ECLI:NL:RBZWB:2026:6076

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
BRE 24/6928
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid beroep erfbelasting wegens niet-betaling griffierecht ongegrond verklaard

Belanghebbende heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van 20 januari 2026, waarin haar beroep tegen de aanslag erfbelasting niet-ontvankelijk werd verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht. Zij voerde meerdere keren betalingsonmacht aan vanwege haar bijstandsuitkering, maar heeft geen voldoende bewijs geleverd om dit aannemelijk te maken.

De rechtbank heeft vastgesteld dat belanghebbende driemaal een beroep op betalingsonmacht heeft gedaan, maar telkens niet heeft gereageerd op verzoeken om onderbouwing. Ondanks meerdere kansen heeft zij het griffierecht niet voldaan. De rechtbank oordeelt dat het beroep op betalingsonmacht terecht is afgewezen en dat belanghebbende in verzuim is.

Daarom blijft de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in stand en wordt het verzet ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter S.A.J. Bastiaansen en griffier W. Dekkers.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens niet-betaling van het griffierecht is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/6928

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 op het verzet van

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank van 20 januari 2026 in het geding tussen
belanghebbende
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 20 januari 2026 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep ziet op de aanslag erfbelasting met [aanslagnummer] .
1.1.
Belanghebbende heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 20 januari 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [1] is dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat het griffierecht niet is betaald. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
2.1.
Belanghebbende voert aan dat zij driemaal een beroep op betalingsonmacht heeft ingediend, omdat zij van een bijstandsuitkering leeft. Belanghebbende is geen jurist. Ondanks de beroepen op betalingsonmacht, bleef belanghebbende nota’s ontvangen voor het griffierecht. Dit was verwarrend. Belanghebbende licht in het verzetschrift haar persoonlijke situatie toe en vraagt om begrip.
2.2.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2.3.
Voor de behandeling van een beroep is griffierecht verschuldigd. Niet in geschil is dat het griffierecht niet is betaald voor het einde van de daartoe gestelde termijn. Een beroep zal in dat geval niet-ontvankelijk worden verklaard, tenzij geoordeeld moet worden dat belanghebbende niet in verzuim is geweest. [2]
2.4.
Belanghebbende heeft bij bericht van 15 oktober 2024 een beroep gedaan op betalingsonmacht. De griffier heeft belanghebbende op 22 oktober 2024 in de gelegenheid gesteld het beroep op betalingsonmacht te onderbouwen. In deze brief staat welke gegevens belanghebbende moet aanleveren en dat zij nadien geen gelegenheid meer krijgt tot het aanvullen van de gegevens. Deze brief is volgens de track-and-trace gegevens van PostNL op 23 oktober 2024 bij belanghebbende bezorgd.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op betalingsonmacht op 8 november 2024 afgewezen, omdat belanghebbende niet heeft gereageerd. Vervolgens is belanghebbende nogmaals in de gelegenheid gesteld het griffierecht te voldoen. Belanghebbende heeft op 16 mei 2025 nogmaals aangegeven dat zij het griffierecht niet kan betalen. De griffier heeft op 13 oktober 2025 belanghebbende aangegeven dat een tweede beroep op betalingsonmacht niet mogelijk is en dat voor de behandeling van het beroep het griffierecht betaald dient te worden. Belanghebbende is nogmaals in de gelegenheid gesteld het griffierecht te voldoen, maar heeft niet betaald.
2.6.
De rechtbank overweegt dat degene die zich beroept op betalingsonmacht aannemelijk moet maken dat hiervan sprake is. Belanghebbende heeft geen stukken overgelegd om te kunnen beoordelen of belanghebbende voldoende middelen heeft om het griffierecht te voldoen. In de in verzet bestreden uitspraak is dan ook op goede gronden geoordeeld dat het beroep op betalingsonmacht terecht is afgewezen.
2.7.
Nu het beroep op betalingsonmacht terecht is afgewezen en vaststaat dat belanghebbende het griffierecht niet heeft voldaan, kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat belanghebbende niet in verzuim is geweest. De rechtbank heeft het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Conclusie en gevolgen

3. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 20 januari 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr.W. Dekkers, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Gelet op het bepaalde in artikel 8:41 van Pro de Awb.