In deze uitspraak beoordeelt de Rechtbank Zeeland-West-Brabant het beroep van eiseres tegen de weigering van het UWV om haar een WIA-uitkering toe te kennen. Het UWV had op 31 juli 2023 besloten om per 20 juni 2023 geen WIA-uitkering toe te kennen, omdat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Eiseres maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het UWV verklaarde dit bezwaar ongegrond op 18 januari 2024. De rechtbank behandelde de zaak op 18 februari 2025, waarbij eiseres en haar gemachtigde aanwezig waren, evenals een vertegenwoordiger van het UWV. Tijdens de zitting werd het onderzoek geschorst om het UWV de gelegenheid te geven te reageren op contra-expertise die door eiseres was ingediend. De rechtbank sloot het onderzoek op 25 november 2025, waarna de uitspraak volgde op 13 januari 2026.
De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht had vastgesteld dat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De rechtbank baseerde haar oordeel op de medische rapportages van de verzekeringsartsen van het UWV, die de beperkingen van eiseres hadden beoordeeld. Eiseres had aangevoerd dat het UWV niet zorgvuldig had gehandeld, omdat zij niet in persoon was gezien door een verzekeringsarts b&b. De rechtbank oordeelde echter dat de medische beoordeling voldoende zorgvuldig was uitgevoerd en dat de verzekeringsartsen op de hoogte waren van de klachten van eiseres. De rechtbank concludeerde dat het UWV de WIA-uitkering terecht had geweigerd, omdat eiseres niet voldeed aan de criteria voor arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde het UWV in de proceskosten van eiseres, die op € 6.594,88 werden vastgesteld. Tevens moest het UWV het griffierecht van € 51,- aan eiseres vergoeden. De uitspraak werd openbaar gemaakt op www.rechtspraak.nl.