ECLI:NL:RBZWB:2026:6165

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
02-352343-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wederrechtelijke vrijheidsberoving en heling, deels voorwaardelijke gevangenisstraf voor diefstal personenauto en goederen

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 9 juli 2026 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van meerdere vermogensdelicten en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Verdachte werd vrijgesproken van de wederrechtelijke vrijheidsberoving van drie kinderen en van de diefstal dan wel heling van een personenauto, omdat onvoldoende bewijs was voor opzet en betrokkenheid bij de diefstal. Wel werd verdachte schuldig bevonden aan de diefstal van een personenauto vanaf een besloten erf en aan diefstal van goederen uit een andere auto.

De rechtbank baseerde haar oordeel op onder meer de bekennende verklaring van verdachte, aangiften van benadeelden en het dossier. De strafoplegging hield rekening met het uitgebreide strafblad van verdachte, de ernst van de feiten en het advies van de verslavingsreclassering, die een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden adviseerde. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 180 dagen op, waarvan 56 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van een materiële schadevergoeding van €8.721,20 aan een benadeelde partij, vermeerderd met wettelijke rente. Andere schadevorderingen werden niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing of gebrek aan causaal verband. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf werd afgewezen vanwege het lopende begeleidings- en behandelingsprogramma. Het vonnis werd gewezen door drie rechters, waarvan één niet medeondertekende.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van wederrechtelijke vrijheidsberoving en heling, veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf voor diefstal en tot betaling van materiële schadevergoeding.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummers: 02-352343-25
Parketnummer TUL: 20-001654-23
Vonnis van de meervoudige kamer van 9 juli 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres 1]
,
raadsman mr. T. Roggenkamp, advocaat te Roosendaal.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 juni 2026, waarbij de officier van justitie mr. S.A.A.P. van Hees en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
feit 1:op 20 december 2025 een auto heeft weggenomen terwijl hij zich op het erf van die woning bevond buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende in;
feit 2:zich op 20 december 2025 schuldig heeft gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving van drie kinderen;
feit 3:zich op 19 december 2025 schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een personenauto met een valse sleutel dan wel die personenauto geheeld heeft;
feit 4:op 17 december 2025 meerdere tassen heeft weggenomen;

