ECLI:NL:RBZWB:2026:6103

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
02-324756-25 en 10-357516-24 (TTZGEV)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 57 SrArt. 2 OpiumwetArt. 10 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bezit en vervoer van heroïne en versnijdingsmiddelen

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft verdachte veroordeeld voor twee feiten: het bezit van bijna 40 kilogram versnijdingsmiddelen (paracetamol en cafeïne) bestemd voor de handel in heroïne en het vervoeren van ruim 67 kilo heroïne. De rechtbank verwierp het verweer van verdachte dat hij geen wetenschap had van de middelen in zijn auto en dat er sprake was van vormverzuim bij de doorzoeking.

De bewijslast werd gedragen door onder meer verklaringen van verbalisanten, het NFI-onderzoek en de omstandigheden rond de doorzoeking. Verdachte gaf wisselende en ongeloofwaardige verklaringen over de herkomst en aard van de stoffen. De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte beschikkingsmacht en wetenschap had over de drugs en versnijdingsmiddelen.

De rechtbank oordeelde dat de doorzoeking van de auto rechtmatig was, gelet op een melding van een verdachte situatie, eerdere justitiële antecedenten en zichtbare dozen in de auto. Verdachte werd veroordeeld tot 54 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest, rekening houdend met zijn jonge leeftijd, blanco strafblad, reclasseringsrapport en een overschrijding van de redelijke termijn. Tevens werd de auto van verdachte verbeurd verklaard.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 54 maanden gevangenisstraf en verbeurdverklaring van zijn auto voor bezit en vervoer van heroïne en versnijdingsmiddelen.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummers: 02-324756-25 en 10-357516-24 (TTZGEV)
vonnis van de meervoudige kamer van 9 juli 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 2003 te [plaats 1]
wonende te [plaats 1]
thans gedetineerd in de PI te [plaats 2] ( [adres] )
raadsvrouw mr. O. Saki, advocaat te Rotterdam

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 juni 2026, waarbij de officier van justitie, mr. J. Castelein, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
Parketnummer 02-324756-25
op 29 november 2025 bijna 40 kilogram versnijdingsmiddelen voor de handel in heroïne heeft vervoerd, dan wel aanwezig heeft gehad.
en
Parketnummer 10-357516-24
op 18 april 2024 in Hendrik-Ido-Ambacht of Dordrecht ruim 65 kilo heroïne heeft vervoerd, dan wel aanwezig heeft gehad

