ECLI:NL:RBZWB:2026:6162

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
02-013812-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 47 SrArt. 57 SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen moord, poging moord en wapenbezit bij professionele liquidatie

Op 5 september 2024 vond een schietincident plaats op de Visodeweg te Ritthem waarbij [slachtoffer 1] werd vermoord en [slachtoffer 2] ernstig gewond raakte. Verdachte en een mededader gebruikten twee volautomatische vuurwapens en meerdere gestolen voertuigen met valse kentekenplaten.

De rechtbank baseerde haar oordeel op DNA-sporen op een van de gebruikte wapens en kledingstukken, camerabeelden, getuigenverklaringen en herkenningen van verdachte op Opsporing Verzocht. Verdachte ontkende, maar zijn alibi werd verworpen vanwege tegenstrijdige verklaringen en reisbewegingen.

De rechtbank oordeelde dat sprake was van medeplegen met nauwe en bewuste samenwerking en dat de daad met voorbedachten rade was gepleegd. De liquidatie was koel en professioneel, met een vooraf gemaakte afspraak en een uitgekozen plek buiten het zicht.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot 27 jaar en 6 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. Daarnaast werden schadevergoedingen toegekend aan nabestaanden en het slachtoffer, waarbij affectieschade en immateriële schade werden beoordeeld volgens de wettelijke criteria. Sommige vorderingen werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

De uitspraak benadrukt de ernst van de feiten, het leed van de slachtoffers en nabestaanden, en de noodzaak van een zware straf om recht te doen en de samenleving te beschermen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 27 jaar en 6 maanden gevangenisstraf voor medeplegen van moord, poging tot moord en wapenbezit.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-013812-25
vonnis van de meervoudige kamer van 9 juli 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats]
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland
thans gedetineerd in P.I. [plaats]
raadsman mr. J-H.L.C.M. Kuijpers, advocaat te Amsterdam

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 10 juni 2026, waarbij de officier van justitie, mr. L.A. Pronk, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Tevens zijn de vorderingen van de benadeelde partijen behandeld. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op de zitting van 9 juli 2026.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan
1. de moord op [slachtoffer 1] (verder [slachtoffer 1] ),
2. de poging tot moord op [slachtoffer 2] (verder [slachtoffer 2] ) en
3. het bezit van vuurwapens en munitie.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan de moord op [slachtoffer 1] , de poging tot moord op [slachtoffer 2] en het bezit van vuurwapens en munitie.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit gemotiveerd integrale vrijspraak van de drie tenlastegelegde feiten, omdat verdachte niet de dader van het schietincident op de Visodeweg te Ritthem is geweest. Voor zover nodig gaat de rechtbank op het standpunt van de verdediging in onder het kopje ‘het oordeel van de rechtbank’.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Op 5 september 2024 omstreeks 12:15 uur heeft er op de Visodeweg te Ritthem een schietincident plaatsgevonden. Bij dit schietincident is [slachtoffer 1] overleden. Er was sprake van twee inschoten, één in zijn hals en één in zijn borst, waarbij het letsel veroorzaakt door elk afzonderlijk schot zijn overlijden kan verklaren. Gebleken is dat de twee kogels in het lichaam van [slachtoffer 1] zijn afgeschoten door twee verschillende vuurwapens. [slachtoffer 2] heeft bij dit schietincident meerdere schotwonden opgelopen, waardoor hij ernstig gewond op de intensive care van het ziekenhuis terecht is gekomen. Van de drie kogels in zijn lichaam is er één verwijderd.
[slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij in een auto, met [slachtoffer 1] achter het stuur, achter een witte Ford Focus aanreed. Deze witte Ford Focus stopte voor hen op een landweg. [slachtoffer 1] en de bijrijder van de witte Ford Focus stapten uit, waarop de bijrijder van de witte Ford Focus direct, zonder iets te zeggen, met een vuurwapen op [slachtoffer 1] schoot. Deze bijrijder was een lange blanke man die blauwe bovenkleding en gezichtsbedekking droeg. [slachtoffer 2] is toen ook uit de auto gestapt en weggerend. Tijdens het wegrennen is hij door meerdere kogels geraakt.
Teneinde de daders op te sporen is TGO Holzer gestart. Uit dit onderzoek is gebleken dat, naast de BMW 1 serie (verder: de BMW 1) van de slachtoffers, rond het moment van het schietincident een grijze BMW 5 serie (verder: de BMW 5) en een witte Ford Focus (verder: de Ford Focus) in de omgeving van de plaats delict aanwezig waren. De BMW 5 is nog op dezelfde dag op een parkeerplaats op 2,4 kilometer van de plaats delict aangetroffen. Deze BMW 5 was voorzien van gekloonde kentekenplaten. Twee maanden later, op 6 november 2024 is een witte Ford Focus aangetroffen op het Vedelplein in Goes. Uit het onderzoek is gebleken dat deze Ford Focus daar op 5 september 2024 om 12:31 uur is geparkeerd. De Ford Focus bleek op 27 augustus 2024 te zijn gestolen en was ook voorzien van valse kentekenplaten. In de Ford Focus zijn twee vuurwapens en munitie aangetroffen. Vastgesteld is dat beide vuurwapens zijn gebruikt bij het schietincident op 5 september 2024 aan de Visodeweg. Verder is op camerabeelden te zien dat na het parkeren van de Ford Focus aan het Vedelplein te Goes twee personen uit deze auto zijn gestapt. De bestuurder was een wat kleinere man die donkere kleding droeg. De bijrijder was een lange man die lichtblauwe bovenkleding, een donkere broek en een lichtkleurige pet droeg.
Tussenconclusie
Gelet op de -via cameraregistraties te volgen- route van de Ford Focus binnen het tijdsbestek dat daarvoor staat, en het aantreffen van de bij het schietincident gebruikte vuurwapens in deze auto, stelt de rechtbank vast dat dit de Ford Focus is waarin de daders reden. Voorts stelt de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen vast dat de lange man met de lichtblauwe bovenkleding die aan de bijrijderszijde uit de Ford Focus in Goes stapte, dezelfde lange man met de blauwe bovenkleding is die door [slachtoffer 2] is aangeduid als de schutter. Naar het oordeel van de rechtbank staat dan ook vast dat de bijrijder met de blauwe bovenkleding (een van) de schutter(s) is van het schietincident op de Visodeweg te Ritthem. Dit stond ter zitting overigens ook niet ter discussie.
Is verdachte (een van) de schutter(s)?
Beoordeeld moet worden of verdachte de bijrijder met de blauwe bovenkleding en aldus de schutter is. Ondanks de ontkenning door verdachte is de rechtbank van oordeel dat dit het geval is. Zij baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen.
