ECLI:NL:RBZWB:2026:6073

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
BRE 24/6929
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:24 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid beroep erfbelasting wegens ontbreken machtiging ongegrond verklaard

Belanghebbende heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 20 januari 2026, waarin het beroep op de erfbelastingaanslag niet-ontvankelijk werd verklaard omdat de gemachtigde geen machtiging had overgelegd.

De gemachtigde stelde dat zij niet gemachtigd was en zonder medeweten van belanghebbende het beroep had ingediend. De rechtbank oordeelt dat het niet mogelijk is om zonder toestemming van belanghebbende een beroepsprocedure te starten en dat het ontbreken van een machtiging terecht tot niet-ontvankelijkheid heeft geleid.

Het verzet wordt ongegrond verklaard, waardoor de eerdere uitspraak in stand blijft. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter S.A.J. Bastiaansen en griffier W. Dekkers en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep op de erfbelastingaanslag wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/6929

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 op het verzet van

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gesteld gemachtigde: [gemachtigde] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 20 januari 2026 in het geding tussen
belanghebbende
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 20 januari 2026 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep ziet op de aanslag erfbelasting met [aanslagnummer] .
1.1.
Belanghebbende heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 20 januari 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [1] is dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat gesteld gemachtigde geen machtiging heeft overgelegd en ook geen bewijs waaruit blijkt dat gesteld gemachtigde is aangewezen als executeur van de nalatenschap van [persoon] . Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
2.1.
Gesteld gemachtigde voert aan dat zij nooit gemachtigd was om beroep in te stellen. Belanghebbende weet niet dat het beroepschrift is ingediend. Gesteld gemachtigde heeft op eigen initiatief geprobeerd haar kinderen te helpen. Belanghebbende heeft nooit correspondentie van de rechtbank ontvangen en kon dus niet het verzuim herstellen. Gesteld gemachtigde licht in het verzetschrift haar persoonlijke situatie toe en vraagt om begrip.
2.2.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2.3.
Gesteld gemachtigde heeft beroep ingesteld tegen de aanslag erfbelasting met [aanslagnummer] . Dit is een aanslag die is opgelegd aan belanghebbende. Iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat zij namens die ander beroep mag instellen. [2] In dit geval heeft gesteld gemachtigde namens belanghebbende beroep ingesteld en geen machtiging overgelegd. De rechtbank dient in dat geval de indiener van het beroepschrift, dus gesteld gemachtigde, de gelegenheid te bieden de machtiging alsnog te overleggen. In dit geval kon gesteld gemachtigde ook bewijs, zoals een verklaring van erfrecht, overleggen dat zij in de hoedanigheid als executeur van de nalatenschap van [persoon] beroep mocht instellen.
2.4.
Gesteld gemachtigde voert in verzet aan dat zij niet is gemachtigd om namens belanghebbende beroep in te stellen en belanghebbende weet ook niet dat zij dat heeft gedaan. De rechtbank stelt voorop dat het niet mogelijk is om zonder dat belanghebbende het weet een beroepsprocedure te starten. Aangezien gesteld gemachtigde aangeeft dat zij geen toestemming heeft van belanghebbende om een beroepsprocedure te starten en dit ook niet uit de stukken blijkt, is het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Conclusie en gevolgen

3. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 20 januari 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr.W. Dekkers, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit staat in artikel 8:24, tweede lid van de Awb.