ECLI:NL:RBZWB:2026:61

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
BRE 24/2664 WIA
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WIA-uitkering op basis van arbeidsongeschiktheidseisen en medische beoordeling

In deze uitspraak beoordeelt de Rechtbank Zeeland-West-Brabant het beroep van eiseres tegen de weigering van het UWV om haar een WIA-uitkering toe te kennen. Het UWV had op 31 juli 2023 besloten om per 20 juni 2023 geen WIA-uitkering toe te kennen, omdat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Eiseres maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het UWV verklaarde dit bezwaar ongegrond op 18 januari 2024. De rechtbank behandelde de zaak op 18 februari 2025, waarbij eiseres en haar gemachtigde aanwezig waren, evenals een vertegenwoordiger van het UWV. Tijdens de zitting werd het onderzoek geschorst om het UWV de gelegenheid te geven te reageren op contra-expertise die door eiseres was ingediend. De rechtbank sloot het onderzoek op 25 november 2025, waarna de uitspraak volgde op 13 januari 2026.

De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht had vastgesteld dat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De rechtbank baseerde haar oordeel op de medische rapportages van de verzekeringsartsen van het UWV, die de beperkingen van eiseres hadden beoordeeld. Eiseres had aangevoerd dat het UWV niet zorgvuldig had gehandeld, omdat zij niet in persoon was gezien door een verzekeringsarts b&b. De rechtbank oordeelde echter dat de medische beoordeling voldoende zorgvuldig was uitgevoerd en dat de verzekeringsartsen op de hoogte waren van de klachten van eiseres. De rechtbank concludeerde dat het UWV de WIA-uitkering terecht had geweigerd, omdat eiseres niet voldeed aan de criteria voor arbeidsongeschiktheid.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde het UWV in de proceskosten van eiseres, die op € 6.594,88 werden vastgesteld. Tevens moest het UWV het griffierecht van € 51,- aan eiseres vergoeden. De uitspraak werd openbaar gemaakt op www.rechtspraak.nl.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/2664 WIA

uitspraak van 13 januari 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. B.L. van den Oever,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV), verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering haar een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen.
1.1.
Het UWV heeft met het besluit van 31 juli 2023 (primair besluit) geweigerd per 20 juni 2023 aan eiseres een WIA-uitkering toe te kennen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 18 januari 2024 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
1.2.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en [vertegenwoordiger] namens het UWV.
1.4.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om het UWV in de gelegenheid te stellen te reageren op de door eiseres ingebrachte contra-expertise van WPEX van 5 februari 2025. Het UWV heeft vervolgens een rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van 4 april 2025, een gewijzigde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 4 april 2025 en een rapportage van de arbeidsdeskundige b&b van 7 april 2025 ingediend. Eiseres heeft op 6 mei 2025 hierop gereageerd.
1.5.
De rechtbank heeft het onderzoek op 25 november 2025 gesloten, nadat partijen is gevraagd of zij een nadere zitting wensen en geen van de partijen heeft aangegeven een nadere zitting op prijs te stellen. De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.

