ECLI:NL:RBZWB:2026:6170

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/1860 en 25/2097
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 3:50 AwbArt. 2.7 OwArt. 5.1 Ow
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging omgevingsvergunning kapactiviteit wegens onvoldoende motivering herplantplicht

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde twee beroepen van eiser tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rucphen. Het eerste beroep betrof het handhavingsverzoek tegen illegale kap van bomen, het tweede de verleende omgevingsvergunning voor kapactiviteit aan een derde partij.

De rechtbank oordeelde dat eiser geen procesbelang meer had bij het handhavingsberoep omdat het college reeds had besloten handhavend op te treden. Dit beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen de omgevingsvergunning was gegrond omdat het college de vergunning had verleend terwijl de aanvraag niet voldeed aan de weigeringsgronden uit de APV en de herplantplicht onvoldoende was gemotiveerd.

De rechtbank stelde vast dat de gekapte bomen op de Groene Kaart stonden en dat het college onvoldoende objectief bewijs had geleverd dat de kap gerechtvaardigd was. Ook was het herplantplan niet gericht op herstel van de redengevende waardering van de bomenrij op de oorspronkelijke locatie. Daarom werd de vergunning vernietigd en herroepen, met de opdracht aan het college een nieuwe beslissing te nemen. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep tegen het handhavingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard en de omgevingsvergunning voor kapactiviteit is vernietigd wegens onvoldoende motivering van de herplantplicht.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/1860 en 25/2097

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2026 in de zaken tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rucphen, het college

(gemachtigden: mr. L. Stroek en E.R. de Vrij).
Als derde partij neemt aan de zaak 25/2097 deel: [persoon] te [plaats] .

Samenvatting

1. Deze uitspraak ziet op twee beroepen van eiser. Het beroep met zaaknummer 25/1860 gaat over het handhavingsverzoek van eiser. Het beroep met zaaknummer 25/2097 gaat over een aan derde partij verleende omgevingsvergunning voor een kapactiviteit. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat het besluit op zijn handhavingsverzoek niet ver genoeg strekt en dat de omgevingsvergunning niet op deze wijze verleend had mogen worden. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit van het college om handhavend op te treden en de verleende omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft bij het beroep dat ziet op zijn handhavingsverzoek. Het college heeft besloten om handhavend op te treden, daarmee heeft eiser bereikt wat hij met zijn verzoek wilde. Hier krijgt eiser dus geen gelijk en zijn beroep is niet-ontvankelijk.
In het beroep over de omgevingsvergunning komt de rechtbank tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning gelet op de weigeringsgronden uit de Algemene plaatselijke verordening Rucphen 2024 (APV) had moeten weigeren. De herplantplicht – die ook zelfstandig door het college kan worden opgelegd – is niet conform de Beleidsregel kappen en herplantplicht gemeente Rucphen opgelegd en daarom onvoldoende gemotiveerd. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen de oordelen hebben.