In de bemonstering van de trekker en de trekkerbeugel van een van de gebruikte vuurwapens (de Glock) is DNA aangetroffen van één persoon. Dat DNA matcht met het DNA van verdachte. Het NFI heeft geconcludeerd dat dit DNA-profiel ongeveer 1 miljard keer waarschijnlijker is wanneer het DNA afkomstig is van verdachte dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige onbekende persoon. Ook is DNA aangetroffen op een regenjas die in de Ford Focus lag en op een (bijpassende) regenbroek uit de BMW 5. Dit betreffen mengprofielen van drie, respectievelijk twee personen. Ook ten aanzien van dit DNA heeft het NFI geconcludeerd dat dit DNA-profiel ongeveer 1 miljard keer waarschijnlijker is wanneer het DNA afkomstig is van verdachte dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige onbekende persoon. Op grond hiervan, gelezen in samenhang met de rest van het dossier, concludeert de rechtbank dat het DNA op het wapen, de regenjas en regenbroek van verdachte afkomstig is.
Daarnaast blijkt uit de vergelijkende camerabeelden ten aanzien van het signalement van de schutter en verdachte dat deze overeenkomen. Hierbij zijn onder meer het postuur, dezelfde kenmerkende stand van de linkerhand tijdens het lopen en de schoenen -met opvallende hak en veters zoals verdachtes bij de doorzoeking aangetroffen schoenen- als gelijkend beoordeeld. Ook baseert de rechtbank zich op de herkenningen van verdachte op de bewegende beelden van de schutter die zijn vertoond in de aflevering van Opsporing Verzocht van 18 maart 2025. Verdachte is op deze beelden herkend door drie personen uit zijn nabije omgeving, die hem goed kennen, onder meer aan zijn opvallende loopje.
De rechtbank heeft voorts in haar beoordeling betrokken dat verdachte op 3 september 2024 vanuit Mexico naar België is gevlogen waar hij in Brussel om 17.25 uur is aangekomen en dat hij op 5 september 2024 om 18.55 uur alweer vanuit Brussel is terug gevlogen naar Mexico. Binnen dit zeer korte tijdsbestek (althans voor een bezoek aan Nederland vanuit Mexico) heeft het schietincident plaatsgevonden.
De verdediging heeft de bewijsmiddelen afzonderlijk betwist. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat voorzichtigheid moet worden betracht bij de interpretatie van DNA-bewijs, getuigenverklaringen en herkenningen, maar zij is van oordeel dat genoemde bewijsmiddelen in hun geheel en in onderlinge samenhang moeten worden bezien.
Gelet op alle bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de man met de blauwe bovenkleding is en dus (een van) de schutter(s) is.
De rechtbank zal hieronder nader ingaan op een drietal argumenten van de verdediging.
DNA
De verdediging heeft de redengevendheid van het DNA-bewijs betwist. Daarbij heeft de verdediging er op gewezen dat op andere plaatsen op de Glock ook DNA van andere personen is aangetroffen. Uit het dossier blijkt inderdaad dat aan de binnenkant en aan de onderzijde van de slede van dit wapen DNA is aangetroffen dat matcht met DNA afkomstig van [naam 1] en onbekende man B (waarvan later is gebleken dat dit [naam 2] is). Deze personen passen echter, gelet op hun foto’s die zich in het dossier bevinden, niet in het signalement van de schutter, terwijl verdachte daar wel in past. Bovendien is in de bemonstering van de trekker en trekkerbeugel van de Glock enkel DNA van verdachte aangetroffen en van niemand anders. In tegenstelling tot hetgeen de verdediging hierover heeft gesuggereerd, is het aantreffen van dat DNA op die plaats een duidelijke aanwijzing wie het wapen heeft gehanteerd en daarmee (veel) relevanter dan de andere matches. Ook betreft het aangetroffen DNA van verdachte, in tegenstelling tot wat de verdediging heeft gesuggereerd, een volledig DNA-profiel van één persoon en geen mengprofiel van meerdere personen, zoals dat wel het geval is bij het aangetroffen DNA op de onderkant van de slede. Daaruit volgt dus dat enkel het DNA van verdachte is aangetroffen op de plaats van het wapen die in direct verband staat met het afvuren daarvan.
In dit verband heeft de verdediging er ook nog op gewezen dat het DNA is aangetroffen op verplaatsbare objecten en gesuggereerd dat het mogelijk is dat verdachte de Glock eerder vast heeft gehouden of dat sprake is van een ‘opzetje’ van derden om verdachte de schuld in de schoenen te schuiven. Deze scenario’s schuift de rechtbank, in het licht van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, als onaannemelijk en ongeloofwaardig ter zijde. Niet alleen heeft verdachte deze scenario’s op geen enkele wijze geconcretiseerd, maar dit gaat ook voorbij aan de geconstateerde gelijkenissen en de herkenningen van verdachte. Bovendien heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat in de anderhalve week eerder gestolen Ford Focus niet alleen op een wapen en een regenjas DNA van verdachte is aangetroffen, maar dat daarnaast op de knop van de handrem en de versnellingspook DNA dat matcht met het DNA van verdachtes beste vriend [naam 3] is aangetroffen (met een bewijskracht van meer dan 1 miljard, respectievelijk 290 miljoen). Dit maakt des te meer onaannemelijk dat sprake is van toeval of een ‘opzetje’.
Herkenningen
Ten aanzien van de herkenningen van verdachte door personen uit zijn omgeving heeft de verdediging het verweer gevoerd dat voorzichtigheid is geboden bij het wegen van deze bevindingen, omdat bij deze herkenningen de informatie die vooraf al bekend was over de aanhouding van verdachte heeft meegespeeld. Het gaat hier om herkenningen van verdachte die hebben plaatsgevonden naar aanleiding van de aflevering van Opsporing Verzocht van 18 maart 2025, waarin beelden van de Gitaarstraat in Goes werden getoond van de twee personen die op 5 september 2024 om 12.31 uur aan het Vedelplein uit de Ford Focus zijn gestapt.
De rechtbank overweegt hierover dat het inderdaad zo kan zijn dat de informatie die in de media is gedeeld over de aanhouding van een 33-jarige man in Vlaardingen voor de schietpartij op de Visodeweg in Ritthem, van invloed is geweest op deze herkenningen. Dit laat echter onverlet dat iemand die verdachte goed kent, hem ook daadwerkelijk kan hebben herkend. Exact zoals twee van de personen die deze herkenningen hebben gedaan ook zelf hebben aangegeven. Zo antwoordt [naam 4] in zijn verhoor van 19 mei 2025, wanneer hem wordt gevraagd of hij tegen [naam 5] heeft gezegd dat hij verdachte had herkend, dat hij dat niet heeft hoeven zeggen, omdat iedereen die hem kent en die de beelden ziet weet dat het verdachte is. En ook [naam 6] zegt dit zo tegen [naam 7] in het tapgesprek van 19 maart 2025. Zij zegt daarin namelijk “Schat, die mensen mensen die, mensen mensen die die die het weet (ntv) die het ken die hem kennen zien het schat”.
