ECLI:NL:RBZWB:2026:6173

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
C/02/442844 HA ZA 25-669 (T)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Hartman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:10 BWArt. 1:14 BWArt. 99 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheidsincident afgewezen wegens vestiging gedaagde in Roosendaal

In deze zaak vordert Mira Veranda en Klusbedrijf B.V. dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de vordering van [bedrijf]. Mira stelt dat haar statutaire zetel in Vlaardingen ligt en dat het enkele bestaan van een bezoekadres of vestiging onvoldoende is voor bevoegdheid op grond van artikel 1:14 BW Pro.

[bedrijf] betoogt dat Mira een vestiging in Roosendaal heeft van waaruit de bedrijfsactiviteiten feitelijk worden uitgeoefend en dat de rechtsverhouding betrekking heeft op deze vestiging. De rechtbank overweegt dat een rechtspersoon meer dan één woonplaats kan hebben en dat de vestiging in Roosendaal mede woonplaats is voor de onderhavige aangelegenheid.

Op basis van het uittreksel van het Handelsregister en de toelichting van [bedrijf] concludeert de rechtbank dat zij mede bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. De vordering tot onbevoegdverklaring wordt daarom afgewezen en Mira wordt veroordeeld in de proceskosten. De zaak wordt op 13 mei 2026 opnieuw op de rol gezet voor beraad en het bepalen van een mondelinge behandeling.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich mede bevoegd en wijst het verzoek tot onbevoegdverklaring af.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/442844 / HA ZA 25-669
Vonnis in incident van 6 mei 2026
in de zaak van
[bedrijf],
te [plaats] (Turkije),
eisende partij in de hoofdzaak, verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [bedrijf] ,
advocaat: mr. A. Kotan,
tegen
MIRA VERANDA EN KLUSBEDRIJF B.V.,
te Roosendaal,
gedaagde partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident,
hierna te noemen: Mira,
advocaat: mr. N.J.P. Vanaken.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 13 oktober 2025 met producties 1 tot en met 6;
  • de beslagstukken;
  • de conclusie van antwoord tevens houdende de incidentele vordering tot
onbevoegdverklaring met producties 1 tot en met 7;
- de incidentele conclusie van antwoord.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.Het geschil in het incident

2.1.
Mira vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Mira is statutair gevestigd te Vlaardingen. [bedrijf] heeft onvoldoende gesteld en onderbouwd waarom deze rechtbank bevoegd is. Het enkele bestaan van een bezoekadres of vestiging is onvoldoende om bevoegdheid op grond van artikel 1:14 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) aan te nemen.
2.2.
[bedrijf] concludeert tot afwijzing van de vordering met veroordeling van Mira in de kosten. Mira heeft haar vestiging in Roosendaal van waaruit haar bedrijfsactiviteiten feitelijk worden uitgeoefend. De onderhavige rechtsverhouding heeft uitsluitend betrekking op deze vestiging.
2.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3.De beoordeling in het incident

3.1.
De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden afgewezen, en licht dit hierna toe.
3.2.
Op grond van artikel 99 lid 1 Rv Pro is in beginsel de rechter van de woonplaats van de gedaagde bevoegd, tenzij de wet anders bepaalt. De woonplaats dient te worden bepaald aan de hand van de artikel 1:10 tot Pro en met 1:15 BW. Op grond van artikel 1:10 lid 2 BW Pro heeft een rechtspersoon zijn woonplaats ter plaats waar hij volgens wettelijk voorschrift of volgens zijn statuten of reglementen zijn zetel heeft. Blijkens het door [bedrijf] , als productie 1 bij dagvaarding en het door [persoon] , als productie 1, overgelegde uittreksel van het Handelsregister van de Kamer van Koophandel, heeft Mira haar statutaire zetel in Vlaardingen. De rechtbank in Rotterdam is derhalve bevoegd om van de onderhavige vordering kennis te nemen.
3.3.
Een rechtspersoon kan echter meer dan één woonplaats hebben, aangezien in het voornoemde artikel is bepaald dat een persoon die een kantoor of een filiaal houdt ten aanzien van de aangelegenheden die dit kantoor of dit filiaal betreffen mede aldaar woonplaats heeft.
3.4.
Het uittreksel van Handelsregister dat [bedrijf] heeft overgelegd is op 23 september 2025 vervaardigd. Daaruit blijkt dat Mira één vestiging heeft en dat het bezoekadres van deze vestiging in Roosendaal ligt. [bedrijf] heeft in haar conclusie nader toegelicht dat de vordering verband houdt met de activiteiten die vanuit deze vestiging zijn verricht.
Op grond van artikel 1:14 BW Pro is de woonplaats van [bedrijf] daarom mede Roosendaal. De rechtbank te Breda is daarom mede bevoegd om van de vordering van [bedrijf] kennis te nemen.
3.5.
De incidentele vordering zal dus worden afgewezen en Mira zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten). Deze worden aan de zijde van [bedrijf] begroot op:
- salaris advocaat € 653,00 (1 punt × tarief II)
- nakosten
€ 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 842,00

4.De beslissing

De rechtbank
in het incident
4.1.
wijst de vordering af,
4.2.
veroordeelt Mira in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Mira niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
4.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
4.4.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 13 mei 2026 voor beraad rolrechter voor bepalen van een mondelinge behandeling.
Dit vonnis is gewezen door mr. Hartman en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.