ECLI:NL:RBZWB:2026:6107

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
02-359011-24
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 38z SrArt. 63 SrArt. 287 SrArt. 289 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak moord, veroordeling doodslag na steekincident met messen

Op 11 november 2024 stak verdachte het slachtoffer meerdere malen met twee messen in de borst, wat leidde tot het overlijden van het slachtoffer. De rechtbank oordeelde dat niet bewezen kon worden dat verdachte met voorbedachte raad handelde, waardoor moord niet bewezen werd verklaard. Wel werd doodslag wettig en overtuigend bewezen verklaard.

Verdachte voerde een beroep op noodweer en noodweerexces aan, stellende dat hij na een aanval bewusteloos raakte en uit vrees handelde. De rechtbank verwierp dit beroep, omdat de noodweersituatie was geëindigd toen verdachte bewusteloos lag en hij daarna zelf de confrontatie opzocht. Ook was de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging disproportioneel en niet het onmiddellijke gevolg van een hevige gemoedsbeweging.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van twaalf jaar op, met aftrek van voorarrest, en een gedragsbeïnvloedende maatregel vanwege de hoge recidivekans en problematiek van verdachte. Daarnaast werden aan de benadeelde partijen affectieschade en uitvaartkosten toegekend, met wettelijke rente en een schadevergoedingsmaatregel.

De zaak werd inhoudelijk behandeld op 25 juni 2026 en het vonnis uitgesproken op 9 juli 2026 door de rechtbank Zeeland-West-Brabant te Middelburg. De rechtbank nam ook rapporten van het Pieter Baan Centrum en de reclassering mee in haar oordeel over de toerekenbaarheid en recidivegevaar.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van moord, veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf voor doodslag met gedragsbeïnvloedende maatregel en toekenning van schadevergoeding aan benadeelden.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-359011-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 9 juli 2026
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteland] (Nederlandse Antillen),
nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te [plaats 1] ,
raadsvrouw: mr. S. van Minderhout, advocaat te Breda.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 juni 2026, waarbij de officier van justitie mr. S.A.J. Louwers en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 11 november 2024 in [plaats 2] [slachtoffer] , al dan niet met voorbedachte raad, van het leven heeft beroofd door hem meerdere malen met twee messen in zijn borst te steken.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht niet bewezen dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, waardoor verdachte vrijgesproken moet worden van de (impliciet) primair ten laste gelegde moord. De (impliciet) subsidiair ten laste gelegde doodslag kan op basis van het dossier wel wettig en overtuigend worden bewezen, waarbij op zijn minst opzet in voorwaardelijke zin kan worden aangenomen.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de (impliciet) primair ten laste gelegde moord, nu niet kan worden bewezen dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Ten aanzien van de (impliciet) subsidiair ten laste gelegde doodslag kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat verdachte vol opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Met betrekking tot de vraag of er sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer, refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Opzet op de dood
Op basis van de bewijsmiddelen staat vast dat verdachte op 11 november 2024 in [plaats 2] meerdere malen met twee messen (onder meer) in de borst van het slachtoffer heeft gestoken, waardoor het slachtoffer is overleden. Verdachte heeft dit ook bekend. Door zo te handelen heeft verdachte tenminste bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer als gevolg van de messteken zou komen te overlijden. Deze kans heeft zich ook verwezenlijkt.
Moord of doodslag?