Naar het oordeel van de rechtbank gaat het hier bovendien om drie afzonderlijke expliciete, op details gebaseerde, herkenningen van verdachte. Zo heeft [naam 4] op de vraag wie hij herkende op het fragment van de uitzending geantwoord dat “die wel duidelijk is toch” waarop hij wijst op de persoon met de blauwe bovenkleding. Op de vraag wat er volgens hem duidelijk is, antwoordt hij “zijn loopje” en dat hij dit herkende. Dit antwoord staat naar het oordeel van de rechtbank los van de informatie die voorafgaand aan de uitzending van Opsporing Verzocht in de media is verstrekt. Het betreft een expliciet detail waaraan [naam 4] de persoon op de beelden herkent en waarvan hij vervolgens ook bevestigt dat het verdachte betreft. Uit het tapgesprek van 19 maart 2025 tussen [naam 6] en [naam 8] blijkt dat [naam 6] weliswaar tegen [naam 8] zegt dat verdachte is aangehouden, maar dat [naam 8] daarop uit eigen beweging zegt dat hij dacht verdachte net op Opsporing Verzocht te hebben gezien. [naam 6] zegt dan: “dat is hij ja” en even later zegt [naam 8] “dit is super eng, ik kijk er net naar en ik zeg: Dit is [verdachte] ”. Hieruit blijkt dat [naam 8] er nog niet van op de hoogte was dat verdachte was aangehouden, toen hij verdachte tijdens Opsporing Verzocht op de beelden herkende. Dat wordt hem daarna pas door [naam 6] verteld. Zij zegt dan bovendien in dat gesprek dat het inderdaad verdachte is op de beelden. Hieruit leidt de rechtbank af dat zij hem ook op de beelden heeft herkend. Het gaat hier om spontane uitspraken aan de telefoon op een moment dat zij dachten vrijelijk en onbespied te kunnen spreken. Daar komt bij dat deze twee personen er op dat moment geen enkel belang bij hadden om te zeggen dat ze verdachte herkenden op de beelden van Opsporing Verzocht als dat niet zo was. Dat zij later, wanneer duidelijk is dat de herkenningen van belang zijn voor de bewijsvoering tegen verdachte, op hun herkenningen terugkomen, is te verklaren vanuit hun (familie)banden met verdachte.
Alibi
Zoals hiervoor overwogen, volgt uit de reisbewegingen van verdachte dat hij anderhalve dag voor het schietincident vanuit Mexico naar Brussel is gevlogen en enkele uren na het schietincident weer in het vliegtuig naar Mexico zat. Verdachte heeft verklaard dat hij voor het moment van het schietincident een alibi heeft, omdat [naam 9] hem op 3 september 2024 op luchthaven Zaventem heeft opgehaald en zij vervolgens samen een aantal dagen in een hotel verbleven. De rechtbank volgt deze verklaring niet. [naam 9] heeft hierover namelijk verklaard dat zij verdachte op 3 september 2024 heeft opgehaald en naar het hotel in België heeft gebracht en dat zij na een paar uur weer is vertrokken. Zij is hierover nogmaals bevraagd bij de rechter-commissaris, waar zij haar eerste verklaring heeft bevestigd. Daar tegenover staan de wisselende verklaringen van verdachte. Hij heeft bij de politie namelijk eerst gezwegen en vervolgens verklaard dat hij die drie dagen in België was “met een meid in een hotel aan het hoeren snoeren”. Op zitting heeft hij zijn verklaring aangepast en verklaard dat [naam 9] inderdaad het hotel op de avond van 3 september heeft verlaten om naar huis te gaan, maar later weer is teruggekomen. Hij heeft echter niet verklaard wanneer dat dan zou zijn geweest. Dit zou hij niet meer weten, omdat hij van de wereld was door drank- en drugsgebruik. Deze verklaring van verdachte schuift de rechtbank als ongeloofwaardig terzijde. Temeer omdat hij ter zitting over het korte bezoek aan Nederland/België ook heeft verklaard dat hij als verrassing voor de verjaardag van zijn moeder naar Nederland is gekomen, maar daar, doordat hij onder invloed was van drank en drugs, niet meer naar toe zou zijn gegaan. Dit strookt ook niet met het feit dat hij tegen [naam 7] , de moeder van zijn dochter, op zondag 1 september 2024 heeft gezegd dat hij even offline zou zijn en een tijdje geen telefoon had, omdat hij wat moest doen. Die rechtbank ziet ook niet in waarom verdachte zijn telefoon na aankomst in Mexico terug naar fabrieksstand heeft gezet.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en nu daarvoor ten opzichte van het eerder afgewezen verzoek geen nieuwe argumenten zijn aangevoerd, ziet de rechtbank, anders dan de verdediging geen noodzaak om [naam 10] / [naam 11] te horen, zoals (subsidiair) verzocht.
De rechtbank is alles afwegend van oordeel dat de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, geen ruimte laten voor een andere conclusie dan dat verdachte de schutter is van in elk geval het eerste (dodelijke) schot op [slachtoffer 1] .
Medeplegen
Nu vast staat dat verdachte (een van) de schutter(s) is, dient vervolgens de vraag te worden beantwoord of er sprake is van medeplegen. Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezen verklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte en van de ander, in dit geval van de bestuurder van de Ford Focus, van voldoende gewicht is. Bij de vorming van het oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking zijn van belang: de intensiteit van de samenwerking; de onderlinge taakverdeling; de rol in de voorbereiding; de uitvoering of de afhandeling van het delict; het belang van de rol van de verdachte en de ander; diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Het gaat erom dat zowel de verdachte als de ander een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het delict. Duidelijk is dat verdachtes bijdrage als schutter bij feit 1 significant is. De vraag is of de bijdrage van de bestuurder van de Ford Focus bij dat feit ook van voldoende gewicht is en of beider bijdragen bij de feiten 2 en 3 van voldoende gewicht zijn om tot bewezenverklaring van medeplegen te komen.
