ECLI:NL:RBZWB:2026:6172

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
C/02/415937 / HA ZA 23-594 (E) en C/02/423455 / HA ZA 24-314 (E)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Goedegebuur
  • Fleskens
  • Stoof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:185 BWArt. 6:186 BWArt. 6:187 BWArt. 6:191 BWArt. 6:197 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid producent voor gebrekkige long zipline clamp bij dodelijk ongeval op tokkelbaan

Bij een ongeval op een tokkelbaan in het klimpark Biesbosch brak de long zipline clamp, een onderdeel van het zekeringssysteem saferoller, waardoor een bezoeker ernstig gewond raakte en later overleed. Chubb, verzekeraar van de producent Kanopeo, vordert schadevergoeding van Kdynium, producent van de clamp, op grond van productaansprakelijkheid. Kdynium voert verweren waaronder cessie, verjaring en dat het gebrek door ontwerpkeuzes van Kanopeo zou zijn veroorzaakt.

De rechtbank oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is. Uit deskundigenonderzoek van TNO blijkt dat de breuk is veroorzaakt door een productiefout, namelijk een gebrekkige warmtebehandeling die scheurvormende spanningscorrosie veroorzaakte. Het beroep van Kdynium op ontwerpgebrek faalt omdat dit onvoldoende is onderbouwd. Ook is de vordering niet verjaard omdat de verjaring tijdig is gestuit met aangetekende brieven.

De rechtbank wijst de vordering van Chubb tot betaling van €418.125,18 plus wettelijke rente toe en verklaart de vordering uitvoerbaar bij voorraad. De vordering tot verklaring voor recht en de kostenvergoeding worden afgewezen. In de vrijwaringszaak wijst de rechtbank de vorderingen van Kdynium tegen Prolim en Funcha af, omdat Kdynium onvoldoende heeft onderbouwd dat deze partijen aansprakelijk zijn. De proceskosten worden verdeeld waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt in de hoofdzaak en Kdynium de kosten van Prolim en Funcha in de vrijwaringszaak moet betalen.

Uitkomst: Kdynium wordt veroordeeld tot betaling van €418.125,18 schadevergoeding plus rente aan Chubb wegens gebrekkige long zipline clamp die brak bij tokkelbaanongeval.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummers: C/02/415937 / HA ZA 23-594 en C/02/423455 / HA ZA 24-314
Vonnis in hoofdzaak en de vrijwaring van 27 mei 2026
in de hoofdzaak met zaaknummer C/02/415937 / HA ZA 23-594 van:
de rechtspersoon naar buitenlands recht
CHUBB INSURANCE (SWITZERLAND) LIMITED,
te 8001 Zürich (Zwitserland),
eisende partij,
hierna te noemen: Chubb ,
advocaat: mr. D.J. Wolf,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
KDYNIUM AS,
te CZ-345 06 Kdyne (Tsjechië),
gedaagde partij,
hierna te noemen: Kdynium ,
advocaat: mr. J.S. Mennema.
en in de vrijwaringszaak met zaaknummer C/02/423455 / HA ZA 24-314 van:
de rechtspersoon naar buitenlands recht
KDYNIUM AS,
te CZ-345 06 Kdyne (Tsjechië),
eisende partij,
hierna te noemen: Kdynium ,
advocaat: mr. J.S. Mennema,
tegen
1. de rechtspersoon naar buitenlands recht
PROLIM ENGINEERING GMBH,
te Zurich (Zwitserland),
advocaat: mr. J. Streefkerk,
2.
FUNCHA ! B.V.,
te Bunnik,
advocaat: mr. D.J. van der Kolk,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: Prolim en Funcha ,

1. De hoofdzaak en vrijwaringszaak in het kort

1.1. De heer [persoon] is bij een ongeval op een tokkelbaan in het klimpark Biesbosch gewond geraakt en uiteindelijk overleden. [persoon] ging aan een zipline (kabel) naar beneden. Het onderdeel waarmee de zipline aan de paal was bevestigd, de long zip clamp, is bij de arm afgebroken. Kanopeo GmbH (hierna: Kanopeo ) is de producent van de zipline, genaamd de saferoller. Het afgebroken onderdeel is geproduceerd door Kdynium . Prolim is betrokken geweest bij het verder ontwikkelen van de saferoller. Het klimpark is gebouwd door Funcha . Chubb is de verzekeraar van Kanopeo .
Chubb eist in de hoofdzaak betaling van schadevergoeding van Kdynium . Chubb stelt dat zij de verhaalsvordering op Kdynium heeft gekocht van de nabestaanden van [persoon] . Chubb meent dat Kdynium als producent van het afgebroken onderdeel aansprakelijk is voor de schade. In de hoofdzaak gaat het om de vraag of Kdynium een gebrekkig product in het verkeer heeft gebracht en hiervoor aansprakelijk is. Kdynium voert meerdere bevrijdende verweren, bijvoorbeeld het verweer dat het gebrek is veroorzaakt door Kanopeo vanwege ongeschikt materiaal van de saferoller.
In de vrijwaringszaak meent Kdynium dat Prolim en Funcha moeten betalen waartoe zij in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld. Prolim heeft de ontwerpkeuze voor de saferoller mede bepaald. Funcha heeft een tweede klem, de pole clamp, niet juist gemonteerd waardoor er geen back-upbeveiliging voor de afgebroken long zipline clamp aanwezig was.
1.2. De rechtbank wijst de vordering van Chubb in de hoofdzaak toe. De vorderingen van Kdynium in de vrijwaringszaak worden afgewezen. De rechtbank legt onder het kopje ‘De beoordeling’ uit waarom. Eerst wordt ingegaan op het verloop van de procedures, de feiten en de vorderingen in de hoofdzaak en de vrijwaringszaak. Onder het laatste kopje is de beslissing van de rechtbank te lezen.

2 De procedure

in de hoofdzaak
2.1.
Het verloop van de procedure in de hoofdzaak blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 september 2024 en de daarin genoemde stukken,
- de akte met producties 7 t/m 14 van Chubb van 13 februari 2025,
- de akte met producties 15 t/m 17 en een vertaling van producties 7 t/m 10 van 29 september 2025 van Chubb ,
- de akte met productie 18 van 29 september 2025 van Chubb ,
- de akte met productie 19 van 30 september 2025 van Chubb ,
- de zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling van 9 oktober 2025, waarbij de spreekaantekeningen zijn gevoegd die tijdens de mondelinge behandeling zijn voorgedragen.
in de vrijwaringszaak
2.2.
Het verloop van de procedure in de vrijwaringzaak blijkt uit:
- het tussenvonnis van 26 maart 2025 en de daarin genoemde stukken,
- de conclusie van antwoord met producties 3 t/m 6 van Funcha van 15 januari 2025,
- de akte met de vertaling van producties 2 t/m 12 van Prolim van 6 oktober 2025,
- de zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling van 9 oktober 2025, waarbij de spreekaantekeningen zijn gevoegd die tijdens de mondelinge behandeling zijn voorgedragen.
2.3.
De mondelinge behandeling van de hoofdzaak heeft gezamenlijk met de vrijwaringszaak plaatsgevonden op 9 oktober 2025.
2.4.
Ten slotte is in beide zaken een datum voor vonnis bepaald.

3.De feiten

in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak
3.1.
Chubb is de aansprakelijkheidsverzekeraar van Kanopeo .
3.2.