Inleiding

2. De rechtbank heeft de beroepen op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser met zijn partner en de gemachtigden van het college. Derde partij heeft zich afgemeld voor de zitting.
Totstandkoming van de bestreden besluiten
3. Derde partij – de eigenaresse van het perceel [adres 1] te [plaats] –heeft in september 2023 bij het college geïnformeerd of voor het kappen van een bomenrij op haar perceel een omgevingsvergunning nodig is. Een medewerkster vergunningen van de gemeente Rucphen heeft derde partij via een e-mailbericht laten weten zij intern heeft overlegd en dat de rij bomen zonder vergunning mag worden gekapt. De kap van de bomenrij is vergunningsvrij omdat de bomen niet op de Groene Kaart staan, aldus de medewerkster.
3.1.
Eiser woont aan de [adres 2] te [plaats] tegenover het perceel van derde partij. Hij heeft in maart 2024 een melding van illegale bomenkap bij het college gedaan en verzocht om handhavend optreden. Op 18 maart 2024 heeft, naar aanleiding van die melding, een controle op het perceel van derde partij plaatsgevonden. Uit het controlerapport blijkt dat de bomenrij wel op de Groene Kaart staat en dat drie bomen in de bomenrij zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning gekapt zijn. De bomenrij staat op de Groene Kaart vanwege de waardering: beeldbepalend, schoonheid en belevingswaarde.
3.2.
Op 3 juni 2024 heeft eiser – omdat zijn eerste verzoek daarvoor niet goed was doorgekomen – het college schriftelijk verzocht om handhavend op te treden tegen het kappen van de bomen uit de bomenrij zonder omgevingsvergunning.
3.3.
Bij brief van 5 juli 2024 heeft het college eiser bericht voornemens te zijn om handhavend op te treden tegen de illegale kap op het perceel van derde partij. Bij brief van eveneens 5 juli 2024 heeft het college een voornemen last onder dwangsom wegens overtreding van artikel 4:11a, tweede lid, van de APV aan derde partij verzonden. Eiser en derde partij hebben zienswijzen ingediend.
3.4.
Op 25 juli 2024 heeft derde partij een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning voor een kapactiviteit. De aanvraag ziet op drie bomen: één verplaatste boom en twee gekapte bomen. In het herplantplan – dat onderdeel uitmaakt van de aanvraag – is aangegeven dat de Malis (bedoeld is Malus) is verplaatst naar de voorzijde van de woning van derde partij, een lijsterbes vier jaar geleden aan de zijkant van de woning is geplant ter compensatie en een Tilia Cordata is besteld om in het najaar eveneens aan de zijkant van de woning geplant te worden. De bomen die herplant zijn of worden, komen niet op de locatie van de gekapte bomen terug.
3.5.
Bij besluit van 22 augustus 2024 (primair besluit I) heeft het college eiser bericht handhavend te zullen gaan optreden. Bij besluit van eveneens 22 augustus 2024 heeft het college aan derde partij een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 4:11a, tweede lid, van de APV. Derde partij verbeurt een dwangsom van € 3.000,- wanneer niet binnen twee maanden een kapvergunning is aangevraagd voor de twee gekapte en één verplaatste boom. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een kapactiviteit moet een door de Adviseur Groen van de gemeente goedgekeurd herplantplan worden ingediend dat bestaat uit de herplant van twee streekeigen, inheemse soorten.
3.6.
Bij besluit van 11 september 2024 (primair besluit II) heeft het college aan derde partij een omgevingsvergunning voor een kapactiviteit verleend.
3.7.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen beide primaire besluiten. Tegen de aan derde partij opgelegde last onder dwangsom is geen bezwaar gemaakt.
3.8.
Bij bestreden besluit van 5 februari 2025 (bestreden besluit I) heeft het college het bezwaar tegen het besluit op het handhavingsverzoek (primair besluit I) ongegrond verklaard.
3.9.
Bij bestreden besluit van 27 februari 2025 (bestreden besluit II) heeft het college het bezwaar tegen de verleende omgevingsvergunning (primair besluit II) ongegrond verklaard.
3.10.
Bij brief van 18 maart 2025 heeft het college derde partij bericht dat aan de opgelegde last is voldaan.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet (Ow) en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Dat betekent dat in deze zaken de nieuwe Omgevingswet van toepassing is. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden.
4.1.
De lokale regels van een gemeentelijke verordening, zoals de APV, die zien op de fysieke leefomgeving zijn in de overgangsfase naar het nieuwe omgevingsplan geen onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan. Artikel 22.8 van de Ow bepaalt namelijk dat voor zover op grond van een bepaling in een gemeentelijke verordening een vergunning is vereist voor een geval waarin regels over de fysieke leefomgeving op grond van artikel 2.7, eerste lid, alleen in het omgevingsplan opgenomen mogen worden, een zodanige bepaling geldt als een verbod om zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten als bedoeld in artikel 5.1, onder a, van de Ow. In artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow staat dat een omgevingsvergunning is vereist voor een omgevingsplanactiviteit.
4.2.
De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Beroep met zaaknummer 25/1860