De rechtbank is van oordeel dat uit de inhoud van de bewijsmiddelen blijkt dat er sprake is van medeplegen bij alle drie de ten laste gelegde feiten. Er is sprake geweest van een liquidatie die door verdachte en de bestuurder van de Ford Focus gezamenlijk is uitgevoerd. Daarvoor is gebruik gemaakt van meerdere gestolen voertuigen met gekloonde kentekenplaten. De gestolen Ford Focus is een dag eerder al in Zeeland gesignaleerd, was volgens de coördinaten in de trackgegevens, op enig moment bij de Fort de Ruijterweg (PD-3) en komt op de ochtend van de liquidatie pas vlak voor het schietincident in beeld. Op de dag zelf is er met twee andere gestolen voertuigen richting Zeeland gereden, te weten de BMW 5 en een Volkswagen Polo (verder: VW Polo). De bestuurder van de BMW 5 droeg lichtblauwe bovenkleding en een lichtkleurige pet, wat overeenkomt met de kleding van de persoon op de camerabeelden uit Goes en waarvan de rechtbank heeft geconcludeerd dat dit verdachte was. Verder is er sprake van een van te voren gemaakte afspraak met [slachtoffer 1] . Voor het verschijnen op die afspraak is gebruik gemaakt van de Ford Focus, waarbij de eerder gebruikte BMW 5 op een parkeerplaats op 2,4 kilometer afstand van de plaats delict (PD-3) bleek te zijn achtergelaten. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte en zijn mededader (kennelijk) zijn overgestapt in de Ford Focus. Voor deze afspraak is met [slachtoffer 1] gecommuniceerd door het contact ‘ [naam 12] ’ waarvan de berichten op afstand na het schietincident zijn gewist. [slachtoffer 1] zegt dat hij gaat volgen. De Ford Focus gaat voor de auto van de slachtoffers rijden en stopt kort daarna waarna [slachtoffer 1] ook stopt. Hij wordt direct nadat hij is uitgestapt neergeschoten. Het neerschieten van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft kort geduurd en aansluitend achter elkaar plaatsgevonden. Hierbij zijn twee wapens gebruikt, waarvan hiervoor is vastgesteld dat verdachte met tenminste één van deze wapens heeft geschoten. Direct na het schietincident is verdachte samen met de bestuurder van de Ford Focus gevlucht en hebben zij dit voertuig in Goes achtergelaten waar zij, naar de rechtbank aanneemt, zijn overgestapt in de VW Polo nu deze om 12.43 uur weer wordt geregistreerd bij de Vlaketunnel, ditmaal in de richting van Brabant. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat bij dit gehele plan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm sprake was van een dusdanige nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en in ieder geval de bestuurder van de Ford Focus dat aan de vereisten voor medeplegen bij alle tenlastegelegde feiten is voldaan. Dat er meerdere personen bij de planning en uitvoering van deze liquidatie betrokken zijn geweest, acht de rechtbank aannemelijk. Nu de omvang van hun rol op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld, acht de rechtbank bewezen dat verdachte het feit samen met één ander heeft gepleegd.
Voorbedachte raad
Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachten rade’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap kon geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachten rade gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachten rade pleiten.
De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachten rade is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat.
De verdediging heeft betwist dat er sprake was van voorbedachte raad. De rechtbank is echter van oordeel dat de inhoud van de bewijsmiddelen het verweer van de raadsman weerlegt en dat verdachte en zijn mededader wel degelijk hebben gehandeld met voorbedachte raad. Zoals hiervoor al is overwogen, heeft het optreden van verdachte alle kenmerken van het uitvoeren van een liquidatie. Hij is met een bedekt gezicht uitgestapt en is zonder iets te zeggen op [slachtoffer 1] afgelopen, waarna hij hem direct met een Glock in de borst heeft geschoten. Het richten op de borst duidt erop dat hij [slachtoffer 1] op dat moment wilde doden. Kort daarop is [slachtoffer 1] met een machinepistool nog in zijn keel geschoten en werd ook [slachtoffer 2] , terwijl hij wegrende en werd achtervolgd, met dat machinepistool meermalen beschoten. Deze handelswijze alleen al impliceert een voorbedachte raad. Er blijkt niet van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling of een korte tijdsspanne tussen de uitvoering en het besluit. De verklaring van [slachtoffer 2] omtrent wat op de plaats delict is gebeurd wordt ondersteund door het sporenbeeld en de tijdslijn zoals die blijken uit de bewijsmiddelen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om op dit punt aan de verklaring te twijfelen.
Uit de bewijsmiddelen blijkt bovendien van een goed voorbereid plan. Er is een afspraak gemaakt met [slachtoffer 1] waarbij laatstgenoemde al het vermoeden had dat er mogelijk iets met hem stond te gebeuren. Die morgen, voorafgaand aan deze afspraak, is door verdachte met de BMW 5 -die uiteindelijk op PD-3 is achtergelaten- al over de Visodeweg gereden, waaruit de rechtbank afleidt dat er een voorverkenning is gedaan. Men heeft [slachtoffer 1] naar die plek laten komen. Verdachte is vervolgens met de bestuurder met twee wapens, en het kennelijke voornemen die te gaan gebruiken, naar de afspraak met [slachtoffer 1] gegaan. [slachtoffer 1] heeft aangegeven hen te zullen gaan volgen en ze reden naar de blijkbaar uitgekozen plek.
Dit alles duidt op een reeds geruime tijd voor het schieten genomen besluit. Verdachte heeft de gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap kunnen geven. Een extra moment voor reflectie hadden verdachte en zijn mededader bij aankomst op de afgesproken plaats, waar zij met [slachtoffer 1] werden geconfronteerd. Zij troffen daar ook [slachtoffer 2] en waren in elk geval vanaf dat moment ook met diens aanwezigheid in de auto bekend (als zij dat niet al eerder wisten via de gesprekken die [slachtoffer 1] voerde met ‘ [naam 12] ’). Desondanks is verdachte met de bestuurder van de Ford Focus voor de auto van de slachtoffers uitgereden naar de vooraf uitgekozen plek op de Visodeweg. Verdachte is in de tussentijd op geen enkel moment teruggekomen op zijn besluit/voornemen en heeft het plan, nadat zij op de Visodeweg waren gestopt, uitgevoerd.
De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat de verdachte niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke opwelling, maar samen met zijn mededader, met voorbedachte raad [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd en een poging daartoe heeft ondernomen bij [slachtoffer 2] . De rechtbank acht daarmee de primair onder 1 ten laste gelegde moord en de primair onder twee ten laste gelegde poging tot moord dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Op grond van al het voren overwogene acht de rechtbank ook het tenlastegelegde onder 3 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna weergegeven.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1. primair
op 5 september 2024 te Ritthem, gemeente Vlissingen, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte en/of zijn mededader met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met vuurwapens een kogel in de hals/nek en in de borst van die [slachtoffer 1] geschoten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden.