Kanopeo is producent van de Saferoller long zipline (hierna: de saferoller). Dit is een zekeringssysteem voor klimparcoursen en tokkelbanen. Bij dit beveiligingssysteem hoeft er geen haak losgemaakt te worden bij de overgang van een parcours van de tokkelbaan. De saferoller bestaat uit verschillende onderdelen, waaronder een long zipline clamp.
3.3.
Kdynium is producent en leverancier van de long zipline clamp. Kdynium exploiteert een precisiemetaalgieterij voor de productie van hoogwaardige precision castings. Zij giet kort gezegd metalen in een bepaalde gietmal om zo metalen producten te produceren. Hiervoor is nodig dat de metalen worden gesmolten. Kdynium heeft in opdracht van Kanepeo long zipline clamps geproduceerd en afgeleverd.
3.4.
Prolim is een ingenieursbedrijf.
3.5.
Kanopeo heeft Prolim in mei 2012 benaderd met de vraag haar te helpen bij het verder ontwikkelen van het ontwerp van de saferoller. Prolim heeft (namens Kanopeo ) contact opgenomen met Kdynium met de vraag of Kdynium een offerte kan opstellen voor het produceren van onderdelen van de saferoller waaronder de long zipline clamp. Per e-mail van 9 oktober 2012 heeft Prolim de ontwerpen en materiaalspecificaties van de saferoller onderdelen naar Kdynium gestuurd. Het ontwerp van de saferoller vermeldt als materiaal metaal met [legering 1] .
3.6.
In reactie hierop heeft Kdynium op 10 oktober 2012 een offerte gestuurd naar Prolim . In deze offerte heeft Kdynium [legering 2] voorgesteld. Kdynium heeft in haar aangepaste offerte van 7 november 2012 ten behoeve van de productie van de saferoller twee materialen voorgesteld, een metaal met [legering 2] en een metaal met [legering 3] .
3.7.
Kdynium heeft vervolgens na goedkeuring van Kanopeo prototypen van de saferoller van het materiaal met [legering 3] geproduceerd.
3.8.
Kanopeo heeft per e-mail van 25 maart 2013 long zipline clamps besteld bij Kdynium . Kdynium heeft op 27 maart 2013 twaalf long zipline clamps op haar terrein (fabriek af) afgeleverd aan Kanopeo .
3.9.
Op 24 mei 2013 heeft Recreatie-Centrum St. Hubertushoeve B.V. (hierna: St. Hubertushoeve) aan Funcha de schriftelijke opdracht gegeven om het klimpark Biesbosch (hierna: klimpark) te ontwerpen en te bouwen. Funcha is een ingenieurs- en aannemingsbedrijf. Haar statutaire naam was eerst Active Construction Services B.V.. Funcha heeft ten behoeve van deze opdracht bij Kanopeo saferoller producten besteld.
3.10.
Ook op 11 juli 2013 heeft Kdynium long zipline clamps fabriek-af geleverd in Tsjechië aan Kanopeo .
3.11.
Het klimpark is voor het publiek geopend op 13 juli 2013. Het klimpark bevat meerdere parcoursen, waaronder ook een parcours met zipline (tokkelbaan) over het water.
3.12.
Kanopeo heeft per factuur van 15 juli 2013 zes long zipline clamps in rekening gebracht bij Funcha .
3.13.
Op 20 november 2014 is [persoon] bij een ongeval op de tokkelbaan in het klimpark gewond geraakt en daarna overleden. [persoon] ging naar beneden aan de tokkelbaan. De zipline waaraan hij hing is losgeschoten van de houten paal waaraan deze was bevestigd. De bevestiging aan de houten paal heeft het begeven doordat een onderdeel daarvan, de long zipline clamp, bij de arm brak. [persoon] is hierdoor in het water terecht gekomen en gewond geraakt. Een week later overleed hij.
3.14.
Ook de zogeheten pole clamp schoot bij het ongeval op 20 november 2014 los van de paal.
3.15.
De long zipline die is losgeschoten begon bij de ene houten paal (T17) op een hoogte van ongeveer 14 meter en eindigde bij de andere houten paal (T18) op een hoogte van ongeveer 2,4 meter. De long zipline was op drie punten aan paal T18 bevestigd, namelijk met de long zipline clamp, de pole clamp en een bevestiging aan de ladder. De long zipline was met paal T18 verbonden met twee om de paal gewikkelde bevestigingskabels. De twee kabels liepen elk door één van de twee sparingen in de arm van de long zipline clamp. De pole clamp was met twee bouten aan paal T18 bevestigd.
3.16.
Bij brief van 24 oktober 2016 heeft de toenmalige advocaat van de nabestaanden van [persoon] (zijn vrouw en twee kinderen) Kdynium aansprakelijk gesteld voor de schade die zij lijden als gevolg van het ongeval van [persoon] .
3.17.
[echtgenote persoon] heeft (mede namens haar twee kinderen) drie aktes van cessie met Chubb gesloten. In deze aktes is bepaald dat de nabestaanden van [persoon] hun vordering om de schade te verhalen op derden hebben gecedeerd aan Chubb . In totaal gaat het om een koopsom van € 418.125,18. Dit is het bedrag dat Chubb aan de nabestaanden van [persoon] heeft betaald. De eerste akte van cessie met een koopsom van € 57.470,51 is op 28 november 2017 door Chubb ondertekend en op 1 december 2017 door [echtgenote persoon] . Het bedrag is betaald op 7 december 2017. De tweede akte met een koopsom van € 8.154,67 is op 2 augustus 2018 door Chubb ondertekend en op 4 september 2018 door [echtgenote persoon] . Het bedrag is betaald op 22 februari 2019. De derde akte van cessie met een koopsom van € 352.500,00 is op 23 april 2020 door Chubb ondertekend en op 29 april 2020 door [echtgenote persoon] . Dit bedrag is betaald op 26 mei 2020.
3.18.
Bij brief van 13 september 2018 aan Kdynium heeft de toenmalige advocaat van de nabestaanden van [persoon] bericht dat de verjaring van de schadevordering met deze brief wordt gestuit.
3.19.
Bij brief van 19 november 2018 heeft Chubb Kdynium bericht dat zij de verjaring van de vordering tot betaling van schadevergoeding stuit.
3.20.
TNO heeft voor het strafrechtelijk onderzoek tegen Kanepeo een deskundigenonderzoek uitgevoerd naar de oorzaak van het ongeval van [persoon] . Op 20 september 2019 heeft TNO een eindrapport hiervan opgesteld. TNO concludeert het volgende:
‘10.1Vraag 1
Wat is of zijn de feitelijke, technische oorzaken van de breuk(en)? Is dit mogelijk
een gevolg van:
a) een productie- of ontwerpfout;
b) (over)belasting;
c) vermoeidheid:
d) enig ander aspect (bijvoorbeeld SCC verschijnsel)
e) of een combinatie van het bovenstaande?
t) of een volledige andere oorzaak?
Antwoord vraag 1:
Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat het ongeval is ontstaan doordat de
Long Zip Clamp, waarmee Zip Line H5 was verbonden aan mast T18, was
bezweken.
Uit het metaalkundig en metallurgisch onderzoek is naar voren gekomen dat in de
arm van de Long Zip Clamp vrijwel zeker sprake was van scheurvormende
spanningscorrosie (Stress Corrosion Cracking). Als gevolg van deze
scheurvormende spanningscorrosie (SSC) was de werkende doorsnede van de
arm in de tijd afgenomen. Het is vrijwel zeker dat deze afname dusdanig groot was
dat de Long Zip Clamp, ten tijde van het ongeval, niet meer in staat was om de
gebruiksbelasting op te nemen.