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten 1, 3 primair en 4. Ten aanzien van feit 2 vordert de officier van justitie verdachte vrij te spreken.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich voor wat betreft een bewezenverklaring van de feiten 1 en 4 aan het oordeel van de rechtbank. Met de officier van justitie is de verdediging van mening dat verdachte van feit 2 vrijgesproken moet worden, nu geen sprake is geweest van opzet bij verdachte. Verdachte moet ook worden vrijgesproken van feit 3, gelet op het lange tijdverloop tussen de wegneemhandeling van de personenauto en het ongeval waarbij deze personenauto betrokken is geweest.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 2
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen. Niet is gebleken van enig opzet bij verdachte om de kinderen van hun vrijheid te beroven. Zodra verdachte in de gaten had dat er drie kinderen in de door hem gestolen auto zaten, heeft hij ze uit de auto laten stappen. De verdachte zal daarvan dan ook worden vrijgesproken.
Feit 3
De rechtbank is verder van oordeel dat verdachte van het onder feit 3 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Op grond van het dossier kan worden vastgesteld dat verdachte de bestuurder van de gestolen auto was. Niet kan echter worden vastgesteld dat het verdachte is geweest die de personenauto heeft weggenomen, dan wel dat hij wist dat de personenauto van diefstal afkomstig was. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de verstreken tijd tussen de aanrijding en het eerdere moment van wegnemen onduidelijk is. Het dossier biedt daarvoor onvoldoende aanknopingspunten.
Feiten 1 en 4
Aangezien verdachte ten aanzien van de feiten 1 en 4 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank deze feiten wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 25 juni 2026;
- de aangifte van [aangever 1] , pagina 60 e.v. van het eindproces-verbaal (feit 1);
- de aangifte van [aangever 2] , pagina 15 e.v. van het eindproces-verbaal (feit 4).
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
op 20 december 2025 te [plaats] , op een besloten erf waarop een woning stond, te weten het erf gelegen aan de [adres 2] , alwaar verdachte zich buiten weten van de rechthebbende bevond, een personenauto van het merk BMW, die aan [aangever 1] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
4
op 17 december 2025 te Breda meerdere tassen en een groen jack, die aan [aangever 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 300 dagen, waarvan 176 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest en de tijd die verdachte in het buitenland heeft vastgezeten in het kader van deze zaak. Aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf moeten de bijzondere voorwaarden gekoppeld worden, zoals door de reclassering is geadviseerd. Daarnaast vordert de officier van justitie een taakstraf van 120 uur, te vervangen door 60 dagen hechtenis wanneer deze niet zou worden verricht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, is het verzoek om verdachte niet terug te sturen naar de gevangenis. Ook is het verzoek om geen taakstraf op te leggen, wat in lijn is met het advies van de reclassering.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de diefstal van een personenauto vanaf een besloten erf en aan de diefstal van goederen uit een andere personenauto. Met dergelijke vermogensdelicten heeft verdachte niet alleen aanzienlijke financiële schade veroorzaakt, maar ook inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de benadeelden en gevoelens van onveiligheid in de samenleving versterkt. De BMW heeft verdachte daarbij op zeer brutale wijze gestolen, terwijl deze voor de deur van de woning stond met draaiende motor. Daarbij was deze auto niet alleen helemaal ingepakt voor een vakantie, maar zaten ook de kinderen al op de achterbank. Hoewel de rechtbank de verdachte vrijspreekt voor de wederrechtelijke vrijheidsberoving, heeft de diefstal uiteraard hierdoor nog meer indruk gemaakt op de ouders en de kinderen, waarbij de ouders ook echt de schrik van hun leven hebben gehad.
Ook bij de diefstal uit de auto in de parkeergarage, bleek de brutaliteit van verdachte. Hij is meerdere malen naar de auto toe gegaan, kennelijk om (nog meer) spullen van zijn gading te zoeken.
De rechtbank heeft bij de strafoplegging acht geslagen op het strafblad van verdachte. Daaruit blijkt dat verdachte een uitgebreid strafblad heeft en meerdere keren is veroordeeld voor vermogensdelicten. Kennelijk hebben eerdere veroordelingen hem er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsrapport van de verslavingsreclassering van 17 juni 2026. Daaruit volgt dat verdachte op meerdere leefgebieden onvoldoende stabiliteit kende. Ook was sprake van overmatig gebruik van medicatie. De reclassering schat het risico op recidive in als hoog. Tegelijkertijd blijkt uit het rapport dat verdachte sinds 22 april 2026 verblijft bij [verblijfplaats] , waar wordt gewerkt aan meer structuur en stabiliteit en waar verdachte zal gaan meewerken met het opstellen van diagnostiek. Ook is er oog voor zijn financiën en is daartoe een uitkering en bewind aangevraagd. De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan gekoppeld de door hen geformuleerde bijzondere voorwaarden. Daarbij merkt de reclassering op dat een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf ertoe kan leiden dat verdachte zijn huidige woonplek met begeleiding en behandeling verliest. Ook ziet de reclassering contra-indicaties voor het opleggen van een taakstraf of een geldboete.
De rechtbank kan zich in het advies van de verslavingsreclassering vinden. Gelet op de ernst van de feiten en het uitgebreide strafblad is in beginsel een gevangenisstraf op zijn plaats. Tegelijkertijd acht de rechtbank het van belang dat de ingezette begeleiding en behandeling worden voortgezet en dat verdachte wordt gestimuleerd zijn leven verder te stabiliseren. De maatschappij is er uiteindelijk het meest bij gebaat als deze begeleiding en behandeling ervoor zorgen dat verdachte geen nieuwe strafbare feiten meer pleegt in de toekomst. Daarom zal de rechtbank een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaren en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan 56 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht (114 dagen) en in het buitenland heeft vastgezeten (10 dagen) zal overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht in mindering worden gebracht. Aan het voorwaardelijke strafdeel zullen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden.
De opgelegde straf is lager dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank ziet daarvoor aanleiding omdat zij tot een beperktere bewezenverklaring is gekomen dan waarvan de officier van justitie bij de strafeis is uitgegaan.

