ECLI:NL:RBZWB:2026:6092

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
BRE 26/1166
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij handhavingsverzoek heiwerkzaamheden

Eiser heeft op 8 april 2025 een handhavingsverzoek ingediend tegen het uitvoeren van heiwerkzaamheden door een vergunninghouder. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena heeft dit verzoek aanvankelijk niet-ontvankelijk verklaard en later het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser stelde beroep in tegen dit besluit. Tijdens de zitting op 25 juni 2026 heeft de rechtbank vastgesteld dat de heiwerkzaamheden inmiddels zijn afgerond, waardoor het doel van het beroep niet meer kan worden bereikt. Hoewel eiser een oordeel wenst over de rechtmatigheid van het onderzoek naar flora en fauna, acht de rechtbank dit onvoldoende voor het aannemen van procesbelang.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en beoordeelt zij de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt het betaalde griffierecht niet terug. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na verzending van het proces-verbaal.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang omdat de heiwerkzaamheden zijn afgerond.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/1166
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena, het college.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep tegen de beslissing van het college om het bezwaar van eiser ongegrond te verklaren. Het bezwaar was gericht tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek van eiser. Eiser is het niet eens met deze afwijzing.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep en verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 8 april 2025 heeft eiser het college verzocht om handhavend op te treden tegen het voornemen van vergunninghouder om heiwerkzaamheden te verrichten.
2.1.
Bij besluit van 1 juli 2025 heeft het college eiser niet-ontvankelijk verklaard.
2.2.
Met het bestreden besluit van 23 december 2025 heeft het college het primaire besluit herroepen voor zover eiser daarin niet-ontvankelijk is verklaard en het bezwaar ongegrond verklaard, onder aanvulling van de motivering.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
Eiser heeft schriftelijk gereageerd op het verweerschrift.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft hieraan deelgenomen. Namens het college zijn [persoon 1] en mr. [persoon 2] verschenen.
2.7.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

Procesbelang
3. Voordat de rechtbank kan toekomen aan de inhoudelijke behandeling van het beroep, moet zij vaststellen of eiser (nog) belang heeft bij de uitkomst van een procedure. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is sprake van procesbelang als het doel dat eiser voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor eiser van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van zijn beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het beroep niet-ontvankelijk. [1]
3.1.
Het handhavingsverzoek dat eiser heeft ingediend, heeft betrekking op het uitvoeren van heiwerkzaamheden en de effecten die deze werkzaamheden hebben op onder andere de flora en fauna van de omgeving. Niet in geschil is dat de heiwerkzaamheden inmiddels zijn afgerond. Het doel dat eiser voor ogen staat, kan hij daarom met deze beroepsprocedure niet meer bereiken. Tijdens de zitting heeft eiser aangegeven dat hij een oordeel wil over de rechtmatigheid van het onderzoek dat ter plaatse is verricht naar de aanwezige flora en fauna. Dat is onvoldoende om procesbelang aan te nemen, omdat dit voor hem geen feitelijke betekenis meer heeft voor de handhavingsprocedure. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser daarom geen procesbelang bij de beoordeling van zijn beroep.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.
4.1.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2026 door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. A. van Breugel, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld ABRvS 24 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3664 (r.o. 3.1).