Het scenario van initieel onvoldoende sterkte van de Long Zip Clamp kan niet
verworpen worden. Echter, dit scenario is niet waarschijnlijk, want de Long Zip
Clamp was al ruim een jaar in gebruik geweest, alvorens deze is bezweken.
Ten aanzien van de genoemde factoren geldt het volgende:
a)
Ontwerpfout: Uit de constructieve analyse van de Long Zip Clamp is
gebleken dat de maximaal optredende kabelkrachten en
materiaalspanningen voldoende laag zijn gebleven, waardoor het scenario
van een onjuist ontwerp komt te vervallen.
Productiefout: Ten aanzien van de scheurvormende spanningscorrosie
(Stress Corrosion Cracking (SCC)) geldt dat de aanwezigheid van carbide
precipitatie, de relatief hoge hardheid en de relatief grote korrels er op
duiden dat er zeer waarschijnlijk bij de productie van de arm van de Long
Zip Clamp, tijdens de warmtebehandeling, iets is misgegaan.
b)
(over)belasting: Het ongeval is niet ontstaan door een hogere belasting op de
Long Zip Clamp dan was voorzien.
c)
Vermoeidheid: Uit het metaalkundig en metallurgisch onderzoek is naar
voren gekomen dat de breuk van de Long Zip Clamp geen relatie heeft met
vermoeiing.
d)
Enig ander aspect (bijvoorbeeld SCC verschijnsel): Er was vrijwel zeker
sprake van scheurvormende spanningscorrosie (SCC).
e)
Of een combinatie van het bovenstaande?: Zie voorgaande antwoorden.
f)
Of een volledige andere oorzaak? Zie voorgaande antwoorden.’
3.21.
St. Hubertushoeve is een procedure gestart tegen Funcha omdat zij meende dat het opgeleverde klimpark gebrekkig was. Het klimpark is gebouwd van onbehandeld Douglas hout. Dat hout is ongeveer drie jaar na de oplevering van het klimpark op 8 augustus 2013 gaan rotten. Volgens St. Hubertushoeve is het rotten een gevolg van een verborgen gebrek waarvoor Funcha aansprakelijk is. St. Hubertushoeve vorderde daarom op grond van wanprestatie vergoeding van de daardoor geleden schade. Rechtbank Midden-Nederland heeft op 15 oktober 2020 de vorderingen van St. Hubertushoeve afgewezen. Hof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof) heeft bij arrest van 20 september 2022 het vonnis vernietigd. Het hof achtte kort samengevat Funcha wel aansprakelijk voor het verborgen gebrek. Funcha diende op grond van de overeenkomst zorg te dragen voor de vereiste kwaliteit van het werk en daarmee voor de materiaalkeuze van het hout. Het klimpark had niet de levensduur die St. Hubertushoeve mocht verwachten.
3.22.
Bij brief van 25 augustus 2021 heeft Chubb Kdynium bericht dat zij de verjaring van de vordering tot betaling van schadevergoeding stuit.
3.23.
Chubb is op 4 mei 2023 deze procedure tegen Kdynium gestart.

4.Het geschil

in de hoofdzaak
4.1.
Chubb vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  • voor recht verklaart dat Kdynium jegens Chubb aansprakelijk is voor het aan wijlen de heer [persoon] overkomen ongeval op 20 november 2016 in Klimpark Biesbosch te Hank,
  • Kdynium veroordeelt tot betaling van € 426.324,48, vermeerderd met de wettelijke rente,
  • Kdynium veroordeelt in de proceskosten (inclusief nakosten), te vermeerderen met rente.
4.2.
Chubb eist dat Kdynium aan haar schadevergoeding betaalt van in totaal € 426.324,48. Dit bedrag bestaat uit een bedrag van € 418.125,18 en een bedrag van € 8.199,30. Chubb stelt zich op het standpunt dat de vordering van de nabestaanden van [persoon] op Kdynium € 418.125,18 bedraagt en dat zij die vordering voor dat bedrag van de nabestaanden heeft gekocht (cessie). Volgens Chubb is Kdynium aansprakelijk, omdat uit onderzoek van TNO is gebleken dat het ongeval is veroorzaakt doordat de arm van de clamp van de long zipline is afgebroken. De breuk is veroorzaakt door een productiefout. De long zipline clamp is onderdeel van de saferoller en Kdynium is producent van deze clamp. Chubb baseert deze aansprakelijkheid primair op de wettelijke regeling van de productaansprakelijkheid en subsidiair op onrechtmatige daad.
Ook vordert Chubb betaling van € 8.199,30. Dat zijn kosten die Chubb heeft gemaakt in het kader van de schadeafwikkeling met de nabestaanden.
4.3.
Kdynium voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van Chubb , met veroordeling van Kdynium in de proceskosten. Volgens Kdynium is geen sprake van cessie, maar treedt Chubb in deze zaak op als verzekeraar van Kanopeo en neemt zij regres op Kdynium . Verder betwist Kdynium dat Kdynium als producent aansprakelijk is voor de schade. Kdynium verweert zich tegen de vordering met de stelling dat de vordering is verjaard en dat het vorderingsrecht is vervallen. Ook voert zij aan dat zij niet aansprakelijk is, omdat het gebrek is veroorzaakt door Kanopeo . De ontwerpkeuze voor de saferoller lag uitsluitend bij Kanopeo en Kanopeo heeft een ongeschikte legering gekozen.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in de vrijwaringszaak
4.5.
Kdynium vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Prolim en Funcha hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan Kdynium al hetgeen waartoe Kdynium in de hoofdzaak tegenover Chubb mocht worden veroordeeld, waaronder de proceskosten van de hoofdzaak, met hoofdelijke veroordeling van Prolim en Funcha in de proceskosten van de vrijwaringszaak.
4.6.
Kdynium stelt dat Prolim voor de schade aansprakelijk is, omdat Prolim mede de materiaalkeuze voor de saferoller onderdelen bepaalde.
4.7.
Volgens Kdynium is Funcha aansprakelijk omdat Funcha de pole clamp verkeerd heeft geïnstalleerd. Hierdoor functioneerde de pole clamp als de back-upbeveiliging niet. Indien de beveiliging wel had gefunctioneerd, dan was de tokkelbaan ondanks het afbreken van de long zipline clamp niet naar beneden gestort. Ook verwijt Kdynium Funcha dat de houten palen houtrot en schimmel hadden.
4.8.
Prolim en Funcha voeren gemotiveerd verweer dat strekt tot afwijzing van de vordering van Kdynium .
4.9.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak
5.1.
Omdat niet alle partijen in Nederland zijn gevestigd, heeft deze zaak een internationaal karakter. Dat betekent dat eerst de vraag moet worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is om van de zaak (hoofdzaak en vrijwaringszaak) kennis te nemen en, zo ja, welk recht dan door deze rechter moet worden toegepast.
5.2.
In de hoofdzaak is bij vonnis van 17 april 2024 geoordeeld dat de Nederlandse rechter, meer specifiek de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, bevoegd is om van de vorderingen van Chubb kennis te nemen op grond van artikel 7 lid 2 van Pro de Verordening (EG) nr. 1215/2012 (Brussel I bis-Verordening). Ook is geoordeeld dat Nederlands recht van toepassing is op grond van artikel 4 lid 1 van Pro de Verordening (EG) nr. 864/2007 (Rome II-Verordening). De rechtbank voegt hieraan toe dat, voor zover sprake is van productaansprakelijkheid, Nederlands recht van toepassing is op grond van artikel 4 aanhef Pro en sub a van het Verdrag inzake de wet welke van toepassing is op de aansprakelijkheid wegens produkten.
5.3.
