ECLI:NL:RBZWB:2026:6159

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
BRE 24/3060
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:3 AwbArt. 7:15 AwbArt. 121 lid 1 onder d WaterschapswetArt. 120 Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen aanslag watersysteemheffing en afwijzing kostenvergoeding

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag watersysteemheffing voor 2023, gebaseerd op een WOZ-waarde van een woning. De heffingsambtenaar van het Waterschap verlaagde de aanslag na bezwaar, maar wees een verzoek om kostenvergoeding af. De rechtbank beoordeelde of het hoorrecht was geschonden en of de kostenvergoeding terecht was afgewezen.

De rechtbank oordeelde dat de hoorplicht niet was geschonden omdat de heffingsambtenaar van het Waterschap de strekking van het bezwaar volledig had gevolgd, namelijk de aangepaste WOZ-waarde van de gemeente. De rechtbank stelde dat de heffingsambtenaar van het Waterschap gebonden is aan de WOZ-beschikking van de gemeente en dat het verlagen van de aanslag niet wijst op een onrechtmatigheid van het Waterschap.

Verder wees de rechtbank het verzoek om vergoeding van de kosten van de bezwaarprocedure af, omdat de wet alleen vergoeding toestaat bij een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid, die hier niet was vastgesteld. Ook het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen, ondanks een overschrijding van ongeveer negen maanden, omdat het financiële belang onvoldoende was aangetoond.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor belanghebbende geen kostenvergoeding of griffierecht terugkrijgt. De uitspraak werd gedaan door rechter M.M. Dondorp-Loopstra op 2 juli 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag watersysteemheffing wordt ongegrond verklaard en het verzoek om kostenvergoeding en immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/3060

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 2 juli 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: [gemachtigde] , verbonden aan [bedrijf] ),
en
de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant (Waterschap Brabantse Delta), de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van 5 maart 2024.
1.1.
Aan belanghebbende is ter zake van de onroerende zaak [adres] (de woning) voor het jaar 2023 een aanslag watersysteemheffing gebouwd opgelegd van € 298,96 berekend naar een heffingsmaatstaf van € 1.010.000 (de aanslag watersysteemheffing).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft de aanslag watersysteemheffing bij uitspraak op bezwaar verminderd tot € 207,20, berekend naar een heffingsmaatstaf van € 700.000. Daarbij is het verzoek van belanghebbende om een kostenvergoeding afgewezen.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende, [gemachtigde] , en namens de heffingsambtenaar [persoon] .
1.5.
Aan het slot van de zitting heeft de rechtbank een schriftelijke uitspraak aangekondigd. De rechtbank heeft partijen geïnformeerd dat deze termijn niet haalbaar is gebleken. De rechtbank betreurt dat.

Feiten

2. De waarde van de woning is op waardepeildatum 1 januari 2022 door de heffingsambtenaar van Gemeente Geertruidenberg bij beschikking vastgesteld op € 1.010.000 (hierna: de WOZ-beschikking). Daartegen heeft belanghebbende op 12 juli 2023 bezwaar gemaakt.
2.1.
Op 30 september 2023 is de aanslag watersysteemheffing aan belanghebbende opgelegd.
2.2.
Op 11 oktober 2023 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de aanslag watersysteemheffing. Voor de onderbouwing daarvan verwijst belanghebbende naar de motivering van het bezwaar tegen de WOZ-beschikking.
2.3.
Op/omstreeks 19 december 2023 heeft de heffingsambtenaar van Gemeente Geertruidenberg uitspraak gedaan over het bezwaarschrift tegen de WOZ-beschikking. Het primaire standpunt (vernietiging) is afgewezen. Het subsidiaire standpunt is gevolgd (vermindering van de waarde tot € 700.000).
2.4.
Op 5 maart 2024 heeft de heffingsambtenaar (van het Waterschap) uitspraak gedaan over het bezwaarschrift tegen de aanslag watersysteemheffing. Daarbij is de grondslag voor de heffing verlaagd tot € 700.000. De heffingsambtenaar (van het Waterschap) heeft ervan afgezien om belanghebbende te horen. Het verzoek om vergoeding van de kosten van de bezwaarprocedure is afgewezen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar (van het Waterschap) het hoorrecht van belanghebbende heeft geschonden en of het verzoek tot vergoeding van de kosten van de bezwaarprocedure terecht is afgewezen.
3.1
Naar het oordeel van de rechtbank komt het verzoek tot vergoeding van de kosten van bezwaar niet voor toewijzing in aanmerking. Ook is de rechtbank van oordeel dat de hoorplicht niet is geschonden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Overwegingen