7.De vordering(en) van de benadeelde partij(en)

Benadeelde partij [aangever 1]
De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 17.814,30 voor feit 1.
De verdediging betwist deze vordering. De opgevoerde schade aan de auto is pas maanden later op papier gezet. Niet is vast te stellen dat die schade een rechtstreeks gevolg is van het handelen van verdachte. Nu de overige spullen niet op de tenlastelegging staan, is ook daarvoor geen rechtstreeks verband vast stellen. Het verzoek is om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, dan wel de vordering af te wijzen omdat deze onvoldoende onderbouwd is.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde schade aan de auto niet is vast te stellen. De Belgische politie heeft geen melding gedaan van schade aan de auto. Verder blijkt uit de ter onderbouwing opgevoerde offerte niet dat er schade is vastgesteld, maar dat de benadeelde partij eerst in maart 2026 zelf iets merkte aan het rijgedrag van de auto. De offerte ziet op onderzoek daarna en mogelijke kosten voor een reparatie. Het bestaan van schade en het causaal verband met het strafbare feit staan dan ook niet vast. Voor dat deel zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.
Ten aanzien van de opgevoerde post betreffende het contante geld, is de rechtbank van oordeel dat het dossier en de vordering geen concrete onderbouwing hiervoor biedt. De benadeelde partij had enige onderbouwing kunnen geven door bijvoorbeeld pinbewijzen aan de vordering toe te voegen. Ook voor dit deel zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.
Ten aanzien van de resterende posten van de vordering van benadeelde partij [aangever 1] , is de rechtbank van oordeel dat deze op grond van het dossier als aannemelijk en redelijk beschouwd kunnen worden. De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank dan ook toewijsbaar tot een bedrag van € 8.721,20 aan materiële schade.
Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 20 december 2025.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
Benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 5.680,51 voor feit 3.
Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.
De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Benadeelde partijen [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4]
Namens de benadeelde partijen
[benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4], allen minderjarig, vordert hun ouder, [aangever 1] , een immateriële schadevergoeding van
€ 2.000,- per kind voor feit 2.
Door de officier van justitie is ter zitting naar voren gebracht dat, hoewel niet tot een bewezenverklaring van dit feit kan worden gekomen, verdachte wel verantwoordelijk gehouden kan worden voor de gevorderde schade. Dit omdat de schade is ontstaan door zijn handelen bij feit 1, te weten het wegnemen van de personenauto.
Door de verdediging is aangevoerd dat de benadeelde partijen primair niet-ontvankelijk verklaard moeten worden, nu vrijspraak voor feit 2 bepleit is. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat, indien de schade gekoppeld wordt aan de wegneemhandeling van feit 1, gekeken moet worden naar de aard en ernst van de normschending. Daar geldt dan dat verdachte, op het moment dat hij wist dat er kinderen in de auto zaten, hij hen meteen uit de auto heeft gelaten. De vorderingen kunnen dan op die grond niet toegewezen worden. Meer subsidiair is verzocht om bij een toewijzing de gevorderde bedragen te matigen.
De rechtbank stelt vast dat gesteld wordt dat de schade bij de benadeelde partijen is ontstaan als gevolg van het bewezenverklaarde feit 1, te weten de diefstal van een personenauto. De rechtbank is van oordeel dat bij een diefstal, zoals in het onderhavige geval, in beginsel geen sprake kan zijn van een te vorderen immateriële schade. Daarbij gaat het namelijk om een te beschermen belang van het eigendom, waarbij in beginsel alleen materiële (vermogens)schade past. Daar komt bij dat het naar het oordeel van de rechtbank gaat om een gevolg dat in te ver verwijderd verband staat van het beschermde belang bij de diefstal van die auto. Nu voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte ontbreekt, is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partijen zullen daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.

