Uitspraak
1.Het verloop van de procedures
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord;
- de mondelinge behandeling van het geschil ter zitting van 11 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze civiele procedure vordert een makelaarskantoor betaling van vergoeding en opstartkosten van een man die samen met een vrouw een opdracht tot verkoop van hun gezamenlijke woning had gegeven. Na beëindiging van hun relatie bleef de man in de woning wonen. Het makelaarskantoor baseert haar vordering op de overeenkomst en toepasselijke algemene voorwaarden.
De man betwist de vordering en stelt dat de opdracht was ingetrokken, wat de rechtbank verwerpt omdat de opdracht alleen gezamenlijk kon worden ingetrokken en de vrouw dit niet heeft gedaan. De rechtbank oordeelt dat de man gehouden is tot betaling van de vergoeding en opstartkosten, en dat de rente vanaf 8 mei 2023 verschuldigd is, omdat de man toen kennis had van de factuur.
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en kosten van een eerdere procedure worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs van aanmaning en omdat eerdere proceskostenveroordelingen niet kunnen worden herzien. In de vrijwaringsprocedure wijst de rechtbank de vordering van de man tegen de vrouw af, mede gelet op een vaststellingsovereenkomst waarin de woning aan de man is toebedeeld en hij de kosten aanvaardt.
De man wordt veroordeeld tot betaling van €4.873,50 plus wettelijke rente en proceskosten van €1.239,21. De vordering tegen de vrouw wordt afgewezen en zij wordt niet in de proceskosten veroordeeld.
Uitkomst: De man wordt veroordeeld tot betaling van makelaarsvergoeding, opstartkosten en rente, terwijl de vordering tegen de vrouw wordt afgewezen.