2 primair
op 5 september 2024 te Ritthem, gemeente Vlissingen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen kogels in het lichaam van die [slachtoffer 2] , heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
3
op 5 september 2024 te Ritthem gemeente Vlissingen en te Goes, tezamen en in vereniging met een ander twee wapens als bedoeld in artikel 2 lid Pro 1, categorie II onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten:
- een machinepistool/pistoolmitrailleur, merk Ceska Zbrojovka (CZ), type Skorpion kaliber 7,65mm Browning en
- een pistool, merk Glock, type 17 gen 4 kaliber 9x19mm
EN
twee wapenonderdelen als bedoeld in artikel 3 lid 1 van Pro de Wet wapens en munitie, te weten:
- een patroonmagazijn type CZ Skorpion, kaliber 7,65mm Browning en
- een patroonmagazijn, type 33 RDS, kaliber 9x19mm
EN
munitie als bedoeld in artikel 2 lid Pro 2, categorie II onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten 27 kogelpatronen, merk(en) CBC en S&B, kaliber 9mm Luger en munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 categorie Pro III van de Wet wapens en munitie te weten 3 kogelpatronen, merk S&B, kaliber 7,65mm Browning voorhanden heeft gehad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
De tenlastelegging bevatte kennelijke taal-/schrijffouten, die in de bewezenverklaring zijn hersteld. Verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 27 jaar en 6 maanden, met aftrek van voorarrest. Nu op grond van artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr) rekening moet worden gehouden met de eerdere veroordeling van verdachte op 9 april 2025 is een hogere eis niet mogelijk. Het totaal aan straffen zou anders boven het strafmaximum van 30 jaar uitkomen.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van de feiten
Met gebruik van twee volautomatische vuurwapens heeft verdachte met een ander [slachtoffer 1] vermoord en geprobeerd [slachtoffer 2] te vermoorden.
Moord is het ernstigste misdrijf dat het Wetboek van Strafrecht kent. Het doden van een ander is onomkeerbaar. Dieper ingrijpen in iemands leven dan door dat te beëindigen is simpelweg niet mogelijk.
Het gaat hier om een kille en professionele liquidatie. Het precieze motief is uit het onderzoek niet duidelijk geworden, maar dat lijkt samen te hangen met internationaal verhandelde drugs en het daarmee gemoeide geld. Er is niet vastgesteld dat verdachte direct in contact stond met de slachtoffers maar wel dat hij en [slachtoffer 1] gemeenschappelijke contacten hadden. Zijn rol lijkt daarmee die van uitvoerder. De slachtoffers werden naar het buitengebied van Vlissingen/Ritthem gelokt waarna op initiatief van verdachte en zijn mededader is doorreden naar de eerder voorverkende plek met bebossing aan beide zijden van de weg, zodat de liquidatie geheel buiten het zicht kon plaatsvinden. Op een zakelijke en koelbloedige wijze heeft verdachte daar met één schot een einde aan het leven van [slachtoffer 1] gemaakt. Vervolgens werd er -kennelijk om zeker te zijn van de dood van [slachtoffer 1] - van dichtbij nog een extra schot op hem gelost. Er werd volhard om ook [slachtoffer 2] om het leven te brengen. Toen hij vluchtte werd hij achtervolgd en is er veelvuldig op hem geschoten. Hij werd daarbij door diverse kogels geraakt en is ternauwernood aan de dood ontsnapt. Uit het handelen van verdachte en zijn mededader blijkt van een volledig gebrek aan respect voor het leven van de slachtoffers.
Het levenloze lichaam van [slachtoffer 1] is midden op de openbare weg achtergelaten. [slachtoffer 2] lag enkele honderden meters verderop. Pas drie kwartier later zijn zij door wandelaars aangetroffen. Het moet voor hen bijzonder schokkend zijn geweest om nietsvermoedend tegen deze situatie op de Visodeweg aan te lopen. Liquidaties zorgen voor ernstige gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving, waaraan verdachte met zijn gedrag op onaanvaardbare wijze heeft bijgedragen.
Door het gebruik van diverse gestolen auto’s met gedupliceerde kentekens is het achterhalen van de identiteit van verdachte en zijn mededader bemoeilijkt, waardoor het meer dan een half jaar heeft geduurd voordat verdachte is aangehouden. Al die tijd bestond er voor de nabestaanden van [slachtoffer 1] en voor [slachtoffer 2] onduidelijkheid wie de schutter was. Terwijl – mede door de proceshouding van verdachte – het waarom van deze afrekening en wie daarbij nog meer een rol speelden tot op de dag van vandaag onduidelijk is gebleven. Dit zal met name voor de nabestaanden van [slachtoffer 1] het verwerkingsproces bemoeilijken.
Het handelen van verdachte en zijn mededader heeft immers niet alleen voor [slachtoffer 1] onomkeerbare gevolgen gehad, maar ook voor zijn nabestaanden. Zij hebben hun dierbare op een afschuwelijke wijze verloren, waardoor hen onbeschrijflijk leed is toegebracht, zoals ook blijkt uit de slachtofferverklaringen die ter terechtzitting zijn voorgelezen. Zowel de moeder van [slachtoffer 1] als zijn stiefvader hebben zich aangrijpend uitgelaten over wat voor impact het overlijden van [slachtoffer 1] en de wijze waarop dat is gebeurd op hen heeft gehad en nog steeds heeft. Ook hebben zij verteld over het grote verdriet en gemis dat door het overlijden van [slachtoffer 1] is veroorzaakt. Zo heeft de moeder van [slachtoffer 1] gezegd dat de rouw niet alleen haar hart heeft gebroken, maar haar ook mentaal en fysiek heeft gebroken.
Uit de afgelegde verklaringen en de schadevergoedingsvordering van [slachtoffer 2] komt naar voren dat het feit zeer ingrijpend voor hem is geweest, met niet alleen lichamelijke maar ook psychische gevolgen. Hij heeft gezien dat [slachtoffer 1] voor zijn ogen werd neergeschoten en is met extreme doodsangst gevlucht. Hij heeft vanwege zijn lichamelijke letsel een aantal dagen in het ziekenhuis verbleven en mag van geluk spreken dat hij het heeft overleefd. Ook heeft hij ernstige angst en stress klachten gekregen van deze traumatische gebeurtenis waarvoor hij onder behandeling is geweest en EMDR therapie heeft gehad.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte
De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met het strafblad van verdachte. Daaruit blijkt dat verdachte eerder voor vuurwapenbezit is veroordeeld. De rechtbank weegt dat in het nadeel van verdachte bij de strafmaat mee. Verder ziet de rechtbank veroordelingen voor ernstige feiten zoals seksuele uitbuiting en drugsbezit. Ook blijkt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan onderhavige feiten gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis in een andere zaak. In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank er rekening mee dat artikel 63 Sr Pro van toepassing is nu verdachte inmiddels op 9 april 2025 door de rechtbank Rotterdam voor voornoemde strafzaak is veroordeeld tot een gevangenisstraf 2 jaar en 6 maanden.
Strafoplegging
De wetgever heeft voor moord als maximumstraf een levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste 30 jaar vastgesteld. Voorts heeft de wetgever in artikel 10, lid 4, Sr bepaald dat de tijdelijke gevangenisstraf (ook bij samenloop van feiten) niet langer kan zijn dan 30 jaar. Dat geldt ook bij samenloop van feiten, De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken voor moord en poging moord zijn opgelegd. Het vergelijken van moordzaken is niet eenvoudig doordat sprake is van specifieke omstandigheden die in elke zaak anders zijn, maar daaruit kan wel een zekere lijn worden afgeleid. Een gevangenisstraf van 20 jaar of meer voor een moord die zich laat aanmerken als een liquidatie is geen uitzondering, evenals een straf van ten minste 10 jaar voor een poging daartoe.