Beoordeling door de rechtbank

2. Aan het bestreden besluit heeft het UWV ten grondslag gelegd dat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De rechtbank zal beoordelen of dit juist is. Zij doet dit onder meer aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden
.
2.1.
Bij deze beoordeling is van belang of eiseres medische beperkingen heeft en
of zij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te
verwerven.
3. De rechtbank is van oordeel dat het UWV terecht de WIA-uitkering aan eiseres heeft geweigerd per 20 juni 2023. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3.1.
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Totstandkoming bestreden besluit
3.2.
Eiseres is werkzaam geweest als operator voor 36,92 uur. Voor dat werk is zij op 22 juni 2021 uitgevallen vanwege lichamelijke pijnklachten en mentale klachten. Bij einde wachttijd per 20 juni 2023 heeft het UWV met het primaire besluit de door eiseres aangevraagde WIA-uitkering afgewezen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Na het bezwaar van eiser heeft het UWV de afwijzing van de WIA-uitkering in stand gelaten.
Zijn de beperkingen juist vastgesteld?
4. Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapporten van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts b&b van het UWV.
4.1.
Een sociaal-medisch verpleegkundige heeft op 22 mei 2023 een gesprek met eiseres gehad. De verpleegkundige heeft een analyse gemaakt van relevante sociaal-medische dossiergegevens en anamnestische bevindingen in het spreekuur opgedaan. De verzekeringsarts heeft het dossier en de ontvangen informatie bestudeerd, eiseres gezien op een spreekuur op 21 juni 2023 en haar lichamelijk en psychisch onderzocht.
De verzekeringsarts rapporteert dat eiseres beperkingen heeft in het functioneren op persoonlijk en sociaal gebied. Eiseres heeft problemen op het gebied van stresshantering, waardoor stresserende factoren (deadlines, hoog handelingstempo en leidinggeven) beperkt dienen te worden. Daarnaast is ook conflicthantering beperkt. Eiseres heeft behoefte aan duidelijkheid en structuur, waardoor zij gebaat is bij enige voorspelbaarheid in het werk. Eiseres heeft moeite met het uiten van haar eigen gevoelens. Eiseres heeft als gevolg van een deel van de medische problematiek ook enkele beperkingen op fysiek gebied. Eiseres heeft problemen met handelingen waarbij intensief gebruik wordt gemaakt van de armen (zoals bijvoorbeeld bij tillen/dragen, duwen/trekken, frequent reiken en schroefbewegingen). Eiseres kan haar armen omhoog brengen, maar het is voor haar niet mogelijk om haar armen langdurig hoog te houden. Daarnaast heeft eiseres ook moeite met frequent buigen en langdurig gebogen actief zijn.
4.2.
De verzekeringsarts b&b heeft het dossier bestudeerd, waaronder de in bezwaar ontvangen brief van GGz Breburg van 12 oktober 2023.
De verzekeringsarts b&b rapporteert dat eiseres niet voldoet aan de criteria van ‘geen benutbare mogelijkheden’. In reactie op de bezwaargronden overweegt de verzekeringsarts b&b dat beperkingen slechts worden geduid als deze geobjectiveerd kunnen worden. Uit de brief van GGz van 12 oktober 2023 blijken meer beperkingen dan in de door de primaire verzekeringsarts opgestelde FML zijn opgenomen. De verzekeringsarts b&b acht een verdere beperking aangenomen ten aanzien van werken in zeer kleine ruimtes vanwege claustrofobie, werken in functies waar geweld zou kunnen optreden (beveiliging, surveillance op straat, politie op straat) en functies waarin een sterk beroep wordt gedaan op het geheugen of langdurig aangehouden intensieve aandacht is vereist.
De beperkingen en de belastbaarheid van eiseres zijn neergelegd in de FML van
5 januari 2024.
4.3.
Eiseres heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat het onderzoek van het UWV niet zorgvuldig is geweest, omdat zij niet in persoon is gezien door een verzekeringsarts b&b. Eiseres heeft in bezwaar gemotiveerd aangegeven dat zij zich niet kon vinden in de medische beoordeling van de primaire arts. Ondanks haar uitdrukkelijk verzoek om een hoorzitting in het bijzijn van een verzekeringsarts, heeft de verzekeringsarts b&b aangegeven een hoorzitting niet nodig te achten. Dit is in strijd met rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB).