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of het handelen van verdachte gekwalificeerd kan worden als moord of doodslag. Voor een bewezenverklaring van moord moet komen vast te staan dat er sprake was van voorbedachte raad, wat inhoudt dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Naar het oordeel van de rechtbank kan niet bewezen worden dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Gelet op de confrontatie die tussen het slachtoffer en de verdachte in de woning heeft plaatsgevonden, waarop de rechtbank in het vervolg van dit vonnis zal ingaan, is het waarschijnlijk dat er sprake is geweest van een reactie van verdachte op deze confrontatie. Hierdoor kan niet worden uitgesloten dat verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Voor het overige bevat het dossier geen aanknopingspunten waaruit de rechtbank kan afleiden dat sprake is geweest van een weloverwogen besluit van verdachte om het slachtoffer van het leven te beroven. De voorbedachte raad en daarmee de moord kunnen daarom niet wettig en overtuigend bewezen worden. De rechtbank zal verdachte daarvan vrijspreken.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft dit feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Er zal daarom worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering:
- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting van 25 juni 2026;
- het proces-verbaal van bevindingen (beschrijving camerabeelden) van 14 november 2024, vanaf pagina 173 van het eindproces-verbaal;
- het rapport forensisch pathologisch onderzoek van het NFI van 4 december 2024, vanaf pagina 235 van het forensisch dossier;
- het rapport onderzoek naar biologische sporen van het NFI van 28 maart 2025, vanaf pagina 287 van het forensisch dossier.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
impliciet subsidiair
op 11 november 2024 te [plaats 2] [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] met messen, meermalen in de borst te steken.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

5.1.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hem een beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt. Verdachte is door het slachtoffer met een voorwerp op zijn hoofd geslagen, vlak nadat verdachte voor hem was weggelopen na een confrontatie tussen beiden in de woonkamer. Verdachte is door de klap bewusteloos op de grond gevallen. Nadat verdachte bijkwam, verkeerde hij in de veronderstelling dat hij het niet ging overleven. Hoewel het slachtoffer verdachte niet meer actief aanviel op dat moment, was de noodweersituatie niet beëindigd. Voor verdachte bestond er op het moment van bijkomen namelijk geen enkele reden om te veronderstellen dat het slachtoffer hem met rust zou laten. Hij bevond zich in een situatie van direct dreigend gevaar en vreesde voor een aanval van het slachtoffer. De situatie was zodanig bedreigend dat vluchten of onttrekking aan de aanranding geen reëel en redelijk alternatief was. Er was dan ook noodzaak tot verdediging. Indien de rechtbank van oordeel is dat het steken in de borst te ver ging en hiermee de grenzen van de noodzakelijke verdediging van zijn lijf zijn overschreden, dan is dat enkel het onmiddellijk gevolg geweest van een hevige gemoedsbeweging. De overschrijding van de grenzen door verdachte is gezien dit alles niet zo bovenmatig geweest dat dit aan een beroep op noodweerexces in de weg staat.
5.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat aan verdachte geen beroep op noodweer toekomt. De harde klap die het slachtoffer aan verdachte heeft uitgedeeld kan worden gezien als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich op dat moment mocht verdedigen. De noodweersituatie was echter geëindigd nadat verdachte door de klap op de grond terecht kwam en daar ruim een minuut bleef liggen. Op het moment dat verdachte weer opstond, was er geen sprake meer van een noodweersituatie. Verdachte heeft daarna zelf de confrontatie opgezocht, waardoor zijn gedragingen als aanvallend dienen te worden beschouwd. Indien de rechtbank van oordeel is dat verdachte zich zou hebben verdedigd in een noodweersituatie, dan heeft hij de grenzen van de noodzakelijke verdediging ver overschreden. Daarnaast had verdachte anders kunnen handelen, door bijvoorbeeld de woning te verlaten. Verder komt aan verdachte geen beroep op noodweerexces toe, omdat niets erop wijst dat verdachte heeft gehandeld vanuit een hevige gemoedsbeweging.
5.3.
Het oordeel van de rechtbank
Feiten en omstandigheden
Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat er sprake was van een conflict tussen verdachte en het slachtoffer over een fiets, waardoor verdachte boos was op het slachtoffer. Zij troffen elkaar de desbetreffende avond in de woning van een gezamenlijke kennis. Die avond hebben zich op meerdere momenten confrontaties voorgedaan tussen verdachte en het slachtoffer. De rechtbank onderscheidt op basis van de (beschrijving van de) camerabeelden twee fasen die de rechtbank voor de beoordeling van het beroep op noodweer(exces) relevant acht.
