachte was bestuurder, verdachte [medeverdachte 2] was bijrijder en verdachte [medeverdachte 1] had het kapmes vast en zat op de achterbank naast aangever. Ook is aangever in de auto geslagen. Daarnaast hebben verdachten hem gedwongen zijn horloge af te geven en hebben zij zijn telefoon afgepakt. Op de [straat] te [plaats 2] heeft verdachte de auto gestopt en is aangever uit de auto getrokken. Hij is op de grond gevallen en vervolgens opnieuw geschopt en geslagen, waarbij door alle verdachten geweldshandelingen zijn verricht. Aangever is op enig moment ook met het kapmes gesneden. [medeverdachte 2] heeft in opdracht van de medeverdachten van dit incident beelden gemaakt. Als gevolg van de geweldshandelingen heeft aangever [slachtoffer] letsel opgelopen.
Voor zover verdachte heeft gesteld dat hij niet aanwezig was die bewuste avond wijst de rechtbank erop dat zijn broer, [medeverdachte 1] , heeft verklaard dat verdachte erbij was, dat de telefoon van verdachte ten tijde van het incident aanstraalt op de plek van het incident, dat het interieur van de auto op de videobeelden overeenkomt met de auto van verdachte en dat de bestuurder op de beelden dezelfde jas heeft als die verdachte draagt en die ook op zijn kamer is aangetroffen. Het voorgaande heeft geleid tot de vaststelling dat verdachte bij het incident aanwezig was en degene was die de auto bestuurde. Hierbij heeft de rechtbank ook nog meewogen dat verdachte in het geheel niet kan aantonen waar hij de bewuste avond dan wel geweest zou zijn.
Voorbedachten rade (feit 1)
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Op grond van de feiten en omstandigheden zoals deze uit de bewijsmiddelen blijken, is de rechtbank van oordeel dat sprake was van een van tevoren afgesproken plan om aangever – kort gezegd – te mishandelen en dat het niet anders kan dan dat verdachte van dit plan op de hoogte was. Immers, de rechtbank heeft vastgesteld dat verdachten – naar aanleiding van een incident met hun zus – verhaal wilden gaan halen bij aangever en hem een lesje wilden leren. Zij zijn samen met [medeverdachte 2] naar de woning van aangever gereden en hebben hem aangesproken over de zus. Er was daarbij sprake van een duidelijke rolverdeling. Zo onderhield verdachte het contact met aangever en fungeerde hij als chauffeur, bedreigde [medeverdachte 1] aangever met het kapmes en heeft [medeverdachte 2] de opdracht gekregen om alles te filmen. Uit de aangifte van [slachtoffer] blijkt niet dat in zijn bijzijn tussen verdachten een gesprek heeft plaatsgevonden over deze handelingen en rolverdeling. Dit alles impliceert dat verdachten tijdens de rit naar de woning van aangever over een en ander hebben gesproken. Bovendien begon het geweld tegen aangever vrijwel direct, hetgeen er eveneens op duidt dat was afgesproken om aangever te mishandelen. Bij dat geweld was verdachte ook actief betrokken. Voor de rechtbank staat vast dat het handelen van verdachte niet het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachten rade.
Medeplegen
De rechtbank is van oordeel dat, gezien de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden, ten aanzien van alle feiten een voldoende nauwe en bewuste samenwerking is geweest tussen verdachte en de medeverdachten. De rechtbank wijst in dat kader op de taakverdeling waarin de verdachten elkaar aanvulden en verdachte een eigen substantiële rol had. Verdachte was bovendien gedurende het hele incident aanwezig en heeft zich op geen enkel moment gedistantieerd. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het medeplegen van alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade, het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving, het medeplegen van diefstal en afpersing en het medeplegen van bedreiging.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
en zijn mededaders in de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen
misdrijf om tezamen en in vereniging aan [slachtoffer] ,
opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel
toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen met kracht
- tegen het hoofd en het lichaam heeft geslagen en heeft gestompt, en
- tegen het lichaam heeft geschopt en
- met een machete en/of een kapmes in de
buik en het hoofd en het lichaam heeft gesneden
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
in de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2]
tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd door die [slachtoffer] ,
- in de veronderstelling te laten dat zij, verdachten, geïnteresseerd waren in de
aankoop van zijn bromfiets, en vervolgens,
- te bedreigen met een machete en/of een kapmes, en
- een hand op de mond te leggen en te zeggen dat hij stil moest zijn, en
- de woorden toe te voegen "mond houden anders steken we je neer", en
- meermalen met kracht te schoppen tegen het lichaam, en
- vervolgens te dwingen in een auto te stappen, en
- gedurende enige tijd mee te nemen in voornoemde rijdende auto, en
- meermalen met kracht te slaan en stompen en met een mes te snijden
in voornoemde rijdende auto, en
- vervolgens achter voornoemde auto te gooien en
- opnieuw meermalen met kracht te schoppen en te trappen tegen het lichaam;
3
in de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] tezamen en in vereniging met anderen een telefoon die geheel aan [slachtoffer] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd
voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer]
- wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven, en
- vervolgens een machete en/of een kapmes te tonen, en
- daarbij de woorden toe te voegen dat hij, [slachtoffer] , zijn telefoon moest afgeven, en
- vervolgens de telefoon uit de handen te trekken;
en
in de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een horloge, dat aan die [slachtoffer] toebehoorde door die [slachtoffer]
- wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven, en
- vervolgens een machete en/of een kapmes te tonen, en
- daarbij de woorden toe te voegen dat hij, [slachtoffer] , zijn horloge moest afgeven;
4
in de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2]
tezamen en in vereniging met anderen [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [slachtoffer]
- meermalen een machete en/of een kapmes te tonen, en
- een hand op de mond te leggen en te zeggen dat hij stil moest zijn, en
- de woorden toe te voegen "mond houden anders steken we je neer".