5. Dit beroep ziet op het besluit dat het college heeft genomen op het handhavingsverzoek van eiser.
Is er (nog) procesbelang in deze procedure?
6. De rechtbank ziet zich allereerst – ambtshalve – voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft in deze procedure. Procesbelang is het belang dat een eisende partij heeft bij de uitkomst van de procedure. Dit betekent dat het doel dat eiser voor ogen staat met het beroep kan worden bereikt en voor hem feitelijke betekenis heeft. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens bezwaar of beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak [1] .
6.1.
De rechtbank stelt vast dat het college twee besluiten heeft genomen naar aanleiding van het door eiser ingediende handhavingsverzoek. Een besluit om handhavend op te treden gericht aan eiser en een besluit inhoudende een last onder dwangsom gericht aan derde partij. Eiser heeft bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld tegen het aan hem gerichte besluit waarin het college heeft aangegeven dat handhavend zal worden opgetreden tegen de illegale kap. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser daarmee bereikt wat hij kon bereiken. Hij heeft verzocht om handhavend optreden en het college heeft vervolgens besloten om handhavend op te treden. Voor zover eiser heeft willen bereiken dat in een herplantplicht voor vier bomen wordt voorzien, merkt de rechtbank op dat derde partij schriftelijk richting de rechtbank heeft aangegeven, wat ook ter zitting is besproken, dat ook een vierde boom zal worden herplant.
6.2.
De rechtbank zal het beroep met zaaknummer 25/1860 niet-ontvankelijk verklaren.