De eerste fase van het incident vangt aan op het moment dat op de camerabeelden te horen is dat het slachtoffer en verdachte ruzie hebben. Er lijken meerdere confrontaties in de woonkamer plaats te vinden. Na de laatste confrontatie in de woonkamer is te zien dat verdachte de hal inloopt. Kort daarop loopt het slachtoffer de hal in. Hij heeft in zijn linkerhand een langwerpig voorwerp vast. Het slachtoffer loopt op verdachte af en geeft hem met zijn rechterarm een harde klap. Op de camerabeelden is niet duidelijk te zien of het slachtoffer ook met zijn rechterarm een voorwerp vasthoudt. Verdachte valt direct na de klap neer en het slachtoffer loopt terug naar de woonkamer. De rechtbank stelt vast dat verdachte nadat hij is geslagen ongeveer 30 seconden roerloos op de grond ligt. In totaal ligt verdachte 1 minuut en 18 seconden op de grond. De rechtbank stelt verder vast dat de klap die verdachte heeft gekregen hard was, nu verdachte direct bewusteloos neerviel en er bij zijn aanhouding een wond op zijn achterhoofd is waargenomen.
Op basis van de camerabeelden stelt de rechtbank vast dat de tweede fase van het incident aanvangt op het moment dat verdachte na 1 minuut en 18 seconden opstaat. Hij begeeft zich vervolgens richting de keuken, waar hij twee keukenmessen uit het messenblok pakt. Verdachte verlaat de keuken met in iedere hand een mes. Het slachtoffer was op dat moment in de woonkamer. Van wat er daarna is gebeurd, zijn geen beelden. Wel is er ongeveer vijf keer een kort geluid te horen vanuit de woonkamer. Verdachte heeft bekend dat hij het slachtoffer in de woonkamer heeft gestoken. Enkele seconden later loopt verdachte terug de hal in, hij heeft dan nog twee messen in zijn hand. Het slachtoffer verlaat daarna de woning en hij wordt kort daarna voor de voordeur aangetroffen met steekverwondingen.
Noodweer
Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat het feit dat iemand begaat, is geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Van een ogenblikkelijke aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De enkele vrees of angst voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd, zodanig bedreigend zijn voor verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 van Pro het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr).
De rechtbank overweegt dat, op het moment dat verdachte door het slachtoffer werd geslagen in de eerste fase van het incident, sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waartegen hij zich mocht verdedigen. Deze noodweersituatie was echter beëindigd toen verdachte ruim een minuut bewusteloos op de grond lag en de tweede fase van het incident aanving. Er was op dat moment ook geen sprake meer van een onmiddellijk dreigend gevaar, nu het slachtoffer verdachte op de grond achter heeft gelaten en zich naar een andere kamer in de woning begaf. Zoals hiervoor overwogen, is de enkele vrees of angst bij verdachte niet voldoende. Dat er op dat moment nog gevaar van het slachtoffer uitging blijkt verder ook niet uit de camerabeelden. Verdachte heeft de hem verweten gedragingen naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem nog de noodzaak bestond tot verdediging van zijn eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Een beroep op noodweer kan daarom om die reden niet slagen. Het beroep op noodweer wordt verworpen.
Noodweerexces
Dat brengt de rechtbank bij de vraag of er sprake is van noodweerexces. In artikel 41, tweede lid, Sr is bepaald dat een persoon die de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschrijdt, niet strafbaar is, als die overschrijding een onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die door de aanranding is veroorzaakt. Noodweerexces kan in beeld komen wanneer aan alle voorgaande eisen is voldaan, behalve aan de proportionaliteitseis.
Het feit dat de noodweersituatie was geëindigd, zoals in deze zaak het geval is, sluit een geslaagd beroep op noodweerexces niet uit. Van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging kan ook sprake zijn indien, zoals in het onderhavige geval, op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de noodweersituatie reeds is geëindigd en de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat. Daarvoor is nodig dat de gedragingen van verdachte het onmiddellijke gevolg zijn geweest van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding. Onder omstandigheden kan een overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging in verhouding tot de aard en de intensiteit van de daaraan voorafgaande hevige gemoedsbeweging dermate disproportioneel zijn dat deze niet meer als ‘verontschuldigbaar’ onder noodweerexces kan vallen. In een dergelijk geval is de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging niet het ‘onmiddellijk gevolg’ van de hevige gemoedsbeweging.