Omdat de rechtbank bevoegd is in de hoofdzaak, is deze ook bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen in de vrijwaringszaak. Dat volgt uit artikel 8 lid 2 Brussel Pro I bis-Verordening. Daarnaast is ook in de vrijwaringszaak Nederlands recht van toepassing op grond van artikel 4 lid 1 Rome Pro II-Verordening.
5.4.
De rechtbank zal hieronder als eerste de vorderingen in de hoofdzaak inhoudelijk behandelen. Daarna volgt de beoordeling in de vrijwaringszaak.
in de hoofdzaak
De vordering van € 418.125,18
Cessie of subrogatie?
5.5.
Chubb heeft aan de nabestaanden van [persoon] wegens het ongeval van [persoon] in totaal € 418.125,18 betaald. Chubb en Kdynium verschillen van mening over de vraag of deze betaling is verricht ten behoeve van de cessie of dat Chubb door de gedane betaling op grond van subrogatie in de rechten van haar verzekerde Kanopeo is getreden.
5.6.
Chubb stelt zich op het standpunt dat de nabestaanden van [persoon] hun vordering om de schade te verhalen hebben verkocht en overgedragen aan Chubb voor een totaalbedrag van € 418.125,18. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst zij naar drie aktes van cessie waarbij steeds drie betalingen zijn gedaan en de vaststellingsovereenkomst van 29 april 2020.
5.7.
Kdynium betwist dat sprake is van cessie. Kdynium voert in haar conclusie van antwoord aan dat Chubb door de gedane betaling in de rechten van haar verzekerde Kanopeo is getreden. Kdynium beroept zich op de toepasselijkheid van artikel 7:962 BW Pro. Chubb heeft als verzekeraar van Kanopeo de schade afgewikkeld. Cessie van de vordering was hierdoor niet meer mogelijk. Kdynium stelt ook dat Chubb niet met betalingsbewijzen aantoont dat de cessie van de vordering eerder heeft plaatsgevonden dan de uitbetaling aan de nabestaanden. Alleen in dat geval kan sprake zijn van cessie.
5.8.
De rechtbank overweegt dat Chubb voorafgaand aan de mondelinge behandeling betalingsbewijzen heeft overgelegd. In haar spreekaantekeningen geeft Chubb aan dat uit de drie overgelegde aktes van cessie en de bijbehorende betalingsbewijzen volgt dat de vordering van de nabestaanden van [persoon] aan Chubb is gecedeerd. Kdynium heeft hier niet meer op gereageerd en daarmee haar betwisting van de cessie niet gehandhaafd. Omdat bovendien uit de aktes van cessie en bijbehorende betalingsbewijzen volgt dat eerst (een deel van) de vordering is gecedeerd en daarna is betaald, neemt de rechtbank als vaststaand feit aan dat Chubb de vordering van de nabestaanden op Kdynium heeft gekocht en in die hoedanigheid schadevergoeding vordert.
De risicoaansprakelijkheid van artikel 6:185 BW Pro
5.9.
Chubb baseert haar vordering tot schadevergoeding primair op de regeling van de productaansprakelijkheid (artikel 6:185 BW Pro) en subsidiair op onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW Pro). Kdynium stelt dat Chubb geen beroep kan doen op de risicoaansprakelijkheid van artikel 6:185 BW Pro en verwijst naar artikel 6:197 lid 3 BW Pro.
5.10.
Dit verweer faalt. Een verzekerde die benadeeld is, kan zich tegenover de mogelijke aansprakelijke partij beroepen op verschillende wettelijke risicoaansprakelijkheden, bijvoorbeeld artikel 6:185 BW Pro. In artikel 6:197 lid 2 BW Pro staat dat de verzekeraar niet in de rechten van zijn verzekerde op grond van die risicoaansprakelijkheden kan treden. Subrogatie is in die gevallen uitgesloten. Omdat subrogatie niet mogelijk is, kan de verzekeraar deze rechten ook niet via cessie van haar verzekerde verkrijgen. Dit staat met zoveel woorden in lid 3 van artikel 6:197 BW Pro. Het gaat hier in deze zaak om een cessie tussen de verzekeraar van Kanopeo en de nabestaanden van de benadeelde, niet zijnde haar verzekerde. Het gaat hier dus om een andere situatie dan bedoeld in artikel 6:197 lid 3 BW Pro. Chubb kan daarom haar vordering wel baseren op artikel 6:185 BW Pro. De rechtbank zal de vordering op deze grondslag hieronder beoordelen.
5.11.
Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat ook een redelijke uitleg van artikel 6:197 BW Pro meebrengt dat in de verhouding tussen Chubb en Kdynium artikel 6:185 BW Pro van toepassing is. Als Chubb immers wel was gesubrogeerd in de rechten van haar verzekerde, dan had zij jegens Kdynium ook een beroep kunnen doen op artikel 6:185 BW Pro wanneer vast staat dat zowel Kanopeo als Kdynium aansprakelijk zijn voor de schade.
Beoordelingskader voor gebrekkigheid
5.12.
Het staat tussen partijen vast dat Kanopeo als fabrikant van het eindproduct de saferoller en Kdynium als fabrikant van een onderdeel van de saferoller beide vallen onder de definitie van producent uit artikel 6:187 lid 2 BW Pro.
5.13.
De hoofdregel van de wettelijke regeling van de productaansprakelijkheid is dat een producent aansprakelijk is voor de schade veroorzaakt door een gebrek in zijn product (artikel 6:185 BW Pro). Artikel 6:186 BW Pro bepaalt dat een product gebrekkig is indien het niet de veiligheid biedt die men ervan mag verwachten. Het oordeel of een product gebrekkig is hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, bijvoorbeeld het redelijkerwijs te verwachten gebruik van het product.
5.14.
Chubb en Kdynium twisten over de vraag of het breken van de (arm van de) long zipline clamp een gebrek oplevert in de zin van artikel 6:186 BW Pro. Ook verschillen Chubb en Kdynium van mening over de vraag of de long zipline clamp is afgebroken als gevolg van een productiefout of een ontwerpfout.
5.15.
Volgens Chubb is de long zipline clamp gebrekkig omdat de arm van de long zipline clamp is gebruikt overeenkomstig het redelijkerwijs te verwachten gebruik en vervolgens is afgebroken. De long zipline clamp is bij de arm afgebroken waardoor de kabel is losgeraakt van de paal. Het heeft volgens Chubb geschort aan de warmtebehandeling van de arm van de long zipline clamp in het productieproces van Kdynium . Hierdoor is interkristallijne corrosie ontstaan met scheurvorming en de breuk tot gevolg.
5.16.
Kdynium betwist dat sprake is van gebrekkig product. Chubb voldoet niet aan haar stelplicht. Chubb toont ook niet aan dat de schade is veroorzaakt door een gebrek aan de zijde van Kdynium .
5.17.
De rechtbank is van oordeel dat de (arm van de) long zipline clamp gebrekkig is. De long zipline clamp is afgebroken en heeft (overlijdens)schade veroorzaakt terwijl het tussen partijen vaststaat dat [persoon] tijdens het tokkelen op normale wijze gebruik heeft gemaakt van de saferoller. Deze eigenschap, het afbreken van de long zipline clamp en het veroorzaken van ernstige schade tijdens normaal gebruik ervan, hoefde men als gebruiker niet te verwachten. De long zipline clamp biedt daarom niet de veiligheid die men van een onderdeel van een zekeringssysteem van een tokkelbaan mag verwachten. Ook de saferoller biedt daarom niet de veiligheid die men van een zekeringssysteem mag verwachten.
5.18.