Eiseres is daarnaast van mening dat de verzekeringsarts b&b bij het opstellen van de FML onvoldoende rekening heeft gehouden met de klachten en beperkingen. Eiseres heeft last van lichamelijke en psychische klachten. Er is sprake van een angststoornis en PTSS. Eiseres heeft paniekaanvallen en is hiervoor inmiddels onder behandeling bij GGz. De extra beperkingen die in bezwaar zijn aangenomen zijn onvoldoende. Eiseres is veel meer beperkt door haar klachten dan nu is aangenomen. Daarnaast heeft eiseres krachtverlies in haar armen en tintelingen in de handen. De chirurg vermoedt Thoracic Outlet Syndroom (TOS). De wachtlijst voor een TOS operatie is erg lang. Eiseres wordt door haar klachten ernstig beperkt in haar dagelijks functioneren. Eiseres is van mening dat zij gezien haar klachten, zowel psychisch als lichamelijk, op dit moment niet in staat is om werkzaamheden te verrichten. Met name de paniekaanvallen belemmeren haar enorm is haar dagelijks functioneren. Zij ziet niet hoe zij in een werksituatie kan functioneren.
Ter onderbouwing van haar beroep heeft eiseres een gecombineerd psychiatrisch verzekeringsgeneeskundig rapport van 5 februari 2025 overgelegd. De psychiater en de verzekeringsarts van WPEX hebben het dossier bestudeerd, op 5 november 2024 een spreekuur met eiseres gehouden, haar lichamelijk en psychisch onderzocht en informatie opgevraagd bij haar huisarts. In de rapportage wordt overwogen dat eiseres niet voldoet aan een van de criteria van het Schattingsbesluit om uit te gaan van een situatie van geen benutbare mogelijkheden. Verder wordt overwogen dat met de FML van 5 januari 2024 ruimschoots tegemoetgekomen wordt aan de rechtszijdig gestelde TOS. Er zijn namelijk geen afwijkingen geconstateerd bij lichamelijk, aanvullend en beeldvormend onderzoek door meerdere medisch specialisten. Daarentegen wordt deze FML niet geheel toereikend geacht waar het de gestelde PTSS en gegeneraliseerde angststoornis betreft. Daarom worden er beperkingen geadviseerd ten aanzien van het item 2.6. (emotionele problemen van anderen hanteren) en item 6.1. (perioden van het etmaal). Uit preventieve overweging bij een nog kwetsbare balans tussen belasting en belastbaarheid wordt een beperking geadviseerd voor werk in de avond (na 21.00 uur). Door het slaap-waakritme niet te verstoren wordt eiseres gefaciliteerd in de opbouw van een actievere en meer gestructureerde daginvulling.
4.6.
Ter zitting is afgesproken dat het UWV de door eiseres overgelegde rapportage van WPEX van 5 februari 2025 zal voorleggen aan een verzekeringsarts b&b en dat de gemachtigde van eiseres ten behoeve daarvan aan het UWV de door WPEX verkregen informatie van de huisarts toezendt. De verzekeringsarts b&b van het UWV heeft op 4 april 2025 gerapporteerd dat de ingebrachte medische informatie aanleiding geeft om het standpunt te wijzigen. Op beoordelingspunt 2.6. (emotionele problemen van anderen hanteren) wordt eiseres beperkt. De verzekeringsarts b&b ziet, anders dan WPEX, geen aanleiding om een beperking aan te nemen voor beoordelingspunt 6.1 werken in de avond (na 21.00 uur). De verzekeringsarts b&b ziet, gelet op het dagverhaal van eiseres, geen verstoring van het slaapwaakritme als belasting met werk tot 23.00 uur kan plaatsvinden. Ook op de fysiek belastende aspecten ziet de verzekeringsarts b&b geen aanleiding om de mogelijkheden op een ander niveau vast te leggen. Wel meent de verzekeringsarts b&b dat de fysieke belastbaarheid anders in de FML genoteerd moet worden vanwege de eenzijdige (rechts) afwijking aan de rechter dominante zijde. Deze wijzigingen zijn vastgelegd in de FML van 4 april 2025.
4.7.
De rechtbank stelt vast dat het UWV de FML in beroep heeft gewijzigd. Daaruit volgt dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en niet is voorzien van een deugdelijke motivering. De rechtbank zal beoordelen of het UWV dit gebrek in beroep heeft hersteld met de aanvullende rapportages van de verzekeringsarts b&b en arbeidsdeskundige b&b.
4.8.
De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek van het UWV, met de aanvullende rapportage van de verzekeringsarts b&b van 4 april 2025, op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit de rapporten van de primaire verzekeringsarts en de verzekeringsarts b&b blijkt dat zij op de hoogte waren van de door eiseres gestelde klachten en dat de in het dossier aanwezige medische informatie betrokken is in hun beoordeling. Er zijn geen aanwijzingen dat de verzekeringsartsen informatie misten om tot een zorgvuldige beoordeling te komen.
