ECLI:NL:RBZWB:2026:6113

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
11530496 CV EXPL 25-517 (E)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Van Dam
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontbinding leaseovereenkomst wegens geringe betalingsachterstand

Partijen sloten op 20 februari 2024 een financiële leaseovereenkomst voor een bedrijfsauto met een totale leaseprijs van €24.613,90, te betalen in 60 maandelijkse termijnen. De verhuurder [B.V.] ontbond de overeenkomst buitengerechtelijk op 2 december 2024 wegens betalingsachterstanden en sommeerde de huurder tot afgifte van de auto en betaling van openstaande bedragen.

De huurder gaf geen gehoor aan de sommatie, waarna [B.V.] de ontbinding en betaling van diverse bedragen vorderde. De huurder stelde dat de ontbinding onrechtmatig was en vorderde een schadevergoeding. De rechtbank oordeelde dat op het moment van ontbinding slechts één leasetermijn openstond, na gedeeltelijke betaling, en dat deze geringe tekortkoming de ontbinding niet rechtvaardigt.

Daarom wees de rechtbank de gevorderde verklaring voor recht en ontbinding af. Ook de vorderingen tot betaling en afgifte van de auto werden afgewezen. De ontbinding door [B.V.] werd onrechtmatig verklaard, maar de gevorderde schadevergoeding werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De proceskosten werden gecompenseerd.

Uitkomst: De rechtbank wijst de ontbinding van de leaseovereenkomst af omdat slechts één leasetermijn openstond, en verklaart de ontbinding door de verhuurder onrechtmatig.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer: 11530496 \ CV EXPL 25-517
Vonnis van 8 juli 2026
in de zaak van
[B.V.],
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [B.V.] ,
gemachtigde: Janssen & Janssen c.s. Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[huurder] , H.O.D.N. [bedrijf],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [huurder] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 7 mei 2025, met de daarin genoemde stukken,
- de conclusie van antwoord in reconventie,
- de mondelinge behandeling van 2 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de akte uitlating/stand van zaken vso van [B.V.] d.d. 11 februari 2026,
- het e-mailbericht van (de partner van) [huurder] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 20 februari 2024 hebben partijen een huurkoopovereenkomst (financiële leaseovereenkomst) gesloten met betrekking tot de bedrijfsauto, merk Toyota Auris, met [kenteken] (hierna: de auto). De totale leaseprijs bedraagt € 24.613,90 en dient in 60 maandelijkse termijnen van € 333,44 bij vooruitbetaling te worden voldaan vóór of op de eerste werkdag van iedere kalendermaand, waarbij de laatste termijn zal worden verhoogd met € 4.607,50.
2.2.
Per deurwaardersexploot van 2 december 2024 heeft [B.V.] de overeenkomst met [huurder] ontbonden en [huurder] gesommeerd tot afgifte van de auto alsmede over te gaan tot betaling van een totaalbedrag van € 21.865,58, bestaande uit het totaal van de leasetermijnen die hij bij het in stand blijven van de overeenkomst had moeten betalen, vermeerderd met incassokosten en rente.
2.3.
[huurder] heeft geen gevolg gegeven aan de sommatie.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[B.V.] vordert - samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
a. te verklaren voor recht dat de huurovereenkomst met betrekking tot de auto is ontbonden, dan wel deze te ontbinden per de datum van dit vonnis, en
[huurder] te veroordelen tot
b. afgifte van de auto, zulks op straffe van een dwangsom,
c. betaling van € 23.885,20, te vermeerderen met de rente van 18% per jaar over
€ 22.279,82,
d. betaling van de proceskosten,
e. betaling van € 859,10 indien [B.V.] tot inname van de auto moet overgaan,
f. betaling van € 211,75 indien [B.V.] tot aangifte bij de politie moet overgaan.
3.2.
[B.V.] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [huurder] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen voortvloeiende uit de overeenkomst, door een achterstand te laten ontstaan in de betaling van de leasetermijnen. [huurder] is daarmee in verzuim geraakt. Op grond van artikel 43 van Pro de algemene voorwaarden en/of art. 6:265 lid 1 BW Pro was [B.V.] gerechtigd om over te gaan tot ontbinding van de overeenkomst. Nadat [B.V.] de overeenkomst buitengerechtelijk heeft ontbonden, is [huurder] niet overgegaan tot het inleveren van de auto dan wel tot betaling van het door hem verschuldigde bedrag. Omdat de leastermijnen niet (tijdig) zijn voldaan, moet [huurder] ook de rente en incassokosten betalen.
3.3.
[huurder] voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
[huurder] vordert - samengevat – dat de kantonrechter voor recht verklaart dat de ontbinding door [B.V.] onrechtmatig was, [B.V.] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding van € 1.200,- te vermeerderen met de wettelijke rente, met veroordeling van [B.V.] in de proceskosten.
3.6.
[B.V.] voert verweer.
3.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
4.1.
Uit de dagvaarding volgt dat [B.V.] de overeenkomst op 2 december 2024 heeft ontbonden na het onbetaald blijven van de termijnen genoemd in de facturen van
22 juni, 22 oktober en 22 november 2024 (alle ter hoogte van € 333,44). Ten aanzien van de termijnen van 22 juni en 22 oktober 2024 is op 11 november 2024 een aanmaning verstuurd. Vervolgens is op 15 november 2024 een bedrag van € 693,45 voldaan, zodat op het moment van ontbinding slechts één termijn openstond. Dit betreft een tekortkoming die vanwege haar geringe betekenis de ontbinding van de overeenkomst met haar gevolgen niet rechtvaardigt. [1] Gelet hierop zal de verzochte verklaring voor recht worden afgewezen.
4.2.
Ook de (subsidiair) gevorderde ontbinding per datum vonnis is gegrond op de stelling dat de drie hiervoor genoemde facturen niet zijn betaald. Om dezelfde redenen genoemd als in rechtsoverweging 4.1., gaat dit niet op. Het overzicht van 11 februari 2026 maakt dit oordeel ook niet anders, omdat dit overzicht niet is toegelicht en [B.V.] ook niet haar stellingen, eis of grondslag heeft gewijzigd.
4.3.
Het voorgaande heeft tot gevolg dat aan het vaststellen van de beëindigingsvergoeding en overige vorderingen niet wordt toegekomen. De conclusie is dan ook dat ook die vorderingen van [B.V.] worden afgewezen.
4.4.
[B.V.] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [huurder] worden begroot op nihil.
in reconventie
4.5.
Hierboven is reeds geoordeeld dat de ontbinding van de overeenkomst door [B.V.] niet rechtsgeldig en daarmee onrechtmatig was. De gevorderde verklaring voor recht is daarmee toewijsbaar.
4.6.
[huurder] heeft voorts een bedrag van € 1.200,00 aan immateriële schadevergoeding gevorderd. Deze vordering wordt afgewezen omdat deze niet is onderbouwd.
4.7.
Nu partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, worden de proceskosten gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van [B.V.] af,
5.2.
veroordeelt [B.V.] in de proceskosten aan de zijde van [huurder] tot op heden begroot op nihil.
in reconventie
5.3.
verklaart voor recht dat de ontbinding van de overeenkomst door [B.V.] onrechtmatig was,
5.4.
wijst de overige vorderingen van [huurder] af,
5.5.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Dam en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.

Voetnoten

1.6:265 lid 1 BW