Dat betekent dat Kanopeo als fabrikant van het eindproduct en Kdynium als fabrikant van het gebrekkige onderdeel in beginsel aansprakelijk zijn voor de schade die door het gebrek in de saferoller is veroorzaakt. Tussen partijen is niet in geschil dat het gevorderde bedrag aan overlijdenschade het gevolg is van het breken van de long zipline clamp.
De drie verweren van Kdynium
5.19.
Kdynium is niet aansprakelijk op grond van artikel 6:185 BW Pro wanneer het door haar gedane beroep op een verweermiddel uit de regeling van de productaansprakelijkheid slaagt. Kdynium voert drie verweren die de rechtbank hieronder zal beoordelen. Kdynium stelt dat:
het gebrek is te wijten aan de instructies van Kanopeo ,
het recht op schadevergoeding is vervallen,
de vordering is verjaard.
1.
Het gebrek is te wijten aan de instructies van Kanopeo
5.20.
Kdynium voert aan dat de afgebroken long zipline clamp het rechtstreekse gevolg is van de instructies van Kanopeo . Kdynium heeft op grond van de instructies van Kanopeo en Prolim de onderdelen van de saferoller gefabriceerd. Het ontwerp, de afmetingen, de materiaaleigenschappen en behandelingen van de saferoller zijn van Kanopeo en Prolim afkomstig. Kanopeo en Prolim kozen voor de productie van de saferoller met [legering 3] . Deze legering was ongeschikt. Het barsten van de long zipline clamp is volgens TNO het gevolg geweest van scheurvormende spanningscorrosie. In twee deskundigenrapporten van [bedrijf voor materiaaltesten] , die bijlagen zijn van het TNO-rapport, wordt hier verder op ingegaan. Zij hebben onderzoek gedaan naar de relatie tussen de intrinsieke hardheid van het materiaal, de brosheid en de daardoor optredende corrosie. Uit deze rapporten volgt dat de saferoller onderdelen uit [legering 3] door de intrinsieke hardheid van het gekozen materiaal vatbaar zijn voor zogeheten hydrogen embrittlement. Dat geldt zeker in vochtige omgevingen zoals de Biesbosch . Hydrogen embrittlement leidde tot de scheurvormende spanningscorrosie waardoor het onderdeel kan breken, samen met de “stress resulting from external loading”. Tot slot heeft Kdynium kritiek geuit op het rapport van TNO.
5.21.
Chubb betwist dat het gebrek is veroorzaakt door het ontwerp of de instructies van Kanopeo . Volgens Chubb is het gebrek veroorzaakt door een productiefout. Zij verwijst ter onderbouwing van haar stelling naar de conclusies uit het rapport van TNO. Chubb stelt in dit verband dat TNO op pagina 32 van het rapport heeft geconcludeerd dat er waarschijnlijk bij de productie van de long zipline clamp iets is misgegaan tijdens de warmtebehandeling. Hierdoor is de sterkte van de long zipline clamp in de tijd afgenomen. Dit is volgens TNO het meest reële scenario voor het bezwijken van de long zipline clamp ten tijde van het ongeval. TNO concludeert dan ook op pagina 45 dat sprake is van een productiefout. Van een ontwerpfout is volgens TNO geen sprake.
5.22.
De rechtbank leidt uit de stellingen van Kdynium af dat zij zich beroept op het verweermiddel van artikel 6:185 lid 1 sub f BW Pro. Artikel 6:185 lid 1 sub f BW Pro bepaalt dat een fabrikant van een onderdeel van het product niet aansprakelijk is indien het gebrek is te wijten aan het ontwerp van het product waarvan het onderdeel een bestanddeel vormt of aan de instructies die door de fabrikant van het product zijn verstrekt. Kdynium is dus niet aansprakelijk indien de afgebroken zipline clamp is te wijten aan het ontwerp van de saferoller van Kanopeo of aan de instructies van Kanopeo . De stelplicht en bewijslast hiervan rusten op Kdynium . Slaagt het beroep van Kdynium op dit artikel, dan is niet Kdynium maar alleen Kanopeo aansprakelijk.
5.23.
De rechtbank oordeelt dat het beroep van Kdynium op artikel 6:185 lid 1 sub f BW Pro niet slaagt. Kdynium meent dat sprake is van een ontwerpgebrek. Zoals Chubb terecht aangeeft, sluit TNO het scenario van een ontwerpfout uit. Vanwege deze gemotiveerde betwisting van Chubb , was het aan Kdynium om haar stelling dat het gebrek niet te wijten is aan het productieproces, maar aan het ontwerp van Kanopeo beter te onderbouwen, bijvoorbeeld aan de hand van een onderzoeksrapport van een door haar zelf ingeschakelde deskundige. Kdynium heeft dat niet gedaan. Wel heeft Kdynium gewezen op de onderzoeken van [bedrijf voor materiaaltesten] . Uit deze onderzoeken komt volgens Kdynium naar voren dat de long zipline clamp mogelijk is gebroken als gevolg van een verkeerde materiaalkeuze van Kanopeo . De rechtbank acht de verwijzing van Kdynium naar deze rapporten onvoldoende om haar eigen standpunt te onderbouwen. De onderzoeken van [bedrijf voor materiaaltesten] maken deel uit van het onderzoek van TNO. Dat betekent dat ook TNO de resultaten van deze onderzoeken heeft meegewogen bij het maken van haar eindoordeel dat het zeer waarschijnlijk een productiefout is. De conclusie van het voorgaande is dat dit verweer van Kdynium wordt gepasseerd.
2)
Het verweer dat het recht op schadevergoeding is vervallen
5.24.
Ook doet Kdynium een beroep op het verweer van artikel 6:191 lid 2 BW Pro.
5.25.
Het recht op schadevergoeding op grond van artikel 6:185 BW Pro vervalt na tien jaar. De termijn gaat lopen op het moment dat de producent het product in het verkeer heeft gebracht (artikel 6:191 lid 2 BW Pro). Een product is in het verkeer gebracht wanneer dit het productieproces van de producent heeft verlaten en is opgenomen in een verkoopproces in een vorm waarin het aan het publiek wordt aangeboden voor gebruik of consumptie.
5.26.
Volgens Kdynium heeft zij op 27 maart 2013 het product in het verkeer gebracht. De eerste serie long zipline clamps zijn geleverd op 27 maart 2013, en daarna ook op 11 juli 2013. Volgens Kdynium moet ervan worden uitgegaan dat de clamp die bij het ongeval is afgebroken op 27 maart 2013 aan Kanepeo is geleverd. De op 11 juli 2013 afgeleverde long zipline clamps kunnen niet zijn gebruikt in het klimpark omdat de levering aan Kanopeo op het eigen terrein van Kdynium (fabriek-af) in Tsjechië plaatsvond. Dat is één dag voor de keuring van het klimpark op 12 juli 2013 en twee dagen voor de opening van het klimpark. De vervaltermijn is daarom gaan lopen op 28 maart 2013 en voltooid op 27 maart 2023. Chubb heeft haar vordering tegen Kdynium ingesteld bij dagvaarding op 4 mei 2023 en dat is te laat.
5.27.
Chubb betwist dat het recht op schadevergoeding is vervallen. Chubb betwist dat de afgebroken long zipline clamp is geleverd op 27 maart 2013. Chubb wijst op facebookberichten van het klimpark zelf waaruit blijkt het parcours over het water pas openging op 2 augustus 2013. Daar heeft het ongeval met [persoon] plaatsgevonden. De long zipline clamp kan dus volgens Chubb ook geleverd zijn op 11 juli 2013 en daarna zijn geïnstalleerd. Ook wijst zij op de factuur van Kanopeo aan Funcha van 15 juli 2013 waarmee Kanopeo zes long zipline clamps in rekening heeft gebracht.