Gelet op de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte, is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat oplegging van de maximaal resterende tijdelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Met een minder zware straf wordt het leed onvoldoende vergolden en wordt de maatschappij onvoldoende beschermd tegen het gevaar dat van de verdachte uit gaat.
Nu als gevolg van de toepasselijkheid van artikel 63 Sr Pro geen hogere straf kan worden opgelegd dan door de officier van justitie is geëist, acht ook de rechtbank alles in aanmerking nemend, een gevangenisstraf 27 jaar en 6 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.De benadeelde partijen

Algemene overwegingen
De benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] ,
en [slachtoffer 2] hebben schadevergoedingsvorderingen ingediend. De vorderingen van deze benadeelde partijen zien op de feiten 1 en 2. De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte deze feiten heeft gepleegd, waardoor [slachtoffer 1] is overleden en [slachtoffer 2] ernstig gewond is geraakt. De rechtbank zal hieronder per benadeelde partij nader ingaan op de gevorderde schadevergoeding.
Affectieschade
Op grond van artikel 6:108 van Pro het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) is het voor een beperkte (limitatief opgesomde) kring van personen mogelijk om in aanmerking te komen voor affectieschade. Daarnaast is er een mogelijkheid tot toekenning hiervan aan anderen op grond van de hardheidsclausule van lid 4 sub g van artikel 6:108 BW Pro. Het vorderen van affectieschade is voor deze gerechtigden mogelijk bij overlijden van een naaste of dierbare in het geval het overlijden van het slachtoffer het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor een ander, in dit geval verdachte, aansprakelijk is. De vergoeding ziet op het leed en verdriet dat nabestaanden is aangedaan. De bedragen voor affectieschade als bedoeld in artikel 6:108 BW Pro zijn opgenomen in het Besluit vergoeding affectieschade.
Voor de positie van stiefouders en/of stiefkinderen is het volgende van belang. Bij de behandeling van het wetsontwerp van de Wet affectieschade en verplaatste schade heeft de Tweede Kamer een motie aangenomen waarin de regering werd verzocht om, bij het vaststellen van de bedragen, per algemene maatregel van bestuur stiefouders en/of stiefkinderen van een slachtoffer dezelfde bedragen ter vergoeding van de affectieschade toe te kennen als bij biologische verwanten, indien sprake is van een relatie in gezinsverband met een duurzaam karakter. De regering heeft die motie uitgevoerd door de gefixeerde vergoeding te verhogen voor een “pleeg- of stiefkind (…), of een persoon die de verzorging en opvoeding van een dergelijk pleeg- of stiefkind op zich heeft genomen (de gerechtigden genoemd onder (e) en (f))” (Nadere Memorie van Antwoord, paragraaf 6; Kamerstuk 34257, nr. E). Met inachtneming daarvan zijn de gefixeerde bedragen vervolgens vastgesteld in het Besluit vergoeding affectieschade van 20 april 2018 (Stb. 2018/133).
Voor overleden
uitwonendepleeg- en stiefkinderen geldt dat door de stiefouder een beroep zal moeten worden gedaan op de hardheidsclausule van lid 4 onder g. Ten aanzien van hen geldt immers niet dat de stiefouder ten tijde van zijn overlijden duurzaam in gezinsverband de zorg over de overledene had.
Shockschade
Wat betreft de criteria voor de toekenning van immateriële schade in de vorm van shockschade sluit de rechtbank aan bij de vaste rechtspraak van de Hoge Raad. Hieruit volgt dat iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt, ook onrechtmatig kan handelen ten opzichte van degene die geconfronteerd wordt met die daad of de gevolgen daarvan en bij wie die confrontatie een hevige emotionele shock teweeg brengt. Een en ander is afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan hebben plaatsgevonden. De Hoge Raad heeft gezichtspunten geformuleerd die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid ten opzichte van degene bij wie een hevige emotionele shock is teweeggebracht als hiervoor bedoeld, namelijk (a) de aard, toedracht en gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, (b) de wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan en (c) de aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire en secundaire slachtoffer.
Het recht op vergoeding van schade die is veroorzaakt door het onrechtmatig veroorzaken van een hevige emotionele shock, is beperkt tot de schade die volgt uit het veroorzaakte geestelijk letsel. Dat geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven kunnen worden vastgesteld. Daarbij is niet vereist dat er sprake is van een diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele shock moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld.
Als sprake is van geestelijk letsel als hier bedoeld, komt zowel de materiële als de immateriële schade die daarvan het gevolg is voor vergoeding in aanmerking.
[benadeelde 1]
is de moeder van [slachtoffer 1] en vordert schadevergoeding van € 582,56 aan materiële schade, bestaande uit de uitvaartkosten. Ook vordert zij in totaal € 67.500,- aan immateriële schade, bestaande uit € 17.500,- voor affectieschade, € 40.000,- voor shockschade en een nader te onderbouwen bedrag van € 10.000,- in het kader van een eventueel hoger beroep.
Uitvaartkosten
De rechtbank overweegt dat de uitvaartkosten rechtstreeks verband houden met het bewezenverklaarde feit onder 1 primair en in zoverre voor vergoeding in aanmerking komen.
De benadeelde partij heeft naar het oordeel van de rechtbank ook voldoende stukken ter onderbouwing van de kosten overgelegd en de gevorderde kosten zijn door of namens de verdachte niet betwist. De rechtbank acht dit gevorderde bedrag dan ook toewijsbaar.
Affectieschade
De benadeelde partij behoort als moeder van het slachtoffer tot de in artikel 6:108 lid 4 BW Pro genoemde kring van gerechtigden. De schade houdt rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde feit onder 1 primair en komt in zoverre voor vergoeding in aanmerking. De hoogte van het gevorderde bedrag is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door of namens de verdachte ook niet betwist. Dit bedrag zal door de rechtbank daarom worden toegewezen.
Shockschade
De gevorderde shockschade is enkel onderbouwd met een beknopte toelichting van de benadeelde partij zelf. Hieruit komt onder meer naar voren dat de benadeelde partij door het overlijden van haar zoon zichtbaar en ingrijpend is geraakt. Zij heeft zeer veel verdriet en zit in een diep rouwproces. Op basis van deze toelichting kan echter niet worden vastgesteld of er sprake is van geestelijk letsel dat is ontstaan als gevolg van een emotionele schok door de directe confrontatie met het dodelijk letsel dat haar zoon heeft opgelopen. Een onderbouwing met een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een psychiater, huisarts of psycholoog – ontbreekt. De onderbouwing van de shockschade voldoet dan ook niet aan de eisen die de jurisprudentie daaraan stelt om voor vergoeding hiervan in aanmerking te komen. Een eventuele nadere onderbouwing door de benadeelde partij levert een onevenredige belasting van het strafgeding op en daarom wordt daartoe geen gelegenheid gegeven. De rechtbank zal de benadeelde partij voor dit onderdeel van de vordering dan ook niet-ontvankelijk verklaren.