8.De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand voorwaardelijk die aan verdachte is opgelegd bij arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 14 mei 2024 ten uitvoer zal worden gelegd. Ter zitting heeft de officier van justitie gevorderd deze voorwaardelijke gevangenisstraf om te zetten naar een taakstraf van 60 uren.
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. De rechtbank zal hiertoe niet besluiten, omdat zij verdachte in de hoofdzaak een voorwaardelijke straf zal opleggen met daaraan verbonden strikte bijzondere voorwaarden en zij reeds heeft overwogen dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet gewenst is. Ook voor een omzetting naar een taakstraf ziet de rechtbank die ruimte niet, gelet op het advies van de reclassering dat een taakstraf niet passend is. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, gelet op het traject waar hij nu al inzet en dat de komende tijd nog zal lopen, mogelijk overvraagd zal worden door de verplichting een taakstraf te verrichten. De vordering tot tenuitvoerlegging wordt dan ook afgewezen.

9.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10.Beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
-
spreekt verdachte vrijvan de onder 2 en 3 ten laste gelegde /feiten;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1:diefstal op een besloten erf waarop een woning staat door iemand die zich daar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt;
feit 4:Diefstal;
- verklaart verdachte strafbaar;
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 56 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als
bijzondere voorwaarden:
1.dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij SVG-reclassering Limburg op het adres Wilhelminaplein 26, 6041 CE Roermond (telefoonnummer 0475 - 786730);
2.dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door de [zorgverlener] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, cognitieve vaardigheden, schuldenproblematiek, woonoverlast en/of andere problematiek. Ook werkt verdachte mee met het opstellen van diagnostiek en aan de delictanalyse. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de
reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
3.dat verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in [verblijfplaats] of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
4.dat verdachte mee zal werken aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
5.Indien de reclassering het nodig acht, werkt verdachte gedurende de proeftijd mee aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol, harddrugs en/of softdrugs. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
Van rechtswege gelden voorts de volgende voorwaarden:
6.dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
7.dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht (zowel in Nederland als in België) in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Benadeelde partijen
T.a.v. feit 1
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij
[aangever 1]van € 8.721,20, aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 20 december 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[aangever 1],
€ 8.721,20te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 20 december 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling
68 dagen gijzelingkan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
T.a.v. feit 2
- verklaart de benadeelde partijen
[benadeelde 2] , [benadeelde 3]en
[benadeelde 4]niet-ontvankelijk in hun vorderingen en bepaalt dat deze vorderingen bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;
T.a.v. feit 3
- verklaart de benadeelde partij
[benadeelde 1]niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;
Vordering tenuitvoerlegging
- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.H. Hamburger, voorzitter,
mr. S. Tempel en mr. J.P.E. Mullers, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.R. Tafazzul, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 9 juli 2026.
Mr. Mullers is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 20 december 2025 te [plaats] , in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten het erf gelegen aan de [adres 2] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een personenauto van het merk BMW, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
( art 311 lid 1 ahf Pro/sub 3 Wetboek van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 20 december 2025 te [plaats] opzettelijk drie kinderen (te weten [benadeelde 2] , [benadeelde 4] en [benadeelde 3] ) wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door in de auto van [aangever 1] , waarin die kinderen achterin zaten, te stappen en daarmee weg te rijden;
( art 282 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht )
3
hij op of omstreeks 19 december 2025 te Breda een personenauto van het merk Link & Co, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft
weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen auto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of door een valse sleutel (een sleutel tot het gebruik waarvan verdachte niet gerechtigd, gemachtigd en/of bevoegd was);
( art 311 lid 1 ahf Pro/sub 5 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 20 december 2025 te Breda , een personenauto van het merk Link & Co, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof
( art 416 lid 1 ahf Pro/ond a Wetboek van Strafrecht )
4
hij op of omstreeks 17 december 2025 te Breda één of meerdere tassen en/of een (groen) jack, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft
weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
( art 310 Wetboek Pro van Strafrecht )