Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:63

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
BRE 25/6130 WET
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens niet betaling griffierecht

Verzoekster heeft een verzoek om voorlopige voorziening ingediend tegen de beslissing van de Raad van Bestuur van Vereniging Ons Middelbaar Onderwijs tot verwijdering van haar dochter als leerling van een school. De voorzieningenrechter beoordeelt dit verzoek zonder zitting omdat het kennelijk niet-ontvankelijk is.

De kern van de beoordeling betreft de betaling van het griffierecht van €194,-. De griffier heeft verzoekster bij aangetekende brief van 2 december 2025 een termijn van twee weken gegeven om het griffierecht te voldoen. De brief is op 4 december 2025 bezorgd bij de gemachtigde van verzoekster. Verzoekster heeft het griffierecht niet binnen de gestelde termijn betaald en heeft geen verontschuldiging voor dit verzuim gegeven.

Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht verklaart de voorzieningenrechter het verzoek daarom niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan op 9 januari 2026 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/6130

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 januari 2026 in de zaak tussen

[verzoekster], uit [plaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. S. Sabir),
en
De Raad van Bestuur van Vereniging Ons Middelbaar Onderwijs(Raad van Bestuur), verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen een beslissing van de Raad van Bestuur van 24 november 2025 tot verwijdering van verzoeksters dochter als leerling van [school].
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader
2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. [1] In een zaak als deze is het griffierecht € 194,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
Heeft verzoekster het griffierecht tijdig betaald?
2.1.
De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 2 december 2025 verzoekster in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 4 december 2025 om 15:13 uur is bezorgd op het adres van verzoeksters gemachtigde en dat voor ontvangst is getekend door “[naam]”. Verzoekster heeft het griffierecht niet op tijd betaald.
Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?
2.2.
Verzoekster heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 9 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit is geregeld in artikel 8:82 van Pro de Awb in samenhang met artikel 8:41 van Pro de Awb.