ECLI:NL:RBZWB:2026:6245

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
11926368 \ CV EXPL 25-5227
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Speekenbrink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot betaling huurachterstand en buitengerechtelijke incassokosten

De eiser verhuurde vanaf april 2015 tot en met september 2023 woonruimte aan de gedaagde voor €330 per maand. De gedaagde betaalde gedurende een periode de huur niet, waardoor een huurachterstand ontstond. De eiser vorderde betaling van €11.540,00 plus rente en kosten.

De gedaagde erkende de betalingsachterstand, maar betwistte de hoogte en stelde dat zij in 2023 en 2024 deelbetalingen had gedaan die in mindering moesten worden gebracht. De kantonrechter oordeelde dat de deelbetalingen van in totaal €2.200,- door de eiser waren erkend en correct waren verrekend met de bestaande huurachterstand, die niet verjaard was.

Het verweer van de gedaagde dat de deelbetalingen niet op de oude schuld mochten worden verrekend wegens verjaring werd verworpen. Daarnaast werden de buitengerechtelijke incassokosten van €877,38 toegewezen, omdat de eiser aan de wettelijke vereisten had voldaan. De gedaagde werd veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, incassokosten, rente en proceskosten.

Uitkomst: De gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, incassokosten, rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11926368 \ CV EXPL 25-5227
Vonnis van 10 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. J.N. Reijn,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- het extract audiëntieblad rolzitting d.d. 17 december 2025 met bijlagen
- de akte van [eiser]
- het extract audiëntieblad rolzitting d.d. 28 januari december 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] heeft aan [gedaagde] vanaf april 2015 tot en met september 2023 woonruimte verhuurd aan [adres] te [plaats 1] voor een bedrag van € 330,- per maand. [gedaagde] heeft gedurende een bepaalde periode de huur niet betaald.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 11.540,00, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] erkent dat er een betalingsachterstand is, maar betwist de hoogte ervan, dan wel stelt dat door haar gedane (deel)betalingen in 2023 en 2024 aan de voormalige deurwaarder hierop in mindering strekken.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[eiser] stelt dat de huurachterstand vanaf oktober 2020 tot en met september 2023 € 11.540,- bedraagt. [eiser] stelt verder dat [gedaagde] op 14 augustus 2025 nog een betaling van € 200,- heeft verricht, welk bedrag op de buitengerechtelijke incassokosten in mindering zijn gebracht zodat daarvan nog een bedrag van € 877,38 resteert dat wordt gevorderd.
4.2.
[gedaagde] erkent dat zij de huur over die betreffende maanden niet heeft betaald, maar stelt tevens dat zij in het kader van een betalingsregeling op 6 oktober 2023 een bedrag van € 1.000,- heeft betaald, alsmede zes keer € 200,- in 2024, dus in totaal € 2.200,-. Dit bedrag moet volgens haar op het bedrag van € 11.540,- in mindering worden gebracht.
4.3.
[eiser] heeft erkend dat [gedaagde] een bedrag van € 2.200,- heeft betaald en geeft daarbij aan dat de deelbetaling van 2023 (€ 1.000,-) in mindering is gebracht op de reeds op 5 oktober 2023 bestaande huurachterstand van in totaal € 18.580,-. De betaling van € 200,- is afgeboekt op februari 2020, waarbij het restant van die maand niet meer door hem wordt gevorderd. De overige € 1.000,- zijn volgens [eiser] afgeboekt op de maanden juli, augustus en september 2020. De resterende € 10,- is in mindering gebracht op de huurachterstand van oktober 2020, reden waarom de vordering over die maand € 320,- en niet € 330,- bedraagt.
4.4.
[gedaagde] stelt dat [eiser] in 2024 aan haar heeft meegedeeld dat het over een schuld vanaf 2015 ging. In 2025 houdt [eiser] wel rekening met de verjaringstermijn, maar hij heeft dit in 2024 ten onrechte niet gedaan.
4.5.
De kantonrechter begrijpt uit het verweer van [gedaagde] dat zij van mening is dat het door haar betaalde bedrag van in totaal € 2.200,- niet op de oude huurschuld in mindering mag worden gebracht omdat die vordering toen al (deels) verjaard was, maar moet worden verrekend met de huurachterstand vanaf oktober 2020 die nu wordt gevorderd.
Dit verweer treft geen doel. Voor wat betreft het bedrag van € 1.200,- dat [gedaagde] in 2024 heeft betaald is dit in mindering gebracht op de huurachterstand die in 2020 is ontstaan en dus op dat moment niet verjaard was.
Voor wat betreft het in 2023 door [gedaagde] betaalde bedrag van € 1.000,- geldt dat dit in mindering is gebracht op de op dat moment totale ontstane huurachterstand van € 18.580,-. Weliswaar is onduidelijk op welke maanden dit precies in mindering is gebracht, maar uit het door [eiser] overgelegde overzicht van de totale huurachterstand blijkt onder meer dat [gedaagde] gedurende heel 2019 geen huur heeft betaald. Begin 2020 heeft zij weliswaar bepaalde bedragen betaald, maar die zijn, ook opgeteld met de in oktober 2023 betaalde € 1.000,-, onvoldoende om de totale huurachterstand van 2019 te betalen. Gelet hierop kan niet gezegd worden dat de vordering op het moment van het betalen van € 1.000,- in oktober 2023 al verjaard was. [eiser] heeft het bedrag van € 1.000,- dan ook van de op dat moment bestaande huurachterstand mogen aftrekken. Uit het voorgaande volgt dat de vordering van [eiser] voor toewijzing in aanmerking komt.
4.6.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Daarom zal het gevorderde bedrag van € 877,38 (inclusief BTW en na aftrek van de door [gedaagde] in augustus 2025 gedane betaling van € 200,-) worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal eveneens worden toegewezen.
4.2.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
648,00
(1,5 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.194,45

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 11.540,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, vanaf de respectieve vervaldata van de huurtermijnen, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 877,38 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.194,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Speekenbrink en in het openbaar uitgesproken op10 juni 2026.