ECLI:NL:RBZWB:2026:616

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
02-443881 FA RK 26-169
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Triest
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 Brussel II-terVerordening (EU) 2019/1111
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanvaarding bevoegdheid Nederlandse rechter inzake ouderlijke verantwoordelijkheid minderjarige

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 3 februari 2026 de bevoegdheid aanvaard om te beslissen over de ouderlijke verantwoordelijkheid van een minderjarige die oorspronkelijk in België is geboren en onder een Belgische kinderbeschermingsmaatregel valt.

De moeder en de minderjarige hebben de Nederlandse nationaliteit en wonen in Nederland, waar de minderjarige in een pleeggezin verblijft. De rechtbank van Antwerpen verzocht de Nederlandse rechtbank de bevoegdheid over te nemen omdat de Nederlandse rechter beter in staat wordt geacht het belang van het kind te beoordelen.

De rechtbank oordeelde dat de minderjarige een bijzondere band heeft met Nederland en dat het in het belang van het kind is dat de Nederlandse rechter de bevoegdheid uitoefent. De aanvaarding van de bevoegdheid betekent niet dat de lopende Belgische procedure wordt overgedragen; er moet een nieuw verzoek in Nederland worden ingediend.

Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch binnen drie maanden na betekening of kennisname.

Uitkomst: De rechtbank Zeeland-West-Brabant aanvaardt de bevoegdheid om te beslissen over de ouderlijke verantwoordelijkheid van de minderjarige op grond van artikel 12 Brussel II-ter.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/443881 / FA RK 26-169
Datum uitspraak: 3 februari 2026
Beschikking over bevoegdheid (op grond van artikel 12 Brussel Pro II-ter)
in de zaak van
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG ANTWERPEN,
AFDELING TURNHOUT, JEUGDRECHTBANK,
hierna te noemen rechtbank van Antwerpen,
gevestigd in Turnhout (België),
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2023 in [geboorteplaats] (België),
hierna te noemen [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 1] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoek van de rechtbank van Antwerpen van 5 januari 2026
  • het besluit goedkeuring pleegzorgplaatsing van de minderjarige [minderjarige] op grond van de Verordening Brussel II-ter en de uitvoeringswet Internationale Kinderbescherming van de Centrale Autoriteit te Den Haag van 16 oktober 2025;
  • het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Turnhout, Jeugdrechtbank van 13 november 2025.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
De moeder en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit en zij wonen beiden in Nederland.
2.3.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin in Nederland.

3.Het verzoek

3.1.
De rechtbank van Antwerpen verzoekt de rechtbank Zeeland-West-Brabant de bevoegdheid ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid over [minderjarige] te aanvaarden. Ter onderbouwing stelt de rechtbank van Antwerpen dat de rechter in Nederland beter geschikt is het belang van de minderjarige [minderjarige] te beoordelen, te meer omdat zij inmiddels haar gewone verblijfplaats in het arrondissement van de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft en ook haar moeder hier woonachtig is.