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
Met betrekking tot de zaak met parketnummer 10-357516-24 acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in 2024 bijna 40 kg versnijdingsmiddelen (zijnde paracetamol en cafeïne) voor de heroïnehandel voorhanden heeft gehad. Verdachte had zowel wetenschap als beschikkingsmacht over de spullen die zijn aangetroffen in de door hem bestuurde auto.
De officier van justitie acht onder parketnummer 02-324756-25 wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 67,92 kilo heroïne heeft vervoerd. De officier van justitie meent dat er geen sprake is van enig vormverzuim zoals de verdediging stelt, omdat helder is in het initiële proces verbaal waarom de politie besloot de auto te doorzoeken. Er zijn drie dozen in de auto aangetroffen met daarin 12 zakken met bruin poeder. Alle zakken met bruin poeder zijn onderzocht door het NFI en het poeder bleek heroïne te bevatten. Ook hier geldt als uitgangspunt dat de bestuurder de beschikkingsmacht en de wetenschap had van de aanwezigheid van deze harddrugs. De verklaringen van verdachte dat hij niets wist van de spullen in zijn auto zijn ongeloofwaardig en niet te verifiëren.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
parketnummer 10-357516-24
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen.
De verdediging stelt dat verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van paracetamol en cafeïne in zijn auto. Deze stoffen zijn legaal en het enkel voorhanden hebben hiervan is niet strafbaar. Verdachte heeft consequent verklaard dat hij dacht (een soort) zand te vervoeren. Er kan dan ook niet worden vanuit gegaan worden dat verdachte wetenschap had van een criminele bestemming.
parketnummer 02-324756-25
De verdediging stelt dat er sprake is van een vormverzuim. De omstandigheden uit het oorspronkelijke proces-verbaal leveren geen redelijk vermoeden van schuld aan een Opiumwetdelict op. Er is geen sprake van concrete, objectieve en verifieerbare feiten waaruit de verdenking voortvloeit die een doorzoeking op grond van artikel 96b van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) rechtvaardigde. Ook aan het aanvullende proces- verbaal, wat pas maanden later is opgesteld, kan niet de waarde worden gehecht die de officier van justitie hieraan wenst te hechten. Er ontbreken daarnaast objectieve verificatiemiddelen. Uit het horen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ter zitting kan niet de conclusie worden getrokken dat er sprake was van een verdenking die toepassing van artikel 96b Sv kon dragen. Er blijkt enkel dat er een overdracht van dozen was waargenomen, dat verdachte de bestuurder was van een voertuig waarin dozen zichtbaar waren en dat er justitiële antecedenten waren. Dit is onvoldoende om een doorzoeking van de auto te rechtvaardigen. Dit vormverzuim maakt dat er toepassing was van een ingrijpend dwangmiddel waarbij het nadeel bestond uit inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte. De verdediging bepleit bewijsuitsluiting van zowel het aantreffen van de dozen met heroïne, de bemonstering daarvan, de laboratoriumonderzoeken en alle daarop voortbouwende onderzoeksresultaten. Er dient om die reden vrijspraak te volgen.
Indien de rechtbank niet komt tot bewijsuitsluiting, meent de verdediging dat verdachte geen wetenschap had van wat er in de dozen zat en hij de dozen ook niet heeft gezien. Verdachte had het voertuig slechts kort (weer) in gebruik, het was donker, de achterruiten waren geblindeerd en hij heeft de achterbank niet gecontroleerd. Er is geen objectief aanknopingspunt waaruit blijkt dat verdachte de dozen kort voor het aantreffen heeft overgedragen (gekregen), zoals camerabeelden, onderschepte berichten, vingerafdrukken of DNA. Ook om deze reden dient volgens de verdediging daarom vrijspraak te volgen.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
parketnummer 10-357516-24
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat in de achterbak van de auto van verdachte tassen zijn aangetroffen met hierin bruin/geelkleurig poeder. Deze stoffen zijn getest zijn als paracetamol en coffeïne, zijnde een versnijdingsmiddel voor heroïne. Verdachte heeft hiervoor geen aannemelijke verklaring kunnen geven.
De stelling van de verdediging dat verdachte niet wist dat het versnijdingsmiddelen waren maar dat hij dacht dat het zand was, volgt de rechtbank niet. Verdachte heeft immers wisselend verklaard over de herkomst van de tassen. In zijn aanvankelijke verklaring heeft verdachte gezegd dat het zand was. Bij zijn aanhouding voor het feit met parketnummer 02-324756-25 heeft hij na confrontatie hiermee gezegd dat het zand goed werkte voor zijn oma. Bij de reclassering heeft verdachte gezegd dat hij dacht dat het cafeïne was en daarom goed was voor zijn oma. Dit is weliswaar geen bewijsmiddel, maar lijkt in de lijn te liggen van wat verdachte in verhoor heeft gezegd over het zand dat goed werkte voor zijn oma. Ter zitting heeft hij – weer anders – verklaard dat hij het zand had gekregen van een collega en dat hij dit wilde gaan gebruiken voor het ophogen van de tuin van zijn nicht. Nog los van al deze wisselende verklaringen, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de collega zo achteloos zou omgaan met versnijdingsmiddelen voor de handel in heroïne met deze waarde. Daarnaast heeft verdachte geen naam of andere gegevens gegeven van de collega van wie hij de tassen met het poeder zou hebben overgenomen. De rechtbank gaat daarom ook aan zijn laatste verklaring op zitting voorbij en gaat er vanuit dat verdachte als bestuurder van de auto behalve de beschikkingsmacht, ook de wetenschap heeft gehad van de versnijdingsmiddelen voor heroïne in zijn auto. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte deze middelen voorhanden heeft gehad.
