ECLI:NL:RBZWB:2026:6096

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
26-002106
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 529 SvArt. 530 SvArt. 9a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot schadevergoeding na sepot niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding

De verzoeker diende op 23 januari 2026 een verzoekschrift in op grond van artikel 530 Sv Pro tot vergoeding van kosten rechtsbijstand en een forfaitaire vergoeding. Het verzoek betrof een zaak die was geseponeerd op 21 oktober 2025. De verzoeker stelde dat de termijn van drie maanden voor het indienen van het verzoek pas begon te lopen op het moment dat hij kennisnam van het sepot, wat volgens hem op 23 oktober 2025 was.

De officier van justitie betwistte dit en stelde dat de verzoeker en zijn raadsman op 21 oktober 2025 aanwezig waren bij de OM-hoorzitting waarin het sepot werd meegedeeld, zodat de termijn op die dag begon te lopen. De rechtbank oordeelde dat de verzoeker geacht moet worden op 21 oktober 2025 bekend te zijn geweest met het sepot, waardoor de termijn van drie maanden op 22 januari 2026 was geëindigd.

Omdat het verzoek pas op 23 januari 2026 werd ingediend, was het te laat. De rechtbank zag geen reden om de termijnoverschrijding te verontschuldigen en verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk. De beslissing werd genomen door rechter L.W. Louwerse en uitgesproken op 4 mei 2026.

Uitkomst: Het verzoek tot schadevergoeding na sepot is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
parketnummer : 02-359391-24
raadkamernummer : 26-002106
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker],
geboren op [datum] 1998 te [plaats],
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. A.M.J. Joris, advocaat te Breda (Ginnekenweg 88, 4818 JH Breda),
hierna te noemen: de verzoeker.

1.De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
 het op 23 januari 2026 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding
ex artikel 530 van Pro het Wetboek van strafvordering(Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van:
  • € 2.971,01, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
  • € 420,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 825,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
  • het sepot van 21 oktober 2025;
  • de schriftelijke reactie van de officier van justitie;
  • de overige stukken in het raadkamerdossier.
Op 20 april 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis en mr. A.J.C.M. de Graaff, als gemachtigd advocaat van verzoeker gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
De raadsman heeft desgevraagd ter terechtzitting een toelichting gegeven met betrekking tot de tijdigheid van het verzoek. Het sepot dateert van 21 oktober 2025. Het verzoekschrift is ontvangen op 23 januari 2026. De raadsman stelt zich op het standpunt dat de termijn van 3 maanden voor het indienen van een verzoekschrift aanvangt op het moment dat verzoeker kennis heeft genomen van het sepot. Verzoeker heeft het sepot via de post ontvangen en daar zijn 1 à 2 werkdagen mee gemoeid. Op zijn vroegst heeft verzoeker op 23 oktober 2025 kennisgenomen van het sepot, wat maakt dat het verzoek tijdig is ingediend.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat zaak is beëindigd op 21 oktober 2025. Op 21 oktober 2025 is er een OM-hoorzitting geweest en verzoeker en zijn raadsman zijn daarbij aanwezig geweest. Op die OM-hoorzitting is kenbaar gemaakt dat de zaak geseponeerd werd. Het verzoekschrift is te laat ingediend. De officier van justitie verzoekt het verzoekschrift niet-ontvankelijk te verklaren.

2.De beoordeling

De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd.
Met betrekking tot de tijdigheid van het verzoek overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 529, tweede lid, Sv dient een verzoek tot schadevergoeding binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak te worden ingediend. De sepotbeslissing is gedateerd op 21 oktober 2025. Op diezelfde dag is er een OM-hoorzitting geweest waarbij verzoeker aanwezig was en de zaak is geseponeerd. Verzoeker moet daarom geacht worden op die dag bekend te zijn geworden met het sepot. Dit brengt mee dat de termijn van drie maanden voor het indienen van het verzoek een aanvang heeft genomen op 22 oktober 2025 en op 22 januari 2025 is geëindigd.
Het verzoek is op 23 januari 2026 op de griffie binnengekomen en de rechtbank ziet geen grond om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Daarom zal de verzoeker niet-ontvankelijk worden verklaard in het verzoek.

3.De beslissing

De rechtbank:
-verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
Deze beslissing is op 4 mei 2026 genomen door mr. L.W. Louwerse rechter, in tegenwoordigheid van I.L. Bruijnooge, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 4 mei 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.