Nader te onderbouwen schade
Gebleken is dat deze gevorderde post ziet op eventuele toekomstige schade bij een hoger beroep. Deze schade is op dit moment echter nog niet bekend en daardoor ook niet onderbouwd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij hiervoor op dit moment niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, zoals ook ter zitting nader door haar is bepleit.
[benadeelde 2]
is de broer van [slachtoffer 1] en vordert een schadevergoeding van € 20.000,- aan immateriële schade, bestaande uit shockschade.
De rechtbank overweegt dat de gevorderde shockschade enkel is onderbouwd met een beknopte omschrijving. Hierin staat onder meer dat het slachtoffer de jongere broer van [benadeelde 2] is en dat zij een nauwe affectieve band hadden. Gelet op de wijze waarop zijn broer om het leven is gekomen en de confrontatie met zijn lichaam in het rouwcentrum heeft [benadeelde 2] traumatische klachten ontwikkeld, die een zeer negatieve weerslag op de kwaliteit van zijn leven hebben. Op basis van deze toelichting kan echter niet worden vastgesteld of er sprake is van geestelijk letsel dat is ontstaan als gevolg van een emotionele schok door de directe confrontatie met het dodelijk letsel dat zijn broer heeft opgelopen. Een onderbouwing met een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een psychiater, huisarts of psycholoog – ontbreekt. De onderbouwing van de shockschade voldoet dan ook niet aan de eisen die de jurisprudentie daaraan stelt om voor vergoeding hiervan in aanmerking te komen. Een eventuele nadere onderbouwing door de benadeelde partij levert een onevenredige belasting van het strafgeding op en daarom wordt daartoe geen gelegenheid gegeven. De rechtbank zal de benadeelde partij voor dit onderdeel van de vordering dan ook niet-ontvankelijk verklaren.
[benadeelde 3]
is de partner van de moeder van [slachtoffer 1] en vordert een schadevergoeding van € 17.500,- aan immateriële schade, bestaande uit affectieschade.
[benadeelde 3] behoort als partner van [benadeelde 1] , moeder van het op het tijdstip van overlijden uitwonende slachtoffer, niet tot de in artikel 6:108 lid 4 BW Pro genoemde kring van gerechtigden. Hij heeft daarom een beroep gedaan op de hardheidsclausule. Daarvoor dient hij te stellen, en bij betwisting door de verdachte zo nodig te bewijzen, dat hij ten tijde van het overlijden van het slachtoffer een zodanige nauwe persoonlijke relatie met hem had, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 3 als gerechtigde tot het ontvangen van een vergoeding voor affectieschade kan worden aangemerkt. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat voor het bewijs van het bestaan van een nauwe persoonlijke relatie moet komen vast te staan dat ten tijde van het overlijden van het slachtoffer sprake was van een hechte affectieve relatie tussen hem en het slachtoffer, waarbij volgens de wetgever onder meer de intensiteit, de aard en de duur van de relatie van belang zijn.
Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van [benadeelde 3] (vooralsnog) niet komen vast te staan dat sprake was van een hechte affectieve relatie, zoals bedoeld in artikel 6:108 lid 3 BW Pro, tussen hem en het slachtoffer ten tijde van het overlijden van het slachtoffer. Hetgeen door hem is gesteld ten aanzien van een affectieve relatie op dat moment biedt, mede gelet op het strafdossier en de uitdrukkelijke betwisting van de vordering door de verdachte, onvoldoende grondslag voor toewijzing van haar vordering in het kader van deze strafprocedure. Van belang hierbij is dat de benadeelde partij in 2018 een relatie heeft gekregen met [benadeelde 1] . Het slachtoffer woonde op dat moment niet meer thuis. Hetgeen de benadeelde partij heeft gesteld, geeft weliswaar blijk van een warme familieband, maar niet dat dit een naar aard en intensiteit dusdanig nauwe persoonlijke relatie was, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 3 als naaste moet worden aangemerkt.
De benadeelde partij de gelegenheid geven zijn vordering nader te onderbouwen, zou een onevenredige belasting van het strafproces vormen. Hij zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering en kan zijn vordering desgewenst voorleggen aan de burgerlijke rechter.
[benadeelde 4]
is de stiefvader van [slachtoffer 1] (hierna: [benadeelde 4] ) en vordert een schadevergoeding van € 20.000,- aan immateriële schade, bestaande uit affectieschade en een nader te onderbouwen bedrag van € 30.000,- in het kader van een eventueel hoger beroep. Ook vordert hij € 3.650,13 aan proceskosten.
Affectieschade
Voor de gevorderde affectieschade heeft de benadeelde partij primair een beroep gedaan op artikel 6:108 lid 4 onder Pro e BW. Hiervoor moet worden aangetoond dat de benadeelde partij ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg voor het slachtoffer had.
De rechtbank overweegt dat een stiefouder in de wet weliswaar niet wordt gelijkgesteld aan een ouder, maar dat in dit geval op grond van hetgeen in de vordering is aangevoerd kan worden vastgesteld dat [benadeelde 4] in een nauwe persoonlijke relatie stond met het slachtoffer en deze jarenlang door hem als eigen kind mede is verzorgd en opgevoed. Het slachtoffer en [benadeelde 4] zijn bijna twintig jaar lang gezinsleden van elkaar geweest en [benadeelde 4] beschouwt het slachtoffer als zijn eigen zoon. Van belang is bovendien dat het slachtoffer op [benadeelde 4] terugviel op het moment dat hij geen verblijfplaats had en ook bij hem woonde op het moment dat hij is komen te overlijden. De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het slachtoffer [benadeelde 4] ook als zijn vader zag, temeer nu de biologische vader van het slachtoffer niet meer leefde. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat [benadeelde 4] in beginsel tot de kring van gerechtigden op affectieschade kan worden aangemerkt. Toch kan [benadeelde 4] naar het oordeel van de rechtbank geen aanspraak maken op vergoeding van affectieschade op grond van artikel 6:108 lid 4 onder Pro e BW, omdat er op het moment van overlijden geen sprake was van duurzame zorg in gezinsverband. Er was immers geen sprake meer van een gezinsverband, [slachtoffer 1] woonde tijdelijk bij [benadeelde 4] in en was al 28 jaar en dus in staat om voor zichzelf te zorgen. Wel is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een onderlinge verhouding als bedoeld in artikel 6:108 lid 4 onder Pro g BW:
“een andere persoon die in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de gekwetste staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij als naaste aanspraak heeft op de vergoeding van affectieschade.”De rechtbank zal op basis van deze grondslag de vordering van affectieschade toekennen. Krachtens het Besluit vergoeding affectieschade heeft hij daarmee recht op een bedrag van € 17.500,-. De vordering van de benadeelde partij zal voor dit bedrag worden toegewezen en voor het overige op dit punt worden afgewezen.