De rechtbank acht zonder meer aannemelijk dat het op verdachte toegepaste geweld heeft bijgedragen aan de gemoedstoestand waarin verdachte verkeerde op het moment dat hij het slachtoffer stak. Dit betekent echter niet zonder meer dat het handelen van verdachte daarmee ook als verontschuldigbaar moet worden geoordeeld. De rechtbank is van oordeel dat een hevige gemoedsbeweging bij verdachte als onmiddellijk gevolg van de hiervoor weergegeven noodweersituatie in de hal in de eerste fase van het incident, niet aannemelijk is geworden. De rechtbank stelt in dit verband vast dat verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd over de aard en de intensiteit van de gestelde gemoedsbeweging, anders dan dat hij in de veronderstelling was dat hij zijn leven zou verliezen en/of de woning niet levend meer zou verlaten. Daar komt bij dat hij ter zitting heeft verklaard dat hij zich niet precies meer kan herinneren wat hij dacht op het moment dat hij besloot om de messen te pakken en het slachtoffer opnieuw te confronteren. Daarnaast bevatten de camerabeelden, anders dan de verklaringen van verdachte, geen of nauwelijks aanknopingspunten voor de door verdachte gestelde aard en intensiteit van zijn gemoedsbeweging. Het lijkt er eerder op dat verdachte boos is nadat hij is aangevallen. Dit past in het beeld van hetgeen zich eerder die avond in de woning heeft afgespeeld, te weten de meerdere confrontaties tussen verdachte en het slachtoffer en de sfeer die er heerste tussen beiden in het kader van het al langer lopende conflict. Dit geeft juist blijk van een situatie waarbij de reeds bestaande kwaadheid van verdachte jegens het slachtoffer doorslaggevend is geweest voor het steken en niet de gestelde paniek en angst die door het handelen van het slachtoffer was veroorzaakt. Daarnaast komt betekenis toe aan de mate waarin door verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden. Naar het oordeel van de rechtbank is de overschrijding van deze grenzen door verdachte in verhouding tot de aard en de intensiteit van de bij hem mogelijk aanwezige hevige gemoedsbeweging, dermate disproportioneel dat niet gesproken kan worden van een onmiddellijk gevolg van die hevige gemoedsbeweging.
Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte niet heeft gehandeld uit noodweerexces, zodat het beroep daarop wordt verworpen.
Conclusie
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit of de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaar, met aftrek van het voorarrest en de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel (verder: GVM) ex artikel 38z Sr.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij het bepalen van de hoogte van een straf acht te slaan op straffen die doorgaans worden opgelegd voor doodslag. Verder is verzocht om in strafmatigende zin rekening te houden met de jonge leeftijd van verdachte, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en dat verdachte nooit heeft gewild dat het slachtoffer zou komen te overlijden. Verder is artikel 63 Sr Pro van toepassing en is de redelijke termijn overschreden. Ten aanzien van de door de officier van justitie gevorderde GVM refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag. Tussen verdachte en het slachtoffer bestond een conflict en zij waren die avond in dezelfde woning aanwezig. Verdachte is op een gegeven moment door het slachtoffer aangevallen en bewusteloos geslagen. Nadat verdachte bijkwam heeft hij twee messen gepakt en heeft vervolgens opnieuw de confrontatie met het slachtoffer opgezocht. Verdachte heeft tijdens die confrontatie hevig geweld toegepast door het slachtoffer meerdere malen met twee messen in de borst te steken. Het slachtoffer is, ondanks de inzet van de hulpdiensten, kort daarna op de stoep voor de woning aan de steekverwondingen overleden.
Dat er sprake was van een conflict en het slachtoffer verdachte kort daarvoor heeft aangevallen, is geen rechtvaardiging voor het handelen van verdachte, zoals hiervoor reeds is overwogen. Verdachte heeft dan ook op volstrekt disproportionele wijze gereageerd op hetgeen is voorgevallen, met alle gevolgen van dien. Verdachte heeft zich door zo te handelen schuldig gemaakt aan een van de ernstigste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Met deze daad heeft verdachte het slachtoffer het meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, ontnomen. De nabestaanden van het slachtoffer is hiermee onherstelbaar leed toegebracht. Zij zullen hem voor altijd moeten missen. Dit is door de zus van het slachtoffer tijdens het door haar toegepaste spreekrecht duidelijk gemaakt. Zij sprak mede namens de familie van het slachtoffer. Uit het spreekrecht is gebleken dat het verdriet van de familie vanwege het plotselinge verlies van het slachtoffer enorm is en de impact van zijn gewelddadige dood groot is. Het slachtoffer was een geliefd familielid en nam als onder meer vader, zoon en broer een belangrijke plek in binnen de familie. Dat hij belangrijk was voor de familie blijkt ook uit de aanwezigheid van een groot aantal familieleden van het slachtoffer ter zitting. Dat hij op deze wijze van hen is afgenomen, neemt de rechtbank verdachte zeer kwalijk.