5.28.
Voor het bepalen van de start van de vervaltermijn is het tijdstip waarop Kdynium de afgebroken long zipline clamp heeft geleverd aan Kanopeo van belang. Het staat tussen partijen vast dat Kdynium op twee momenten long zipline clamps heeft geleverd aan Kanopeo , namelijk op 27 maart 2013 en op 11 juli 2013. Chubb en Kdynium verschillen van mening over het tijdstip waarop de afgebroken long zipline clamp in het verkeer is gebracht door Kdynium . Geldt het eerste tijdstip, dan is het recht op schadevergoeding vervallen. Geldt het tweede tijdstip, dan is het recht niet vervallen.
5.29.
Chubb betwist gemotiveerd dat de betreffende long zipline al op 27 maart 2013 is geleverd aan Kanopeo . Zij wijst er terecht op dat uit de door haar overgelegde facebookberichten blijkt dat de tokkelbaan over het water nog niet af was toen het klimpark voor het publiek openging. Kdynium voert in reactie op deze betwisting van Chubb geen nieuwe feiten of omstandigheden aan waaruit blijkt dat het aannemelijk is dat de long zipline clamp die is afgebroken al op 27 maart 2013 is geleverd en is gemonteerd op de tokkelbaan die over het water gaat. Kdynium is bijvoorbeeld niet ingegaan op de hoeveelheid clamps die Funcha heeft gebruikt voor de bouw van de tokkelbaan of wanneer Funcha dit specifieke onderdeel van het klimpark heeft gebouwd en heeft opgeleverd. De rechtbank is daarom van oordeel dat Kdynium haar stelling dat de afgebroken long zipline clamp in het verkeer is gebracht op 27 maart 2013 onvoldoende heeft onderbouwd. Aan bewijslevering wordt daarom niet toegekomen en dit bevrijdende verweer van Kdynium wordt dus gepasseerd.
4)
Het verweer dat de vordering is verjaard
5.30.
Kdynium stelt zich daarnaast op het standpunt dat zij niet aansprakelijk kan worden gehouden omdat de vordering van Chubb tot betaling van schadevergoeding is verjaard. Volgens Kdynium is de verjaring van de vordering aangevangen op 21 november 2014 omdat de gestelde schade en aansprakelijkheid van Kdynium als producent van de long zipline clamp al op 20 november 2014 bij Kanopeo bekend waren. Kdynium is al 1 dag na het ongeval hierover door Kanopeo geïnformeerd. De termijn van vijf jaar is daarom verstreken.
5.31.
Chubb betwist dit en stelt dat door middel van de brieven in 2016, 2018 en 2021 aan Kdynium de verjaring van de vordering tot schadevergoeding is gestuit. Hierdoor kan Kdynium geen geslaagd beroep doen op artikel 6:191 lid 1 BW Pro of artikel 3:310 lid 1 BW Pro.
5.32.
Kdynium beroept zich op verjaring op grond van artikel 3:310 BW Pro maar voor de regeling van de productaansprakelijkheid geldt een ander artikel voor verjaring, namelijk artikel 6:191 BW Pro. Hierin staat dat de vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer tegen de producent op grond van artikel 6:185 BW Pro verjaart door verloop van drie jaar na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde met de schade, het gebrek en de identiteit van de producent bekend is geworden of had moeten worden.
5.33.
Het beroep van Kdynium op verjaring (op grond van beide artikelen) gaat niet op. De rechtbank motiveert dit oordeel als volgt.
5.33.1.
Het staat tussen partijen niet ter discussie wanneer precies de verjaring is gaan lopen. Wel is tussen partijen in geschil of de vordering tijdig is gestuit waardoor de verjaringstermijn weer opnieuw is gaan lopen. Chubb stelt dat de verjaring is gestuit bij brieven van 24 oktober 2016 en 13 september 2018 van de nabestaanden van [persoon] aan Kdynium en bij brieven van 19 november 2018 en 25 augustus 2021 van Chubb aan Kdynium . Zoals Kdynium ter zitting heeft aangevoerd, heeft de stuitingsverklaring in een brief pas haar werking wanneer die brief die persoon heeft bereikt (artikel 3:37 BW Pro). Kdynium heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij niet weet of ze de hierboven genoemde brieven heeft ontvangen. Uit deze verklaring blijkt niet (duidelijk) dat Kdynium stelt dat ze de brieven niet heeft ontvangen. Chubb heeft de brieven en de ontvangstbewijzen hiervan overgelegd. De brieven van 24 oktober 2016 en 13 september 2018 zijn aangetekend verstuurd naar Kdynium met handtekeningbevestiging. De brief van 19 november 2018 is per e-mail en per post verstuurd. Chubb heeft het e-mailbericht overgelegd waarin staat dat het bericht is bezorgd bij het door Chubb gebruikte e-mailadres van Kdynium . Ook de brief van 25 augustus 2021 is per e-mail en per post verstuurd. Volgens het bericht van Post.nl is de brief op 1 september 2021 bezorgd.
5.33.2.
Gelet op de aanwezigheid van de ontvangstbewijzen en de verklaring van Kdynium op zitting neemt de rechtbank als vaststaand feit aan dat Kdynium de vier hierboven genoemde brieven daadwerkelijk heeft ontvangen. Vervolgens is Kdynium gedagvaard op 4 mei 2023. Dat betekent dat de nabestaanden van [persoon] en daarna Chubb de verjaring van de vordering steeds binnen een periode van drie jaar hebben gestuit. De vordering is daarom niet verjaard.
Overige punten
5.34.
Kdynium voert ook als verweer tegen aansprakelijkheid dat Kanopeo te snel tot productie van de saferoller onderdelen is overgegaan. Als zij deugdelijk had getest dan was uit de testen naar voren gekomen dat het door Kanopeo gekozen materiaal ongeschikt is voor de vochtige omgeving van het klimpark.
5.35.
De rechtbank oordeelt dat dit argument in lijn ligt met de stelling van Kdynium dat sprake is van een ontwerpgebrek. Dit verwijt kan haar daarom niet baten. Dit verwijt hoort ook thuis in de regresverhouding tussen Kdynium en Kanopeo . Hetzelfde geldt voor het argument dat Kanopeo in 2013 al wist van de risico’s op scheuren en porositeit van het materiaal.
5.36.
Kdynium meent tot slot, kort samengevat, dat het rapport van TNO om meerdere redenen niet door Chubb als bewijsmiddel kan dienen. Zo is Kdynium niet gehoord in het kader van dit rapport en TNO heeft verschillende relevante aspecten van het ongeval niet onderzocht.
5.37.
Dit bezwaar gaat niet op. Chubb gebruikt het rapport ten eerste ter onderbouwing van haar eigen standpunt en dat mag. Zoals gezegd lag het op de weg van Kdynium om haar stelling ook op een dergelijke wijze (met een expertiserapport) te onderbouwen. Verder voert Chubb terecht aan dat TNO een onafhankelijk onderzoeksinstituut is dat door de rechtbank in de strafprocedure is ingeschakeld. De rechtbank heeft daarom geen reden om te twijfelen aan de bruikbaarheid van het rapport.
Conclusie
De vordering tot betaling van € 418.125,18 wordt toegewezen
5.38.
Op grond van het voorgaande is vast komen te staan dat de vordering van Chubb tegenover Kdynium op grond van artikel 6:185 BW Pro slaagt. De vordering van Chubb dat Kdynium wordt veroordeeld tot betaling van € 418.125,18 wordt daarom toegewezen.