Beroep met zaaknummer 25/2097

7. Dit beroep ziet op de aan derde partij verleende omgevingsvergunning voor een kapactiviteit. Derde partij heeft de aanvraag voor deze omgevingsvergunning ingediend om te kunnen voldoen aan de opgelegde last onder dwangsom [2] . Het college heeft aan de omgevingsvergunning een herplantplicht verbonden.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting maakt de rechtbank op dat het college de illegale kap heeft willen compenseren met de herplantplicht.
7.1.
Eiser heeft – samengevat – aangevoerd dat het college de omgevingsvergunning niet op deze wijze had mogen verlenen. Er zijn vier bomen uit de bomenrij gekapt terwijl de aanvraag slechts ziet op de kap en herplant van drie bomen. Ook worden de bomen niet herplant op de locatie waar de bomen illegaal gekapt zijn, waardoor de waarde van de bomenrij niet hersteld wordt.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat partijen het eens zijn dat de door derde partij gekapte bomen onderdeel uitmaakten van een bomenrij die op de Groene Kaart van de gemeente Rucphen staat. Uit artikel 4:11a, tweede lid, van de APV volgt dat bomen die op de Groene Kaart staan, alleen mogen worden gekapt als daarvoor door het college een omgevingsvergunning voor een kapactiviteit is verleend. Het college toetst een aanvraag voor een dergelijke omgevingsvergunning aan artikel 4:11b van de APV. De systematiek van dit artikel houdt in dat het college eerst toetst of één of meer van de weigeringsgronden opgenomen in het eerste lid van toepassing is/zijn. Als dat het geval is, kan een omgevingsvergunning alleen worden verleend als een uitzondering uit het tweede lid van dit artikel van toepassing is.
Als een omgevingsvergunning kan worden verleend, geeft de Beleidsregel kappen en herplantplicht gemeente Rucphen (Beleidsregel) aan welke voorschriften aan de vergunning worden verbonden en welke aan de vergunning
kunnenworden verbonden.
7.3.
Artikel 4:11c van de APV biedt de mogelijkheid aan het college om in geval van illegale kap een zelfstandige herplantplicht op te leggen. De rechtbank merkt – voorafgaand aan de inhoudelijke beoordeling van de verleende omgevingsvergunning op – dat het college het zichzelf en derde partij niet makkelijk heeft gemaakt door een last onder dwangsom op te leggen waarin de last inhoudt dat derde partij een aanvraag voor een kapvergunning moet indienen terwijl de bomen al gekapt zijn terwijl de last ook alleen een herplantplicht had kunnen inhouden.
Heeft het college de omgevingsvergunning kunnen verlenen?
8. De rechtbank stelt vast dat derde partij op 25 juli 2024 een aanvraag om omgevingsvergunning voor een kapactiviteit heeft ingediend om aan de last onder dwangsom te kunnen voldoen. De aanvraag ziet op het (achteraf) verkrijgen van toestemming voor de kap of verplaatsing van in totaal drie bomen en een herplantplan maakt onderdeel uit van de aanvraag. De rechtbank overweegt dat het college moet beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend.
Bij besluit van 11 september 2024 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Uit de vergunning blijkt dat het college de omgevingsvergunning heeft verleend onder verwijzing naar artikel 4:11b, tweede lid, onder b van de APV. Hierin wordt bepaald dat de omgevingsvergunning toch kan worden verleend indien naar boomdeskundige maatstaven instandhouding niet langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of schade
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt objectieve informatie waaruit blijkt dat aan deze uitzondering wordt voldaan. In het controlerapport zit één foto van één boom die minder gezond lijkt te zijn. Welke van de gekapte bomen dat is, is onduidelijk. Of dit voor de andere gekapte bomen ook geldt, blijkt niet uit het controlerapport. Of de bomen dusdanig ziek waren dat naar boomdeskundige maatstaven instandhouding niet langer verantwoord was vanwege het risico dat letsel of schade zou ontstaan, is ook niet met objectieven informatie onderbouwd. Het college lijkt zich gebaseerd te hebben op wat derde partij summier aan het college heeft gemeld. Het eigen onderzoek van het college – neergelegd in het controlerapport of anderszins – is niet toereikend en onafhankelijke (deskundige)rapporten ontbreken.
