Eiser, werkzaam als coronahulp/huiskamermedewerker, heeft een WIA-uitkering aangevraagd nadat hij vanwege gezondheidsklachten was uitgevallen. Het UWV heeft deze uitkering geweigerd per 15 mei 2023, omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Eiser maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze beslissing.
De rechtbank heeft het medisch dossier en de rapporten van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) bestudeerd. Beide artsen hebben beperkingen vastgesteld, maar concludeerden dat eiser nog in staat is passende arbeid te verrichten. De rechtbank oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en dat de beperkingen adequaat zijn vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).
Daarnaast heeft een arbeidsdeskundige van het UWV passende functies geselecteerd die aansluiten bij de beperkingen van eiser. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de geschiktheid van deze functies. De berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid, gebaseerd op deze functies, leidt tot een percentage van 20%, wat onvoldoende is voor een WIA-uitkering.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard, waardoor de weigering van het UWV standhoudt. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet vergoed. De uitspraak is gedaan door rechter T. Peters op 20 februari 2026.