De gevorderde rente wordt toegewezen
5.39.
Ook de gevorderde rente over dit bedrag vanaf de datum van het ongeval (20 november 2014) wordt als onweersproken toegewezen.
De gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen
5.40.
Kdynium meent dat de door Chubb gevorderde verklaring voor recht dat Kdynium jegens Chubb aansprakelijk is voor het aan [persoon] overkomen ongeval in Klimpark Biesbosch te Hank niet toewijsbaar is. Volgens Kdynium heeft Chubb in de eerste plaats geen te respecteren belang bij deze vordering omdat zij ook al het bedrag aan schadevergoeding vordert.
5.41.
De rechtbank overweegt dat Chubb niet heeft gereageerd op de betwisting van Kdynium . Chubb heeft niet gesteld waarom zij voldoende belang heeft bij deze vordering naast de daarop voortbouwende vordering tot schadevergoeding. De rechtbank verklaart daarom Chubb niet-ontvankelijk in deze vordering. Het overige dat is aangevoerd ten aanzien van deze vordering kan daarom onbesproken blijven.
De vordering van € 8.199,30
5.42.
Chubb vordert verder betaling van € 8.199,30. Het gaat om facturen van [schade-expert] , de schade-expert die door Chubb is ingeschakeld. Dit bedrag ziet op de kosten die Chubb als aansprakelijkheidsverzekeraar van Kanopeo heeft gemaakt in het kader van de schadeafwikkeling met de nabestaanden van [persoon] . Chubb is ter zake van deze kosten in de rechten van Kanopeo gesubrogeerd.
5.43.
Kdynium betwist de verschuldigdheid van deze kosten.
5.44.
De rechtbank wijst deze vordering af. De facturen zijn gericht aan Kanopeo , de verzekerde van Chubb . De rechtbank heeft geoordeeld dat Chubb niet via subrogatie in de rechten van haar verzekerde Kanopeo is getreden. Chubb heeft de vordering tot verhaal op derden van de nabestaanden van [persoon] gekocht en stelt op die grondslag vorderingen in tegen Kdynium . Chubb legt niet goed uit waarom zij alsnog recht heeft op betaling van dit bedrag.
Processuele bezwaren van Kdynium
5.45.
Kdynium stelt dat Chubb in de dagvaarding niet ingaat op het standpunt van Kdynium . Zij is volgens haar rauwelijks in rechte betrokken. Ook is Kdynium van mening dat Chubb niet aan haar stelplicht heeft voldaan omdat zij in de dagvaarding niet inzichtelijk maakt hoe door haar overgelegde producties zich tot haar standpunt verhouden. Hierdoor was het voor Kdynium veelal niet duidelijk waartegen zij zich moest verweren.
5.46.
Hoewel Kdynium terecht aanvoert dat de dagvaarding kort is, blijkt hieruit wel welk verwijt Chubb jegens Kdynium maakt. Het is de rechtbank niet gebleken dat Kdynium niet wist waartegen ze zich moest verweren of dat relevante feiten achterwege zijn gehouden.
Kdynium stelt verder dat zij rauwelijks is gedagvaard. Chubb heeft deze stelling niet betwist. Chubb geeft zelf in de dagvaarding aan dat haar geen verweer van Kdynium bekend was. Dit suggereert dat zij zoals Kdynium stelt inderdaad zonder eerst minnelijk overleg te voeren direct een dagvaarding heeft uitgebracht. Een dergelijke proceshouding vindt de rechtbank niet gepast. Chubb had eerst moeten onderzoeken of het geschil zonder tussenkomst van de rechtbank kon worden opgelost voordat zij tot dagvaarding overging. De rechtbank ziet daarin aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
5.47.
Verder heeft Kdynium tijdens de mondelinge behandeling schriftelijk bezwaar gemaakt tegen de akte van Chubb met producties 15 t/m 17 en de akte met producties 18 en 19. De voorzitter heeft beslist dat de producties deel uitmaken van het procesdossier. Wat betreft productie 15, zijnde het deskundigenverslag van 11 december 2020, heeft de voorzitter aangegeven dat Kdynium hierop nog schriftelijk mag reageren wanneer de rechtbank hier behoefte aan heeft. Gelet op het oordeel van de rechtbank in de hoofdzaak is een akte van Kdynium hierover niet nodig.
De gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad
5.48.
Chubb verzoekt de rechtbank het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Kdynium maakt hiertegen bezwaar. Chubb heeft volgens haar geen belang hierbij en wijst op de hoge jaaromzet van Chubb . Volgens Kdynium heeft zij wel belang bij schorsing bij hoger beroep, omdat haar bedrijfsvoering hierdoor niet onnodig wordt gefrustreerd en omdat zij het belangrijk vindt dat een mogelijke veroordeling aan haar zijde gelijk loopt met een definitieve regresvordering. Anders blijft zij met een regresvordering achter. Chubb voert aan dat zij wel belang bij deze vordering heeft gelet op de jaarcijfers van Kdynium . Er is sprake van een debiteurenrisico.
5.49.
Om te bepalen of het vonnis uitvoerbaar bij voorraad moet worden verklaard, moet de rechtbank de belangen van partijen afwegen en beslissen wiens belang zwaarder weegt. Het uitgangspunt is dat Chubb bij de veroordeling tot betaling van een geldsom belang heeft om de uitspraak meteen uit te kunnen laten voeren. Daartegenover staat het belang van Kdynium bij behoud van de bestaande toestand totdat onherroepelijk is beslist.
5.50.
De gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad wordt toegewezen. Het belang van Chubb om gelijk betaling te kunnen krijgen weegt zwaarder dan het belang van Kdynium . De hoge omzet van Chubb is geen reden om deze vordering af te wijzen. Het vonnis zal daarom voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
De proceskostenveroordeling
5.51.
Zoals hiervoor onder 5.46 is overwogen, heeft Chubb Kdynium rauwelijks gedagvaard en ziet de rechtbank in die omstandigheid aanleiding de proceskosten tussen partijen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5.52.
Tot slot merkt de rechtbank op dat Chubb tijdens de mondelinge behandeling heeft toegelicht zij in haar eis per ongeluk ook een proceskostenveroordeling tegen Funcha heeft opgenomen. De rechtbank heeft deze vordering daarom niet opgenomen als vordering onder het kopje ‘Het geschil’ en op die vordering ook niet beslist.
in de vrijwaringszaak
Inleiding
5.53.
In de hoofdzaak heeft de rechtbank beslist dat Kdynium aansprakelijk is en gehouden is tot betaling van schadevergoeding aan Chubb . Volgens Kdynium zijn ook Funcha en Prolim medeaansprakelijk voor de schade als gevolg van het ongeval en daardoor hoofdelijk verplicht tot betaling hiervan.
5.54.
In deze vrijwaringszaak spitst het geschil zich toe op de vraag of Prolim en Funcha tegenover Kdynium aansprakelijk zijn. De vorderingen van Kdynium worden hieronder beoordeeld.
De vordering van Kdynium op Prolim
5.55.
Kdynium legt aan haar vordering op Prolim ten grondslag dat Prolim aansprakelijk is omdat zij de ontwerpen en de materiaalspecificaties voor de saferoller onderdelen aan Kdynium heeft verstrekt. Prolim beschikte over uitvoerige kennis over de materiaalkeuze en productieprocessen. Prolim bepaalde met Kanopeo de materiaalkeuze voor de saferoller.
5.56.