Voor zover het college zich op het standpunt heeft gesteld dat het vertrouwensbeginsel maakt dat de omgevingsvergunning verleend had moeten worden, is de rechtbank van oordeel dat in het voorliggende procedure het vertrouwensbeginsel geen rol speelt. Het college heeft bij navraag van derde partij over een eventuele vergunningplicht aangegeven dat de kap van de bomen niet vergunningplichtig is. Dat is een toezegging die in een handhavingsprocedure een rol speelt. Het college heeft niet toegezegd dat een omgevingsvergunning kan worden verleend, de last ziet enkel op het indienen van een aanvraag met een goedgekeurd herplantplan.
8.2.
Nu niet is onderbouwd en het dossier bij de huidige stand van zaken ook geen informatie bevat waarmee redelijkerwijs kan worden onderbouwd dat een uitzondering opgenomen in artikel 4:11b, tweede lid, van de APV op de aanvraag van toepassing is, had het college de omgevingsvergunning moeten weigeren. Gelet hierop komt bestreden besluit II voor vernietiging in aanmerking.
Herplantplicht
9. De rechtbank ziet aanleiding om de aan de omgevingsvergunning verbonden herplantplicht te beoordelen om te bezien of de eventuele rechtsgevolgen van de omgevingsvergunning in stand kunnen worden gelaten.
9.1.
De rechtbank stelt vast dat artikel 2 van Pro de Beleidsregel invulling geeft aan de herplantplicht die aan een omgevingsvergunning voor een kapactiviteit wordt verbonden. Het zesde lid van dit artikel bepaalt dat in de omgevingsvergunning een voorschrift wordt opgenomen dat inhoudt dat de herplant wordt opgelegd voor dezelfde locatie of de directe nabijheid van de te kappen houtopstand, waarbij de redengevende waardering van de te kappen houtopstand wordt hersteld.
9.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom met het herplantplan sprake is van herplant nabij de locatie en herstel van de redengevende waardering van de gekapte bomen. De bomenrij heeft op de Groene Kaart de waardering: beeldbepalend, schoonheid en belevingswaarde. Uit de omgevingsvergunning blijkt niet hoe met de herplant van de bomen elders op het perceel deze waardering wordt hersteld. Dat de bomenrij mogelijk in de toekomst anders gewaardeerd wordt, is nu voor die beoordeling niet relevant.
Voor de beoordeling of herplant op of nabij de locatie van de gekapte bomen mogelijk is, is nader onderzoek nodig. Dat onderzoek zal in ieder geval moeten plaatsvinden naar eventuele fysieke belemmeringen, de gezondheid van de grond en de herstelbaarheid van de waarde van de bomenrij (beeldbepalendheid, schoonheid en belevingswaarde). Daarbij merkt de rechtbank wel op dat bij de invulling hoeveel bomen nodig zijn voor het herstel van de bomenrij het college beoordelingsruimte heeft. Bij die beoordeling dient vastgesteld beleid als uitgangspunt te worden gehanteerd.
9.3.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op het motiveringsgebrek dat aan de herplantplicht kleeft, de rechtsgevolgen van de verleende omgevingsvergunning niet in stand kunnen worden gelaten. Nu aanvullend onderzoek nodig is en derde partij daarbij betrokken moet worden, ziet de rechtbank aanleiding om ook het primair besluit (de omgevingsvergunning) te herroepen. Het college zal opnieuw op de aanvraag moeten beslissen.
10. Ten overvloede wil de rechtbank het college nog het volgende mee geven. Als de omgevingsvergunning geweigerd moet worden, kan het college op grond van artikel 4:11c van de APV bij een illegale kap ook alleen een herplantplicht opleggen. Uit artikel 3 van Pro de Beleidsregel volgt dat in dat geval artikel 2 van Pro de Beleidsregel ook geldt.
Als het college besluit om de omgevingsvergunning te weigeren en in plaats daarvan een herplantplicht op te leggen aan derde partij, geeft de rechtbank het college mee dat de door eiser ingebrachte gronden die zien op het aantal bomen, de locatie van de bomen, de soort bomen en de omvang van de bomen in die besluitvorming meegewogen kunnen worden. Dat geldt ook voor de toezegging van derde partij om een vierde boom te herplanten.