De nabestaanden zullen de gevolgen van dit verlies altijd moeten dragen. Daarnaast roept dit soort misdrijven ook in de samenleving gevoelens van angst en onveiligheid op. Dit geldt temeer omdat het slachtoffer nadat hij door verdachte is neergestoken naar buiten is gelopen en op de stoep voor de woning op de grond is gevallen, waar hij uiteindelijk ook aan zijn verwondingen is overleden. Diverse buurtbewoners zijn hierdoor geconfronteerd met het levenloze lichaam van slachtoffer. Het ligt in de rede dat dit bij hen een grote schok, angst en ontzetting teweeg heeft gebracht.
Persoonlijke omstandigheden
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij veelvuldig met politie en justitie in aanraking is gekomen en eerder is veroordeeld voor het plegen van geweldsfeiten. De rechtbank weegt dit in strafverzwarende zin mee bij de bepaling van de hoogte van de straf. Verder blijkt uit het strafblad dat artikel 63 Sr Pro van toepassing is. Dit heeft voor de strafoplegging geen invloed.
De rechtbank heeft kennis genomen van het rapport van het Pieter Baan Centrum (verder: PBC) van 16 maart 2026 van [persoon 1] , arts in opleiding tot psychiater, onder supervisie van [persoon 2] , psychiater, en [persoon 3] , klinisch psycholoog. Verdachte heeft maar beperkt meegewerkt aan het onderzoek van het PBC. De deskundigen hebben ondanks de beperkte medewerking van verdachte wel een diagnose kunnen stellen. Bij verdachte is sprake van een ongespecificeerde psychische stoornis en problemen in het middelengebruik (alcohol en drugs), waarvan de ernst onduidelijk is. Wat aan de psychische stoornis ten grondslag ligt is door de beperkingen van het onderzoek niet goed duidelijk geworden, nu de deskundigen nauwelijks zicht hebben gekregen op wat er in verdachte omgaat. Er zijn verder aanwijzingen voor posttraumatische stress-klachten bij verdachte en ook een schizofrene ontwikkeling kan niet worden uitgesloten. Daarnaast vermoeden de deskundigen dat er sprake is van complexe psychiatrische problematiek, maar zonder uitgebreid onderzoek kunnen zij daar geen uitspraken over doen. Ook zien de deskundigen aanwijzingen voor antisociale kenmerken in de persoonlijkheid. Omdat de ongespecificeerde psychische stoornis en de problemen in het middelengebruik al jaren aanwezig zijn, gaan de deskundigen ervan uit dat dit ook het geval was ten tijde van het plegen van het feit. De deskundigen hebben tijdens het onderzoek te weinig informatie gekregen om een advies te kunnen geven met betrekking tot de toerekenbaarheid van verdachte ten tijde van het feit. Ook hebben zij te weinig informatie verkregen om het risico op recidive in te kunnen schatten. De deskundigen kunnen geen advies geven over behandeling in een strafrechtelijk kader.
De rechtbank overweegt dat het bewezenverklaarde feit gelet op voornoemd rapport volledig aan verdachte toegerekend kan worden.
De rechtbank heeft verder kennis genomen van het rapport van de reclassering van 12 juni 2026. De reclassering ziet dat er op alle leefgebieden sprake is van problematiek en schat de kans op recidive in als hoog. Het sociaal netwerk van verdachte, zijn houding en middelengebruik zijn van directe invloed geweest bij de totstandkoming van het delict. Eerdere hulpverleningstrajecten zijn vroegtijdig negatief gestopt. Verdachte is onvoldoende zelfstandig in staat gebleken om zijn leven op een adequate manier op de rit te krijgen. Er lijkt bij verdachte sprake van beperkt probleembesef en reflecterend vermogen en daarnaast zijn er zorgen over zijn emotie- en agressieproblemen. De reclassering is daarom van mening dat dit vraagt om gerichte en langdurige interventies op verschillende leefgebieden. Geadviseerd wordt om naast een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf een GVM op te leggen, zodat gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden kunnen worden toegepast na een gevangenisstraf.