Prolim betwist dat zij aansprakelijk is voor de schade. De schade is ontstaan door een productiefout aan de zijde van Kdynium . Zij wijst op het rapport van TNO. Prolim stelt verder dat de saferoller door Kanopeo is ontwikkeld en dat zij een beperkte rol en betrokkenheid had bij het aanpassen van het ontwerp van de saferoller. Na eind december 2012 was zij niet meer betrokken bij het ontwerp van de saferoller en de tests die Kanopeo uitvoerde. Zij is ook geen specialist op het gebied van materialen en gietprocessen.
5.57.
Kdynium voert tegen Prolim hetzelfde verwijt als tegen Chubb . Zij stelt namelijk dat zij als fabrikant van het onderdeel (de long zipline clamp) niet aansprakelijk is omdat het gebrek is veroorzaakt door het ontwerp en de instructies van Kanopeo , al dan niet via haar adviseur Prolim . Het ontwerp ging uit van een ongeschikte legering.
5.58.
De rechtbank heeft in de hoofdzaak geoordeeld dat het verweer van Kdynium dat het gebrek is te wijten aan de instructies (zoals de materiaalkeuze) van Kanopeo niet opgaat. Kdynium heeft onvoldoende aangevoerd tegenover het rapport van TNO waarin staat dat het gebrek zeer waarschijnlijk is ontstaan omdat de warmtebehandeling tijdens de productie niet goed is gegaan. Dat betekent dat dit verwijt ook niet slaagt tegenover Prolim .
5.59.
De vorderingen van Kdynium tegenover Prolim worden daarom afgewezen.
De vordering van Kdynium op Funcha
Het verwijt dat Funcha de pole clamp verkeerd heeft geïnstalleerd
5.60.
In de eerste plaats verwijt Kdynium Funcha dat zij de pole clamp die is losgeschoten tijdens het ongeval, verkeerd heeft geïnstalleerd. Volgens Kdynium heeft Funcha niet de handleiding van Kanopeo opgevolgd en hierdoor functioneerde de pole clamp als back-upbeveiliging niet. De pole clamp diende volgens Kdynium als extra beveiliging in het geval een kabel losschiet van een ankerpunt. Indien de pole clamp wel had gefunctioneerd, dan was de tokkelbaan ondanks het afbreken van de long zipline clamp niet naar beneden gestort.
5.61.
Funcha betwist dat zij de pole clamp verkeerd heeft geïnstalleerd. De bevestiging was in overeenstemming met de voorschriften uit de handleiding. Funcha betwist ook dat de pole clamp de functie had als back-upbeveiliging van de zipline die is losgeschoten. Dat staat in de nieuwere handleiding van Kanopeo die na het ongeval is aangepast, maar niet in de handleiding van 1 mei 2013 die gold ten tijde van de bouw van het klimpark. De pole clamp had de functie van geleider. De zipline moest na aankomst bij paal T18 langs de paal geleid worden naar het hoger gelegen vertrekpunt op paal T18. Voor de geleiding van de zipline voor dit stuk is gebruik gemaakt van de pole clamp en de bevestiging aan de ladder. De gebrekkige long zipline clamp heeft het ongeval veroorzaakt.
5.62.
De rechtbank is van oordeel dat Kdynium haar stelling dat het ongeval is veroorzaakt omdat de pole clamp als back-upbeveiliging niet goed was gemonteerd niet deugdelijk onderbouwt met stukken waaruit de juistheid van haar stelling blijkt. Zij licht dit oordeel als volgt toe.
5.62.1.
De handleiding waarnaar Kdynium verwijst betreft een versie van 2014 met datum 1 juni 2014. Op deze datum was het klimpark al door Funcha gebouwd zodat deze versie van de handleiding niet door Funcha kan zijn gebruikt. De rechtbank volgt daarom Funcha in haar standpunt dat de handleiding van Kanopeo van 1 mei 2013 van toepassing was tijdens de bouw van het klimpark door Funcha . Ook TNO gaat in haar rapport van deze handleiding uit. Funcha verwijst naar pagina 31 van de handleiding van 1 mei 2013. Daar staat voorgeschreven dat een long zipline clamp als enige back-up twee om de mast gewikkelde bevestigingskabels moest hebben. Er staat niets vermeld over de pole clamp als back-upbeveiliging.
5.62.2.
Verder verwijst Funcha naar pagina 43 van het TNO-rapport. Hierin staat dat de wijze van bevestigen door Funcha in overeenstemming is met hetgeen is weergegeven in de handleidingen van 1 mei 2013 en 18 november 2014, met de tweede bevestigingskabel als voorgeschreven back-up. Op pagina 46 concludeert TNO vervolgens dat het ongeval niet is ontstaan door een onjuiste installatie van de verschillende onderdelen van de constructie. Vanwege de gemotiveerde betwisting van Funcha lag het op de weg van Kdynium om in reactie hierop nader te onderbouwen waarom deze conclusie van TNO volgens haar onjuist is. Hierin is Kdynium niet geslaagd. Aansprakelijkheid van Funcha op basis van dit verwijt wordt daarom verworpen.
Het verwijt dat de houten palen verrot waren
5.63.
Als tweede verwijt voert Kdynium aan dat de houten palen waaraan de long zipline vast zat te kampen hadden met houtrot en schimmel. Het hout van het klimpark is vrij snel na oplevering van het klimpark gaan rotten.
5.64.
Funcha betwist dat en stelt dat er geen tekenen van houtrot waren ten tijde van het ongeval. De gebrekkige long zipline clamp heeft het ongeval veroorzaakt.
5.65.
De rechtbank oordeelt dat dit verwijt tegenover Funcha ook niet slaagt. Zoals blijkt uit het arrest van het hof van 20 september 2022 zijn de eerste tekenen van houtrot eind 2016 door St. Hubertushoeve geconstateerd. Dat is twee jaar na het ongeval van [persoon] op 20 november 2014. De stelling van Kdynium dat de schade is veroorzaakt door houtrot van de houten palen en schimmel wordt daarom wegens onvoldoende onderbouwing verworpen.
Conclusie
5.66.
De conclusie van het voorgaande is dat de vorderingen van Kdynium tegen Prolim en Funcha in deze vrijwaringszaak worden afgewezen.
Proceskostenveroordeling
5.67.
Kdynium is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Prolim en Funcha zijn beide verschenen bij afzonderlijke advocaten. Dat betekent dat Kdynium wordt veroordeeld in de proceskosten van Prolim en Funcha en dat die kosten apart worden begroot.
5.68.
De proceskosten van Prolim worden begroot op:
- griffierecht
6.617,00
- salaris advocaat
7.446,00
(2 punten × € 3.723,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
14.252,00
5.69.
De proceskosten van Funcha worden ook op dezelfde wijze op dit bedrag begroot.
5.70.
De door Funcha gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals is vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank
in de hoofdzaak
6.1.
verklaart Chubb niet-ontvankelijk in haar vordering tot het verkrijgen van een verklaring voor recht,
6.2.
veroordeelt Kdynium tot betaling aan Chubb van een schadevergoeding van € 418.125,18, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 20 november 2014 tot de dag van volledige betaling,
6.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de beslissing onder 6.2,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in de vrijwaringszaak
6.6.
wijst het gevorderde af,
6.7.
veroordeelt Kdynium in de proceskosten van Prolim van € 14.252,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Kdynium niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.8.
veroordeelt Kdynium in de proceskosten van Funcha van € 14.252,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Kdynium niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.9.
veroordeelt Kdynium tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten van Funcha als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.10.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de beslissingen onder 6.7, 6.8 en 6.9.
Dit vonnis is gewezen door mr. Goedegebuur, mr. Fleskens en mr. Stoof en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.