Nader te onderbouwen schade
Gebleken is dat deze gevorderde post ziet op eventuele toekomstige schade bij een hoger beroep. Deze schade is op dit moment echter nog niet bekend en daardoor ook nog niet onderbouwd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij hiervoor op dit moment niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, zoals ook ter zitting nader door hem is bepleit.
Proceskosten
Ten aanzien van de gevorderde proceskosten is door de benadeelde partij verzocht om af te wijken van het liquidatietarief, omdat er sprake is van een omvangrijke en juridisch complexe zaak waarvoor de raadsman van de benadeelde partij diverse werkzaamheden heeft moeten verrichten, terwijl de benadeelde partij geen aanspraak kan maken op gefinancierde rechtsbijstand. Naar het oordeel van de rechtbank is uit de jurisprudentie niet gebleken dat om deze reden en ten aanzien van de hiervoor in de vordering aangevoerde werkzaamheden wordt afgeweken van het liquidatietarief. Mede gelet op het gemotiveerde verweer van de verdediging, zal de rechtbank bij de vergoeding van de proceskosten dan ook uitgaan van het liquidatietarief. Gelet op de gevorderde hoofdsom van € 50.000,- wordt uitgegaan van een liquidatietarief van € 866,- en twee punten (voor het opstellen van de vordering en het bijwonen van de zitting), zodat een bedrag van (€ 866,- x 2 =) € 1.732,- zal worden toegewezen. Voor het overige deel zal de vordering worden afgewezen.
[slachtoffer 2]
vordert een schadevergoeding van € 30.000,- aan immateriële schade.
De gevorderde schade is gebaseerd op artikel 6:106 lid Pro aanhef en onder b BW, te weten aantasting in de persoon in de zin van lichamelijk letsel en daaruit voortvloeiende psychische gevolgen. Naar het oordeel van de rechtbank staat de gevorderde schade in rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde feit onder 2 primair. Er is immers sprake van lichamelijk letsel als gevolg van het bewezenverklaarde feit en de psychische gevolgen staan hiermee in voldoende verband. In zoverre komt de gevorderde schade voor vergoeding in aanmerking. De benadeelde partij heeft naar het oordeel van de rechtbank ook voldoende stukken ter onderbouwing van de gevorderde schade overgelegd en de gevorderde schade is door of namens de verdachte niet betwist. De rechtbank acht dit gevorderde bedrag dan ook volledig toewijsbaar.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen van het Wetboek van Strafrecht 36f, 45, 47, 57, 63 en 289 en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1 primair:medeplegen van moord;
feit 2 primair:medeplegen van poging tot moord;
feit 3:medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II meermalen gepleegd
en
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot munitie van categorie II
en
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot munitie van categorie III;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstraf van (27) zevenentwintig jaren en (6) zes maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Benadeelde partijen
[benadeelde 1] (feit 1 primair)
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van € 18.082,56, waarvan € 582,56 aan materiële schade en € 17.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 september 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1] , € 18.082,56 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf
5 september 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 115 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
[benadeelde 2] (feit 1 primair)
- verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;
[benadeelde 3] (feit 1 primair)
- verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;
[benadeelde 4] (feit 1 primair)
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 4] van € 17.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 5 september 2024 tot aan de dag der voldoening;
- wijst de gevorderde immateriële schade, bestaande uit affectieschade, voor het overige af;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij voor rechtsbijstand heeft gemaakt, te weten € 1.732,-;
- wijst de vordering voor zover deze ziet op de kosten van rechtsbijstand voor het overige af;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 4] , € 17.500- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 5 september 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 112 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
[slachtoffer 2] (feit 2 primair)
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van
€ 30.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 5 september 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] , € 30.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf
5 september 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 158 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.L. Hoekstra, voorzitter, mr. G.M.J. Kok en mr. C.E.M. Marsé, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. de Jonge, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 9 juli 2026.
Bijlage I
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat
1
hij op of omstreeks 5 september 2024 te Ritthem, gemeente Vlissingen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
opzettelijk en met voorbedachte rade, [slachtoffer 1] , van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een of meer vuurwapen(s) een of meer kogel(s) in de hals/nek en/of in de borst, althans in het (boven)lichaam van die [slachtoffer 1] (af)geschoten/afgevuurd, tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden
( art 289 Wetboek Pro van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 5 september 2024 te Ritthem, gemeente Vlissingen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, door met een of meer vuurwapen(s) een of meer kogel(s) in de hals/nek en/of in de borst, althans in het (boven)lichaam van die [slachtoffer 1] (af) te schieten / af te vuren
( art 287 Wetboek Pro van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 5 september 2024 te Ritthem, gemeente Vlissingen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een of meer vuurwapen(s), een of meer kogel(s), in en/of in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 2] , heeft (af)geschoten / afgevuurd,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 289 Wetboek Pro van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 5 september 2024 te Ritthem, gemeente Vlissingen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, met dat opzet, met een of meer vuurwapen(s) een of meer kogel(s), in en/of in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 2] , heeft (af)geschoten / afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 287 Wetboek Pro van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
3
hij op of omstreeks 5 september 2024 te Ritthem, gemeente Vlissingen en/of te Goes, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), twee, althans (een) wapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid Pro 1, categorie II onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten:
- een machinepistool/pistoolmitrailleur, merk Ceska Zbrojovka (CZ), type Skorpion kaliber 7,65mm Browning en/of
- een pistool, merk Glock, type 17 gen 4 kaliber 9x19mm
EN/OF
twee, althans een wapenonde(e)l(en) als bedoeld in artikel 3 lid 1 van Pro de Wet wapens en munitie, te weten:
- een patroonmagazijn type CZ Skorpion, kaliber 7,65mm Browning en/of
- een patroonmagazijn, type 33 RDS, kaliber 9x19mm
EN/OF
munitie als bedoeld in artikel 2 lid Pro 2, categorie II onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten 27 kogelpatronen, althans een of meer kogelpatro(o)n(en), merk(en) CBC en/of S&B, kaliber 9mm Luger en/of
munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 categorie Pro III van de Wet wapens en munitie te weten 3 kogelpatronen, althans een of meer kogelpatro(o)n(en), merk S&B, kaliber 7,65mm Browning voorhanden heeft gehad.
(art 26 lid 1 Wet Pro wapens en munitie, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 26 lid 1 Wet Pro wapens en munitie )