Redelijke termijn
Behoudens bijzondere omstandigheden behoort een zaak met een gedetineerde verdachte te zijn afgerond met een einduitspraak binnen 16 maanden na aanvang van de redelijke termijn. In dit geval moet de termijn worden gerekend vanaf 11 november 2024, te weten de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld. Op dat moment kon hij er rekening mee houden dat hij zou worden vervolgd. Op 9 juli 2026 wordt de zaak afgerond met een eindvonnis. In de tussenliggende periode heeft het nodige onderzoek plaatsgevonden, zijn er op verzoek van de verdediging getuigen gehoord door de rechter-commissaris en is de verdachte, vanwege zijn weigerachtige houding, onderzocht in het PBC. Daarnaast is de voorlopige hechtenis van verdachte in de tussenliggende periode kort geschorst om een andere openstaande gevangenisstraf uit te zitten. De rechtbank stelt dan ook vast dat de redelijke termijn met een aantal maanden is overschreden, maar verbindt daar, gelet op voornoemde, geen consequenties aan.
Strafoplegging
Naar het oordeel van de rechtbank is gelet op de ernst van het feit en de onomkeerbare gevolgen daarvan een gevangenisstraf van lange duur op zijn plaats. Bij de bepaling van de duur van die straf heeft de rechtbank, naast dat zij acht heeft geslagen op de impact die het gepleegde feit op de nabestaanden van het slachtoffer en de samenleving heeft gehad, aansluiting gezocht bij straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van twaalf jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
GVM
Naast de gevangenisstraf zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde GVM opleggen. Op die manier wordt het mogelijk om verdachte in aansluiting op de gevangenisstraf onder toezicht te stellen indien dat in verband met dan bestaande risico's noodzakelijk is. Aan de wettelijke vereisten voor oplegging van de maatregel is voldaan. Wat betreft de noodzaak tot deze maatregel overweegt de rechtbank dat verdachte maar beperkt openheid van zaken heeft willen geven, zeer beperkt heeft meegewerkt aan persoonlijkheidsonderzoek, en de herhalingskans door de reclassering wordt ingeschat als hoog. Gelet op de problematiek van verdachte en het beperkte probleembesef vraagt dit volgens de reclassering om langdurige begeleiding en interventies. De reclassering acht het bovendien mogelijk dat verdachte niet meewerkt aan op te leggen voorwaarden in het kader van een voorwaardelijke invrijheidsstelling (verder: v.i.) of zich daar gedurende de termijn aan onttrekt. Daarnaast is het ook mogelijk dat de v.i.-periode te kort is om alle doelen te halen. De rechtbank acht het daarom van belang dat verdachte na de gevangenisstraf onder toezicht kan blijven voor behandeling en begeleiding die hij nodig heeft om het recidivegevaar te beperken en om zo goed mogelijk te kunnen functioneren. Aldus acht de rechtbank de oplegging van deze maatregel noodzakelijk ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen.
Conclusie
De rechtbank zal verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf van twaalf jaar met aftrek van voorarrest, en zal aan verdachte de GVM opleggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.De vorderingen van de benadeelde partijen

Ontvankelijkheid
De verdediging heeft volstaan met een betwisting van de vorderingen van de benadeelde partijen, omdat de vorderingen twee dagen voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling zijn ingediend. De verdediging stelt dat als een vordering niet binnen een termijn van veertien dagen voor aanvang van het onderzoek ter terechtzitting ter kennis van de verdediging is gebracht, de verdediging in de regel zal kunnen volstaan met een betwisting zonder onderbouwing, met als gevolg de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in de betwiste onderdelen van de vordering.