parketnummer 02-324756-25
vormverzuim?
De rechtbank verwerpt de stelling van de verdediging dat hier sprake zou zijn van enig vormverzuim. De doorzoeking van de auto is gebeurd naar aanleiding van de gegevens zoals opgenomen in het proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 30 november 2025. Er was een melding van een burger die een verdachte situatie had waargenomen. Zij zag dat twee mensen zich verdacht gedroegen bij een auto. Kort daarna heeft zij nogmaals contact gehad met de politie en daarbij heeft zij vermeld dat zij zag dat er dozen werden overgeladen van een witte combo (bestelbus) naar de zwarte personenauto. Het kenteken van de personenauto gaf zij door aan de politie. Toen de zwarte personenauto via de politiesystemen werd gecontroleerd op het kenteken, is onder andere gezien dat de eigenaar van de auto eerder is aangehouden wegens het voorhanden hebben van versnijdingsmiddelen voor verdovende middelen. Er is een ANPR-registratie gedaan en er volgde snel een zogenaamde ‘hit’. De verbalisanten, die kort bij waren, hebben verdachte na enig tijd staande gehouden. In het voertuig waren dozen te zien die op de achterbank lagen. De bestuurder bleek de eigenaar van de auto te zijn. De rechtbank is van oordeel dat gelet op al deze omstandigheden er voldoende aanleiding was voor een verdenking die een doorzoeking van de auto rechtvaardigde op grond van artikel 96b Sv, omdat er een redelijk vermoeden kon zijn ontstaan van overtreding van de Opiumwet.
Beschikkingsmacht en wetenschap
Er stonden twee dozen op de achterbank van de auto en er stond één doos achterin de auto. De dozen op de achterbank waren zichtbaar vanaf de voorzijde van het voertuig. Verdachte was de bestuurder van de auto. Dat hiermee sprake was van beschikkingsmacht over alle dozen, staat dan ook vast. Verdachtes stelling, dat hij evenwel geen wetenschap had van de dozen en hij deze niet in zijn auto heeft zien staan, volgt de rechtbank niet. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de auto pas (kort) na de overdracht van de dozen moet hebben opgehaald. Hij had de auto naar eigen zeggen uitgeleend aan ene [naam] die hem de auto kennelijk kort voor zijn aanhouding liet ophalen in Oirschot nadat hij via zijn telefoon een locatie had doorgekregen. Deze verklaring is echter pas gekomen nadat verdachte zich maandenlang op zijn zwijgrecht heeft beroepen. Vervolgens is de stelling dat hij de auto had uitgeleend aan [naam] én dat deze hem weer heeft teruggegeven kort voor zijn aanhouding op geen enkele manier onderbouwd. Verdachte heeft kort na zijn aanhouding verklaard dat de aangetroffen telefoon niet van hem was en dat hij zelf geen telefoon bij zich had, zodat ook de stelling dat hij contact had met [naam] en via zijn telefoon de locatie had doorgekregen, tegenstrijdig is met hetgeen hij later heeft verklaard. Dat deze [naam] de door hem geleende auto zou teruggeven nadat hierin nét de dozen met ruim 67 kilo aan heroïne met een straatwaarde van bijna € 5.000.000 zouden zijn overgeladen, zonder dat verdachte hiervan wist, acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig. Daar komt nog bij dat de dozen dusdanig prominent aanwezig waren op de achterbank van de auto dat het, ook in het donker, onmogelijk is dat verdachte deze niet gezien heeft. De rechtbank hecht dan ook geen enkele waarde aan de enkele stelling van verdachte dat hij geen wetenschap had van de dozen met hierin de 67,92 kg heroïne in zijn auto. Verdachte heeft deze heroïne vervoerd zodat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
Parketnummer 10-357516-24
op 18 april 2024 te Hendrik-Ido-Ambacht om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of vervoeren van heroïne, zijnde heroïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet
behorende lijst I, voor te bereiden ongeveer 39.675 gram versnijdingsmiddelen (te weten paracetamol en coffeïne) voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit;
Parketnummer 02-324756-25
op 29 november 2025 te Breda, opzettelijk heeft vervoerd een hoeveelheid heroïne (van in totaal ongeveer 67.92 kg), zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft gezeten.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak. Indien de rechtbank hierin niet meegaat bepleit de verdediging een matiging van de straf gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte, het ontbreken van relevante justitiële documentatie, zijn beperkte rol, de beschermende factoren zoals beschreven door de reclassering en zijn persoonlijke omstandigheden.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee feiten. Hij heeft in 2024 bijna 40 kilo versnijdingsmiddelen voorhanden gehad voor de handel in heroïne en in 2025 heeft hij ruim 67 kilo heroïne vervoerd.