Schending hoorplicht?
4. Belanghebbende stelt dat de hoorplicht is geschonden. Hij voert daartoe aan dat in het bezwaarschrift is verzocht om een hoorgesprek, maar aan dit verzoek ten onrechte geen gehoor is gegeven. De heffingsambtenaar (van het Waterschap) betwist de schending.
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat de stelling omtrent de schending van de hoorplicht voor het eerst ter zitting is ingenomen. Dat brengt mee dat de rechtbank beoordeelt of dit in strijd komt met de goede procesorde. De heffingsambtenaar (van het Waterschap) heeft zich niet beroepen op de bescherming van zijn procespositie in het licht van de goede procesorde. De rechtbank ziet daarom geen reden om een tardief-verklaring uit te spreken voor dit geschilpunt en zal het op zijn merites beoordelen.
4.2.
De rechtbank stelt vast dat belanghebbende in het bezwaarschrift heeft verzocht om te worden gehoord. Echter, de motivering van het bezwaarschrift was volledig gekoppeld aan het bezwaarschrift tegen de WOZ-beschikking. De heffingsambtenaar (van het Waterschap) is naar het oordeel van de rechtbank volledig tegemoet gekomen aan de strekking van het betoog van belanghebbende (inhoudende: gelieve de uitkomst van het bezwaar tegen de WOZ-beschikking te volgen). De omstandigheid dat de heffingsambtenaar van Gemeente Geertruidenberg in de WOZ-bezwaarprocedure niet volledig aan de stellingen van belanghebbende tegemoet is gekomen, maakt dat niet anders. Immers, de toets van het ‘volledig tegemoetkomen’
in deze procedurevindt plaats ten aanzien van de functievervulling door de heffingsambtenaar van het Waterschap, niet door de heffingsambtenaar van Gemeente Geertruidenberg.
4.3.
De rechtbank is daarom van oordeel dat de heffingsambtenaar (van het Waterschap) op grond van artikel 7:3, onder e, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inderdaad mocht afzien van het horen van belanghebbende. De hoorplicht is dus niet geschonden.
Vergoeding van de kosten voor de bezwaarfase
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
4.4.
Artikel 7:15, tweede lid, van de Awb bepaalt dat de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
4.5.
Vast staat dat de aanslag watersysteemheffing te hoog was en bij uitspraak op bezwaar is verminderd. Belanghebbende bepleit dat reeds het openstellen van de bezwaarmogelijkheid meebrengt dat recht bestaat op een kostenvergoeding. Ook bepleit belanghebbende dat hij vanwege het moeten inschakelen van een gemachtigde kosten heeft moeten maken en een afwijzing van de kostenvergoeding een onredelijke uitkomst is. De rechtbank volgt belanghebbende niet in zijn betoog.
4.6.
De rechtbank stelt voorop dat voor de watersysteemheffing ter zake van gebouwde onroerende zaken als heffingsmaatstaf geldt de waarde die voor de onroerende zaak wordt bepaald op de voet van de Wet waardering onroerende zaken (de Wet WOZ). [1] Daarbij is een gemeente verantwoordelijk voor de waardevaststelling. Een waterschap is slechts afnemer van de WOZ-waardegegevens van een gemeente. Dit houdt in dat de heffingsambtenaar (van het Waterschap) niet alleen gebonden is aan een WOZ-beschikking van gemeente Geertruidenberg, maar bovendien ook lijdelijk is met betrekking tot de totstandkoming daarvan.
4.7.
Het voorgaande betekent dat wanneer in de bezwaarprocedure tegen een aanslag watersysteemheffing wordt opgekomen tegen de grondslag van de heffing (die gekoppeld is aan de WOZ-waarde), de uitspraak op bezwaar afhankelijk wordt van de WOZ-beschikking van de gemeente. De heffingsambtenaar (van het Waterschap) moet zich in de uitspraak op bezwaar immers conformeren aan de WOZ-beschikking (zie overweging 4.6). De heffingsambtenaar (van het Waterschap) heeft bij een gewijzigde WOZ-waarde dus geen andere mogelijkheid dan het bezwaar gegrond te verklaren en de aanslag watersysteemheffing aan te passen overeenkomstig de nieuwe WOZ-waarde. Naar het oordeel van de rechtbank is de gegrondverklaring van het bezwaar in een dergelijk geval niet gelegen in een aan de heffingsambtenaar (van het Waterschap) te wijten onrechtmatigheid. Andere redenen waarom mogelijk sprake zou zijn van een onrechtmatigheid heeft belanghebbende niet aangevoerd.
4.8.
Ook de omstandigheid dat belanghebbende geen vergoeding zou krijgen terwijl hij wel kosten heeft gemaakt, slaagt niet. De Algemene wet bestuursrecht is een wet in formele zin. De keuze van de wetgever om als voorwaarde te stellen dat sprake moet zijn van een onrechtmatigheid kan niet op rechtmatigheid worden getoetst. [2]
4.9.
Het argument dat de enkele openstelling van de bezwaarmogelijkheid behelst dat recht bestaat op een kostenvergoeding volgt de rechtbank evenmin. Er zijn meer redenen denkbaar om bezwaar aan te tekenen tegen de aanslag watersysteemheffing dan de koppeling met de WOZ-waarde. Een belastingplichtige moet ook de mogelijkheid hebben om tegen de aanslag watersysteemheffing op te komen indien (bijvoorbeeld, maar niet uitputtend) sprake is van toepassing van een verkeerd tarief, een overschrijding van de opbrengstlimiet of een onrechtmatigheid in de totstandkoming van de belastingverordening. Dat alles is in deze procedure niet aan de orde gesteld.
4.10.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft de heffingsambtenaar (van het Waterschap) het verzoek tot vergoeding van de kosten van bezwaar terecht afgewezen.
Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
4.8
Belanghebbende heeft op 25 februari 2026 een verzoek ingediend voor de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het geschil beslecht had moeten zijn.
4.9
De redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg bedraagt een periode van twee jaar, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift. De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 24 oktober 2023. De rechtbank doet uitspraak op 2 juli 2026. De redelijke termijn is dus overschreden met afgerond 9 maanden. Belanghebbende maakt echter niet aannemelijk dat het financiële belang van deze procedure meer dan € 1.000 is. [3] Gelet hierop volstaat de rechtbank met de constatering dat, naar zij betreurt, de redelijke termijn is overschreden. Het verzoek om een immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende geen kostenvergoeding krijgt voor de bezwaarfase. Omdat het beroep ongegrond is krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug en krijgt belanghebbende ook geen vergoeding van zijn proceskosten in beroep.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, in aanwezigheid van I.H.D.P. van Doezelaar, griffier, op 2 juli 2026. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 121, eerste lid, onder d, van de Waterschapswet.
2.Toetsingsverbod van artikel 120 van Pro de Grondwet.
3.Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.