Naar het oordeel van de rechtbank gaat dit standpunt in dit geval niet op. De vorderingen van de benadeelde partijen bestaan uit affectieschade en een factuur van de uitvaartkosten. De factuur is eenvoudig van aard en het kenmerk van affectieschade is dat deze wordt gevormd door forfaitaire bedragen voor een afgebakende kring van gerechtigden. Gelet op de aard van de vorderingen, de beperkte complexiteit ervan en de geringe omvang van de onderbouwing die eraan ten grondslag ligt, is de verdediging voldoende tijd gegund om behoorlijk te reageren. De benadeelde partijen zijn dan ook ontvankelijk in hun vorderingen.
Affectieschade
De nabestaanden van het slachtoffer, te weten [benadeelde 1] (de moeder van het slachtoffer), [benadeelde 2] (de zoon van het slachtoffer) en [benadeelde 3] (de zoon van het slachtoffer) vorderen ieder afzonderlijk € 17.500,- aan vergoeding voor affectieschade. De benadeelde partijen vorderen vermeerdering van de gevorderde bedragen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
In artikel 6:108, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) wordt een beperkte (limitatief opgesomde) kring van gerechtigden genoemd die aanspraak kunnen maken op affectieschade. Het betreft ouders, partners en kinderen van het overleden slachtoffer. Voornoemde benadeelde partijen behoren als moeder en zoons van het slachtoffer allen tot de in artikel 6:108, vierde lid, BW genoemde kring van gerechtigden. Door de verdediging zijn de vorderingen betwist in die zin dat de familieband tussen de benadeelden en het slachtoffer onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank heeft echter, mede gelet op de aanvullende stukken die de raadsvrouw van de benadeelde partijen ter zitting aan de rechtbank heeft doen toekomen en de toelichting daarop, geen enkele reden om aan de familierechtelijke band tussen de benadeelde partijen en het slachtoffer te twijfelen. De vorderingen komen dan ook voor vergoeding van affectieschade in aanmerking. De hoogte van de gevorderde bedragen zijn in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade. De rechtbank zal de door de benadeelde partijen gevorderde affectieschade daarom toewijzen.
De rechtbank zal voor alle toegewezen schade van de benadeelde partijen ook de gevorderde wettelijke rente toewijzen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 11 november 2024. Daarnaast zal de rechtbank voor alle toegewezen schade van de benadeelde partijen de gevorderde schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
Uitvaartkosten
De nabestaande van het slachtoffer [benadeelde 2] (de broer van het slachtoffer) vordert schadevergoeding van een bedrag van € 3.700,- als gevolg van materiële schade bestaande uit de uitvaartkosten.
De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt die verband houden met de uitvaart. Voldoende is komen vast te staan dat die kosten zijn aan te merken als kosten voor lijkbezorging als bedoeld in artikel 6:108, tweede lid, BW. De opgevoerde schadeposten zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk en door de verdediging onvoldoende gemotiveerd betwist. De rechtbank zal de gevorderde uitvaartkosten toewijzen.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip vanaf het moment dat de schade is ontstaan, te weten het moment van overschrijving op 13 november 2024. De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 38z, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.Beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
-
spreekt verdachte vrijvan het impliciet primair ten laste gelegde feit;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
impliciet subsidiair:
doodslag
-verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 12 (twaalf) jaar;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Maatregel
- legt de verdachte op
de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of
vrijheidsbeperkingals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht;
Benadeelde partijen
[benadeelde 1]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van € 17.500,- wegens immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 11 november 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1] , € 17.500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 11 november 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 112 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
[benadeelde 2]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2] van € 17.500,- wegens immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 11 november 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde 2] , € 17.500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 11 november 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 112 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
[benadeelde 3]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 3] van € 17.500,- wegens immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 11 november 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde 3] , € 17.500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 11 november 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 112 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
[benadeelde 2]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2] van € 3.700,- wegens materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 13 november 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde 2] , € 3.700,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 13 november 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 37 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Bergen, voorzitter, en mr. H. Skalonjic en
mr. C.M.B. Gijselman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. Holtgrefe, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 9 juli 2026.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 11 november 2024 te [plaats 2]
[slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade
van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] met (een) mes(sen), althans
met een scherp voorwerp, meermalen in de borst en/of het lichaam te
steken en/of te snijden;
(art 289/287 Wetboek van Strafrecht)