4.De beoordeling

4.1.
Op grond van artikel 12 lid 1 en Pro 2 van de Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (hierna: Brussel II-ter) kan het gerecht dat bevoegd is te beslissen in een zaak een andere lidstaat, waarmee het kind een bijzondere band heeft en daarom beter in staat is het belang van het kind in de specifieke zaak te beoordelen, verzoeken de bevoegdheid uit te oefenen.
4.2.
Allereerst beoordeelt de rechtbank of [minderjarige] een bijzondere band heeft met Nederland. [minderjarige] is in [geboorteplaats] (België) geboren. Zowel de moeder als [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit. [minderjarige] is in juni 2023 in België in een pleeggezin geplaatst. De moeder is in april 2024 terug naar Nederland verhuisd. Omdat de moeder in Nederland woont, net als de biologische vader van [minderjarige] , is er gezocht naar een pleeggezin in Nederland. Er werd een pleeggezin gevonden. Nadat de Nederlandse Centrale Autoriteit instemde met toevertrouwing van [minderjarige] aan een Nederlands pleeggezin heeft de consulente van de sociale dienst in België vervolgens verzocht [minderjarige] per 28 november 2025 aan de Nederlandse pleegouders toe te vertrouwen. Aansluitend aan het verblijf van het voormalige pleeggezin in België heeft de rechtbank van Antwerpen bij vonnis van 13 november 2025 vanaf 28 november 2025 tot 13 november 2026 de functie verblijf opgelegd (met name verblijf in het kader van perspectiefbiedende pleegzorg in het gezin van [persoon 1] en [persoon 2] , te [plaats 2] , Nederland) met begeleiding van [pleegzorg] te [plaats 1] . Daarnaast is de sociale dienst jeugdrechtbank belast met de opvolging van de naleving van deze maatregel en de rechtbank plaatst de minderjarige daartoe tot 13 november 2026 verder onder toezicht van deze sociale dienst.
4.3.
Omdat de moeder en [minderjarige] beiden in Nederland verblijven en de moeder de persoon is die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt over [minderjarige] , is voldaan aan de in artikel 12 lid 4 sub d Brussel Pro II-ter genoemde omstandigheid. De rechtbank is daarom van oordeel dat [minderjarige] een bijzondere band heeft met Nederland.
4.4.
Vervolgens beoordeelt de rechtbank of het aanvaarden van de bevoegdheid in het belang is van [minderjarige] . Naast de voornoemde omstandigheden en het verloop van de plaatsing overweegt de rechtbank dat [minderjarige] in het kader van een Belgische kinderbeschermingsmaatregel in een pleeggezin (in Nederland) is geplaatst. Uit voormeld vonnis van de Belgische rechter blijkt dat een plaatsing van [minderjarige] bij haar moeder op dit moment niet aan de orde is en dat een verblijf in een pleeggezin is aangewezen. De Belgische rechter heeft ook aangegeven dat aan de Nederlandse rechter door de Nederlandse Raad voor de Kinderbescherming mogelijk ofwel een spoedkinderbeschermingsmaatregel zou worden verzocht als [minderjarige] in Nederland geplaatst werd om de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] te waarborgen, dan wel dat een beschermingsonderzoek zou worden opgestart naar de noodzaak van een reguliere kinderbeschermingsmaatregel.
4.5.
Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de rechtbank Zeeland-West-Brabant beter in staat is dan de Belgische rechter om een verzoek ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid over [minderjarige] te behandelen en te beoordelen. [minderjarige] verblijft in een (perspectiefbiedend) pleeggezin in het arrondissement van deze rechtbank. Dat maakt dat deze rechtbank betrekkelijk eenvoudig informatie kan opvragen bij instanties, waardoor sneller en efficiënter op verzoeken ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid over [minderjarige] kan worden beslist. De rechtbank acht de overdracht van de bevoegdheid daarom in het belang van [minderjarige] . Deze rechtbank zal dan ook, in het belang van [minderjarige] , de bevoegdheid aanvaarden op grond van artikel 12 Brussel Pro II-ter.
4.6.
De rechtbank gaat ervan uit dat deze beslissing meebrengt dat de Belgische rechter afziet van het uitoefenen van haar bevoegdheid (artikel 12 lid 2 Brussel Pro II-ter).
4.7.
Met het aanvaarden van de bevoegdheid wordt niet de al in België aanhangige procedure (kinderbeschermingsmaatregel) overgedragen. Dit betekent dat er in Nederland bij deze rechtbank een (nieuw) verzoekschrift moet worden ingediend.
4.8.
Het voorgaande betekent dat als volgt zal worden beslist.

5.De beslissing

De rechtbank:
aanvaardt de bevoegdheid overeenkomstig artikel 12 Brussel Pro II-ter ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid over de minderjarige
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2023 in [geboorteplaats] (België).
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Triest, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026, in aanwezigheid van Boink als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.