Conclusie en gevolgen

11. De rechtbank zal het beroep met zaaknummer 25/1860 niet-ontvankelijk verklaren. Omdat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, krijgt eiser geen proceskostenvergoeding. Ook krijgt hij zijn griffierecht in deze procedure niet vergoed.
11. Het bestreden besluit in het beroep met zaaknummer 25/2097 heeft een motiveringsgebrek voor zowel de verleende omgevingsvergunning als het daaraan verbonden voorschrift dat ziet op de herplantplicht. Omdat aanvullend onderzoek nodig is en derde partij daarbij betrokken zal moeten worden, is de bestuurlijke lus geen geschikt middel. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en de omgevingsvergunning herroepen zodat het college een nieuwe beslissing op de aanvraag van derde partij moet nemen.
12.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht van eiser in deze beroepszaak vergoeden en krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding bepalen. De rechtbank is van oordeel dat de door eiser verzochte reiskosten van € 23,16, gebaseerd op openbaar vervoer voor hem en zijn partner voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep met zaaknummer 25/1860 niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep met zaaknummer 25/2097 gegrond;
  • vernietigt bestreden besluit II en herroept de omgevingsvergunning (primair besluit II);
  • bepaalt dat het college binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op de aanvraag om een omgevingsvergunning van derde partij dient te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • draagt het college op het griffierecht van € 194,- in het beroep met zaaknummer 25/2097 te vergoeden;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van eiser, bestaande uit reiskosten tot een bedrag van € 23,16.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van drs. A. Lemaire, griffier, op 9 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:2 bepaalt Pro dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart.
Artikel 3:46 bepaalt Pro dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.
Artikel 3:50 bepaalt Pro dat indien een bestuursorgaan een besluit neemt dat afwijkt van een met het oog daarop krachtens wettelijk voorschrift uitgebracht advies, wordt zulks met de redenen voor de afwijking in de motivering vermeld.
Omgevingswet
Artikel 2.7, eerste lid bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur gevallen kunnen worden aangewezen waarin regels over de fysieke leefomgeving alleen in het omgevingsplan mogen worden opgenomen.
Artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
Artikel 22.8 bepaalt dat voor zover op grond van een bepaling in een gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist voor een geval waarin regels over de fysieke leefomgeving op grond van artikel 2.7, eerste lid, alleen in het omgevingsplan mogen worden opgenomen, geldt een zodanige bepaling als een verbod om zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a.
Algemene plaatselijke verordening Rucphen 2024
Artikel 4:10 bepaalt Pro dat in deze afdeling wordt verstaan onder:
  • houtopstand: hakhout, een houtwal of één of meer bomen;
  • beschermde houtopstand: een houtopstand die is vastgelegd op de Groene Kaart;
  • Groene Kaart: topografische kaart met daarop aangegeven beschermde houtopstanden getekend als vlakvormige, lijnvormige- en puntvormige elementen, met bijbehorend register in de vorm van inventarisatiebladen;
  • kappen: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben (zoals kandelaberen).
Artikel 4:11a, eerste lid, bepaalt dat het college de Groene Kaart vaststelt waarop de beschermde houtopstanden zijn vermeld.
Artikel 4:11a, tweede lid, bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning van het college beschermde houtopstanden te kappen of te doen kappen die staan vermeld op de Groene Kaart.
Artikel 4:11a, vierde lid, bepaalt dat het college de omgevingsvergunning voor het kappen van een beschermde houtopstand zoals opgenomen in de Groene Kaart kan weigeren, dan wel onder voorschriften of beperkingen verlenen.
Artikel 4:11a, vijfde lid, bepaalt dat omtrent de belangenafweging en de voorschriften of beperkingen het college nadere regels kan opstellen.
Artikel 4:11b, eerste lid, bepaalt dat een omgevingsvergunning voor het kappen van een beschermde houtopstand op de Groene Kaart wordt geweigerd op grond van:
de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; en/of
de natuur- en milieuwaarde van de houtopstand; en/of
de boomstructuurwaarde; en/of
e maatschappelijke waarde van een particuliere houtopstand.
Artikel 4:11b, tweede lid, bepaalt dat in afwijking van lid 1 het college de omgevingsvergunning voor het kappen van een beschermde houtopstand kan verlenen indien:
behoud van de houtopstand leidt tot een beperking voor de concrete uitvoering van een vastgesteld bestemmingsplan, omgevingsplan of omgevingsvergunning, waarin alternatieven voor behoud zijn onderzocht, of;
naar boomdeskundige maatstaven instandhouding niet langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of schade of;
een algemeen maatschappelijk belang opweegt tegen duurzaam behoud van de beschermde houtopstand.
Artikel 4:11b, derde lid, bepaalt dat het college een herplantplicht of een financiële herplantplicht ten gunste van het groenfonds kan opleggen.
Artikel 4:11c bepaalt dat indien een beschermde houtopstand zonder omgevingsvergunning is gekapt, het college aan de eigenaar een verplichting tot herplant of financiële herplantplicht kan opleggen als genoemd in artikel 4:11b, lid 3.
Beleidsregel kappen en herplantplicht gemeente Rucphen
Artikel 2, zesde lid bepaalt dat als vergunningvoorschrift wordt opgenomen dat de herplant wordt opgelegd voor dezelfde locatie of de directe nabijheid van de te kappen houtopstand, waarbij de redengevende waardering van de te kappen houtopstand wordt hersteld.
Artikel 3 bepaalt Pro dat indien een houtopstand waarop het verbod tot kappen van toepassing is, zonder omgevingsvergunning is gekapt, of op een andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijke gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degenen die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herplanten overeenkomstig de voorschriften als genoemd in artikel 2.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2026:3815.
2.Deze last onder dwangsom is opgelegd naar aanleiding van het handhavingsverzoek van eiser. Zie hiervoor ook het beroep met zaaknummer 25/1860.