Eiseres is daarnaast in de primaire fase gezien door een verzekeringsarts. Dat zij niet in persoon is gezien door de verzekeringsarts b&b is niet in strijd met de uitspraak van de CRvB van 23 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1491. Deze uitspraak ziet op de situatie waarin in de primaire fase sprake is geweest van een onderzoek door een arts, niet zijnde een verzekeringsarts. Uit deze uitspraak volgt dat, als een betrokkene in de primaire fase niet is onderzocht door een verzekeringsarts, als uitgangspunt geldt dat in de bezwaarfase wel een spreekuurcontact met een verzekeringsarts moet hebben plaatsgevonden. Dit is in beginsel alleen anders als de verzekeringsarts b&b voldoende kan motiveren dat in het licht van de aard van de klachten en de beschikbare medische informatie, een spreekuurcontact geen toegevoegde waarde heeft. In dit geval heeft eiseres voorafgaand aan het primaire besluit het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts en deze verzekeringsarts heeft een psychisch en lichamelijk onderzoek verricht. Er is daarom op dit punt geen sprake van een gebrek in de besluitvorming dat in de bezwaarfase met een spreekuur van de verzekeringsarts b&b, of met een motivering van het achterwege laten van een spreekuur, moest worden hersteld. [1]
4.9.
Niet gebleken is dat in de FML van 4 april 2025 de beperkingen van eiseres zijn onderschat. Eiseres stelt dat de contra-expertise van WPEX gevolgd moet worden en dat de daarin aanvullend aangenomen beperkingen overgenomen moeten worden. De rechtbank stelt vast dat het UWV één van deze beperkingen niet heeft overgenomen in de FML van 4 april 2025, namelijk werken in de avond. De rechtbank kan de motivering van de verzekeringsarts b&b volgen dat het dagverhaal geen aanleiding geeft voor een beperking op dit aspect. Eiseres heeft onvoldoende onderbouwd dat het werken in de avond zal leiden tot een verstoring van het slaapwaakritme.
Zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt?
5. Een arbeidsdeskundige b&b van het UWV heeft, rekening houdend met de FML van 5 januari 2024, de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: Monteur (Sbc-code 267053), Medewerker Post & Med. Input Diensten/Scanstraat (Sbc-code 315133) en Monteur Printplaten (Sbc-code 111180).
De arbeidsdeskundige b&b heeft naar aanleiding van de gewijzigde FML gerapporteerd op 7 april 2025 dat de wijzigingen in de FML niet van invloed zijn op de geduide functies. De arbeidsdeskundige b&b heeft in de resultaat functiebeoordeling van 7 april 2025 gemotiveerd dat, uitgaande van de (aanvullend) vastgestelde beperkingen, eiseres de werkzaamheden kan verrichten die verbonden zijn aan deze functies.
5.1.
Het standpunt van eiseres dat de geduide functies niet passend zijn, vloeit voort uit haar opvatting dat haar medische beperkingen zijn onderschat. Zoals de rechtbank in overweging 4.9 heeft geconcludeerd is die opvatting niet juist. De beroepsgronden van eiseres geven de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de geselecteerde functies. De hiervoor genoemde functies mochten worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.
Is de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld?
6. Op basis van de inkomsten die eiseres met de geduide functies zou kunnen verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot de conclusie dat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Omdat eiseres tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid.
6.1.
Omdat pas recht bestaat op een WIA-uitkering bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer, heeft het UWV de WIA-uitkering terecht geweigerd per 20 juni 2023.

Conclusie en gevolgen

7. Gelet op de gewijzigde medische en arbeidskundige motivering in beroep berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering. Deze schending van artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerd, omdat aannemelijk is dat eiseres door deze schending niet is benadeeld. Ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Het arbeidsongeschiktheidspercentage blijft minder dan 35%.
7.1.
Dit leidt ertoe dat het beroep niet slaagt. Gelet op de toepassing van artikel 6:22 van de Awb wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten van eiseres in beroep en opgedragen het betaalde griffierecht te vergoeden. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.335,00 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor schriftelijke reactie op aanvullende rapportages en gewijzigde FML, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Verder wordt het UWV veroordeeld in de kosten van de contra-expertise. Eiseres heeft een factuur van WPEX overgelegd ter hoogte van € 4.259,88. Deze door het UWV niet betwiste kosten komen voor vergoeding in aanmerking.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 51,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 6.594,88.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E.C. Vriends, rechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 13 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: wettelijk kader

In artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Volgens artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.

Voetnoten

1.Vergelijk de uitspraak van de CRvB van 21 december 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2463.