Heroïne is een harddrug. Dat heroïne zeer verslavend is, belangrijke signalen van het lichaam uitschakelt, een grote kans op een fatale overdosis kent en zodoende zeer slecht is voor de gezondheid, wordt als bekend verondersteld. Ook werkt het georganiseerde criminaliteit in de hand. Verdachte heeft op zijn manier een aandeel gehad in de heroïnehandel en dat is zeer kwalijk. De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat zijn rol in de heroïnehandel groter was dan die van een vervoerder van heroïne en versnijdingsmiddelen.
De persoon van verdachte
De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij zich gedurende langere tijd op zijn zwijgrecht heeft beroepen en pas nadat het dossier compleet was een verklaring heeft opgesteld om zijn betrokkenheid te ontkennen. In deze verklaring schuift verdachte alle verantwoordelijkheid voor zijn daden af. Hij geeft geen enkele openheid van zaken. En hoewel er geen sprake is van recidive, is de rechtbank van oordeel dat verdachte in 2024 al gewaarschuwd was toen hij werd aangehouden met de versnijdingsmiddelen in zijn auto. Desondanks heeft hij in 2025 een grote hoeveelheid heroïne vervoerd.
In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat hij nog jong is. Verdachte was ten tijde van het plegen van deze feiten respectievelijk 20 en 22 jaar. Daarnaast heeft hij een nagenoeg blanco strafblad.
Het reclasseringsrapport
In het rapport van 6 mei 2026 wordt door de reclassering geadviseerd om het volwassen strafrecht toe te passen, omdat zij - los van de jonge leeftijd – geen andere aanleiding heeft om het jeugdstrafrecht van toepassing te achten. De reclassering vindt het moeilijk in te schatten welke factoren een rol hebben gespeeld in het delictgedrag, doordat verdachte de feiten heeft ontkend en omdat er geen delictpatroon kon worden vastgesteld. Verdachte had mogelijk een financieel motief omdat hij geen inkomen had. Hij zegt zelf moeilijk nee te kunnen zeggen en is wellicht onvoldoende weerbaar of heeft onvoldoende weet hoe hij financiële problemen op adequate wijze moet oplossen. Beschermende factoren zijn de familieleden van verdachte. Het hebben van een stabiele dagbesteding is volgens de reclassering van belang. De rechtbank zal ook het volwassen strafrecht toepassen en rekening houden met de beschermende factoren.
De richtlijnen
Voor de bepaling van een passende strafrechtelijke reactie heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoudelijk Strafrecht (LOVS). Op het vervoer van een hoeveelheid harddrugs vanaf 20 kilo geeft het LOVS als oriëntatiepunt al 50 maanden gevangenisstraf of meer. Hier betreft het echter 67,92 kilo harddrugs, meer dan het driedubbele van 20 kilo. Daarnaast is er nog de bewezenverklaring van bijna 40 kilo versnijdingsmiddelen.
De overschrijding van de redelijke termijn
Bij de strafoplegging dient rekening te worden gehouden met het tijdsverloop in de zaak met parketnummer 10-357516-24. De rechtbank stelt namelijk vast dat het recht op een berechting binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, in deze zaak is geschonden. De redelijke termijn is op 19 april 2024 aangevangen, aangezien verdachte voor die zaak toen in verzekering is gesteld en daaruit redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat er strafvervolging tegen hem zou worden ingesteld. De behandeling van de zaak is niet afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de hiervoor genoemde termijn, terwijl de rechtbank geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht, die deze overschrijding rechtvaardigen. Dat maakt dat de redelijke termijn met twee maanden is overschreden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding het matigen van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben.
Conclusie
Gelet op al het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de geëiste straf recht doet aan zowel de ernst van de feiten als aan de persoon van verdachte waarbij ook rekening is gehouden met de jonge leeftijd, het blanco strafblad, het reclasseringsrapport en de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank legt dan ook een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden op, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.Het beslag

Het inbeslaggenomen voorwerp, een zwarte Volvo V40, wordt verbeurd verklaard. Het voorwerp is hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om naast de hoofdstraf verbeurdverklaring op te leggen, omdat de auto aan verdachte toebehoort en het onder parketnummer 02-324756-25 bewezen feit met behulp van de auto is begaan.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
Parketnummer 02-324756-25:om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
Parketnummer 10-357516-24:opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 54 (vierenvijftig) maanden gevangenisstraf;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Beslag
- verklaart verbeurd het volgende voorwerp: een personenauto, zwarte Volvo met [kenteken] met voorwerp nummer PL2000-2025320143-2935227.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.P.E. Mullers, voorzitter, mr. D.H. Hamburger en
mr. S. Tempel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.P.A.J. Joosen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 9 juli 2026.
De voorzitter is niet in de gelegenheid om dit vonnis mede te ondertekenen.