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de jeugdige leeftijd, het beperkte strafblad en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De eis van de officier van justitie is buiten proportie en dient te worden gematigd.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich samen met de medeverdachten schuldig gemaakt aan een viertal strafbare feiten, namelijk poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade, wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal en bedreiging. Alle strafbare feiten zijn gepleegd tegen aangever [slachtoffer] . De verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] waren ervan overtuigd dat aangever betrokken was bij een incident waarbij hun jongere zus is geslagen. Deze zaak is door het Openbaar Ministerie geseponeerd. Verdachten hebben daarom het heft in eigen handen genomen en een afspraak gemaakt met aangever waarbij zij deden alsof zij interesse hadden in het kopen van zijn scooter. Eenmaal aangekomen op de afgesproken plek hebben de verdachten het kapmes getoond aan aangever, een hand op zijn mond gedaan en hem in de auto gesleurd. Hierbij is de aangever bedreigd en meermaals geslagen en geschopt. In de auto is aangever ook bedreigd met het kapmes en geslagen. Vervolgens is de auto gestopt en is aangever uit de auto getrokken. Hij is op de grond gevallen en vervolgens opnieuw geschopt en geslagen. Ook is aangever op enig moment met het kapmes gesneden als gevolg waarvan hij snijwonden had. Het behoeft geen betoog dat dit alles feiten zeer beangstigend zijn geweest voor aangever. Aangever verkeerde in de veronderstelling dat er een geïnteresseerde voor zijn scooter kwam en is uit het niets op schokkende wijze overmeesterd, mishandeld en bedreigd. Met dit handelen hebben de verdachten een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van aangever. Verder veroorzaken dit soort feiten gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. Verdachten hebben hier geen rekening mee gehouden en zich enkel bekommerd om hun eigen belang, namelijk het nemen van wraak. Het lijkt er daarbij sterk op dat zij wraak namen op de verkeerde persoon, nu een derde heeft verklaard betrokken te zijn geweest bij het incident met de zus en aangever heeft verklaard niet van een incident te weten. De rechtbank wijst erop dat ook als er wel een incident zou zijn geweest tussen aangever en de zus van de medeverdachten, eigenrichting onacceptabel is en niet kan worden getolereerd. Er is sprake geweest van ernstig geweld richting aangever. Verdachten hebben met zijn drieën de aangever aangevallen en bruut geweld toegepast waardoor aangever meerdere verwondingen heeft opgelopen. De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan. Te meer nu verdachte in zijn geheel geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen. Ondanks dat het dossier meerdere bewijsmiddelen bevat die verdachte op de plaats van de feiten plaatst, blijft verdachte enige betrokkenheid bij de feiten ontkennen. De rechtbank weegt de proceshouding van verdachte in zijn nadeel mee.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 8 juni 2026. Hieruit blijkt dat er sprake is van recidive. Verdachte is eerder voor geweldsfeiten veroordeeld.
De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van de psycholoog van 11 februari 2026 en het rapport van de reclassering van 4 mei 2026. Bij verdachte zijn geen stoornissen geconstateerd en hij is volledig toerekeningsvatbaar. De reclassering ziet ook geen aanleiding om aan verdachte bijzondere voorwaarden op te leggen, omdat verdachte een ontkennende houding heeft en niet ontvankelijk is voor een toezicht. De rechtbank volgt de reclassering in deze.
Er zijn geen redenen om het jeugdstrafrecht toe te passen, maar de rechtbank zal in strafmatigende zin rekening houden met de jeugdige leeftijd van verdachte.
De straf
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat enkel kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Daarnaast acht de rechtbank een voorwaardelijk deel als flinke stok achter de deur passend, zodat verdachte ervan wordt weerhouden opnieuw agressief te handelen of het heft in eigen handen te nemen. Bij bepaling van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met eendaadse samenloop. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet.

7.Het beslag

De inbeslaggenomen telefoon wordt verbeurd verklaard. De telefoon is hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om naast de hoofdstraf verbeurdverklaring op te leggen, omdat
de telefoon aan verdachte toebehoort en de feiten met behulp van dit voorwerp is voorbereid en begaan. Op de telefoon van verdachte zijn de beelden aangetroffen van de feiten en via de telefoon van verdachte is een afspraak gemaakt voor de aankoop van de scooter.

8.De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 2.071,24.
De rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat verdachte de feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding is niet (inhoudelijk) door de verdediging betwist, zij het dat er om matiging is gevraagd voor wat betreft de kosten voor de telefoon en ten aanzien van de gevorderde immateriële schade. De rechtbank acht de gevorderde schadevergoeding geheel toewijsbaar. Zij acht de gevorderde bedragen redelijk. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde feiten.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop de feiten werden gepleegd, te weten 12 augustus 2025.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
De rechtbank stelt vast dat verdachte de feiten samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald, en andersom.

9.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 45, 47, 55, 282, 285, 303, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
de eendaadse samenloop van:
feit 1:medeplegen van een poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade, en
feit 2:medeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, en
feit 3:diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door meer verenigde personen
en
afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen, en
feit 4:medeplegen van een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Benadeelde partij [slachtoffer] (feiten 1,2,3 en 4)
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 2.071,24, waarvan € 571,24 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer] , € 2.071,24 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 20 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Beslag
- verklaart de telefoon (Omschrijving: PL2000-2025211797-G2905735, Apple) verbeurd.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Nomes, voorzitter, mr. N.C.W. Haesen en mr. S.C.S. van Bree, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Verdult, griffier, en is
uitgesproken ter openbare zitting op 6 juli 2026.
Mrs. G.H. Nomes, S.C.S. van Bree en K. Verdult zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij en/of zijn mededader(s) in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en
met 12 augustus 2025 te [plaats 2] , gemeente Borsele, in elk
geval in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om tezamen en in vereniging, althans alleen,
aan [slachtoffer] ,
opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk zwaar lichamelijk letsel
toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen (met kracht)
- tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en/of heeft gestompt, en/of
- tegen het lichaam heeft geschopt en/of heeft getrapt, en/of
- met een machete en/of een kapmes, althans een mes en/of scherp voorwerp, in de
buik en/of het hoofd en/of het lichaam heeft gesneden en/of heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 303 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 47 lid Pro
1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij en/of zijn mededader(s) in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en
met 12 augustus 2025 te [plaats 2] , gemeente Borsele, in elk
geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
al dan niet met voorbedachten rade
aan [slachtoffer] , heeft mishandeld, door die [slachtoffer] meermalen (met kracht)
- tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te stompen, en/of
- tegen het lichaam te schoppen en/of te trappen, en/of
- met een machete en/of een kapmes, althans een mes en/of scherp voorwerp, in de
buik en/of het hoofd en/of het lichaam te snijden en/of te steken;
( art 301 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht)
2
hij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te
[plaats 2] , gemeente Borsele, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
opzettelijk
[slachtoffer]
wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden,
door die [slachtoffer] ,
- in de veronderstelling te laten dat hij/zij, verdachte(n), geïnteresseerd waren in de
aankoop van zijn bromfiets, en/of (vervolgens,
- te bedreigen met een machete en/of een kapmes, en/of
- een hand op de mond te leggen en/of te zeggen dat hij stil moest zijn, en/of
- de woorden toe te voegen "mond houden anders steken we je neer", en/of
- meermalen met kracht te schoppen en/of te trappen tegen het lichaam, en/of
- (vervolgens) te dwingen in een auto te stappen, en/of
- gedurende enige tijd mee te nemen in voornoemde (rijdende) auto, en/of
- meermalen (met kracht) te slaan en/of stompen en/of met een mes te snijden
en/of te steken in voornoemde (rijdende) auto, en/of
- (vervolgens) achter voornoemde auto te gooien en/of
- (opnieuw) meermalen met kracht te schoppen en/of te trappen tegen het lichaam;
( art 282 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht)
3
hij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12
augustus 2025 te [plaats 2] , gemeente Borsele, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een telefoon en/of een horloge, in elk geval enig goed, dat/die geheel of
ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of
zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk
om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd
voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met
geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te
bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad,
aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht
mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
die [slachtoffer]
- wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven, en/of
- (vervolgens) een machete en/of een kapmes te tonen, en/of
- (daarbij) de woorden toe te voegen dat hij, [slachtoffer] , zijn horloge en/of zijn telefoon moest afgeven, en/of
- (vervolgens) de telefoon uit de handen te trekken en/of te rukken
en/of
hij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12
augustus 2025 te [plaats 2] , gemeente Borsele, in
elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te
bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld
[slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon en/of een horloge,
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een
derde toebehoorde(n)
door die [slachtoffer]
- wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven, en/of
- (vervolgens) een machete en/of een kapmes te tonen, en/of
- (daarbij) de woorden toe te voegen dat hij, [slachtoffer] , zijn horloge en/of zijn telefoon moest afgeven;
( art 310 Wetboek Pro van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art
312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2 ahf Pro/sub 2
Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 3 Wetboek Pro van Strafrecht, art 317 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht )
4
hij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te
[plaats 2] , gemeente Borsele, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
[slachtoffer] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling,
door die [slachtoffer]
- meermalen, althans eenmaal een machete en/of een kapmes te tonen, en/of
- een hand op de mond te leggen en/of te zeggen dat hij stil moest zijn, en/of
- de woorden toe te voegen "mond houden anders steken we je neer";
( art 285 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht)