ECLI:NL:RBZWB:2026:630

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
24/7885
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.10 WaboArt. 2.12 WaboArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 3:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen omgevingsvergunning voor functiewijziging en parkeren

Eiser maakte bezwaar tegen de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Goirle verleende voor het ombouwen van een zolderverdieping tot twee appartementen, waarbij het bestemmingsplan werd overtreden. De rechtbank beoordeelde het beroep tegen het besluit op bezwaar dat het college in stand hield.

De rechtbank oordeelde dat het college terecht had geconcludeerd dat er voldoende parkeercapaciteit in de omgeving was, mede op basis van een parkeerdrukmeting van juni 2023. Eiser stelde dat de parkeerdrukmeting onzorgvuldig was en dat nieuwe verkeersbesluiten en foto’s van bezette parkeerplaatsen niet waren meegenomen, maar deze argumenten faalden omdat de verkeersbesluiten na het besluit waren genomen en de parkeerdrukmeting voldeed aan de geldende normen.

Daarnaast faalde het beroep op het vertrouwensbeginsel omdat de door eiser aangevoerde toezegging niet aan hem was gericht en bovendien betrekking had op een ander bouwplan en een ander type besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om griffierecht en proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard vanwege voldoende parkeercapaciteit en geen schending van het vertrouwensbeginsel.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/7885

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.J. Smaling),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goirle, het college.

Samenvatting

1. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak het beroep van eiser tegen de beslissing op bezwaar van 2 oktober 2024 (het bestreden besluit), waarbij het college een omgevingsvergunning voor de activiteiten “het bouwen van een bouwwerk” en “het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan” in stand heeft gelaten. Eiser voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt het beroep onder meer aan de hand van deze beroepsgronden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college bij de omgevingsvergunningverlening mocht concluderen dat er in de omgeving van de ontwikkeling sprake was van voldoende parkeercapaciteit en dat het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 24 november 2023 heeft vergunninghouder een omgevingsvergunning aangevraagd voor de activiteiten “het bouwen van een bouwwerk” en “het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan”. [1] Vergunninghouder heeft dit aangevraagd ten behoeve van het plan om de zolderverdieping van zijn pand aan [adres 1] om te bouwen van een berging naar twee appartementen. In de bestaande situatie bevindt zich op de begane grond van het pand een bakkerij met een inpandige bedrijfswoning, op de eerste verdieping bevinden zich twee appartementen en op de tweede verdieping bevinden zich twee bergingen met een kap.
2.1.
Het college heeft op 20 maart 2024 de omgevingsvergunning verleend (het primaire besluit).
2.2.
Eiser, wonend op het [adres 2] , heeft hier bezwaar tegen gemaakt.
2.3.
Het college heeft op 2 oktober 2024 in het bestreden besluit overeenkomstig het advies van de bezwaarschriftencommissie het bezwaar ongegrond verklaard. Het primaire besluit is hiermee in stand gelaten.
2.4.
Eiser heeft hier op 12 november 2024 beroep tegen ingesteld.
2.5.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 23 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en diens gemachtigde deelgenomen. Namens het college was [vertegenwoordiger] aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Beroepsgronden
3. Eiser voert aan dat het college ten onrechte op basis van de parkeerdrukmeting van 27 juni 2023 heeft aangenomen dat de toename van de parkeerdruk als gevolg van het bouwplan past binnen een goede ruimtelijke ordening. Verder meent eiser dat het college door de omgevingsvergunning te verlenen in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld.
3.1.
In het beroepschrift stelde eiser ook dat het bouwplan in strijd was met een goede ruimtelijke ordening, omdat het bouwplan in strijd is met de [Stedenbouwkundige notitie] . Deze beroepsgrond heeft eiser op zitting ingetrokken.
Wettelijk kader
4. Het bestreden besluit is gebaseerd op de Wabo. Die wet is vervallen als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Uit artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet leidt de rechtbank af dat het oude recht van toepassing blijft op een besluit op een aanvraag die vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet is ingediend. Het Besluit omgevingsrecht (Bor) maakte ook onderdeel uit van dat oude recht.
4.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is in deze zaak ingediend vóór 1 januari 2024, namelijk op 24 november 2023. Dat betekent dat in dit geval het oude recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
4.2.
Op basis van het ter plaatse geldende [bestemmingsplan 1] (het bestemmingsplan) heeft het perceel, waarop het pand in kwestie staat, de bestemming “Detailhandel” met de aanduiding (w). Ter plaatse van de aanduiding (w) is één woning toegestaan. Naast het hiervoor genoemde bestemmingsplan is ook het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 2] ” (het parapluplan) op het pand van toepassing.
4.3.
De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Een goede ruimtelijke ordening
5. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit (a) het bouwen van een bouwwerk en (c) het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.
.
5.1.
De Wabo kent in het eerste lid van artikel 2.10 een verplicht toetsingskader voor bouwactiviteit. Kort gezegd betekent dit dat het college moet toetsen of het bouwplan voldoet aan het Bouwbesluit 2012, de bouwverordening, het bestemmingsplan en redelijke eisen van welstand. Indien er geen sprake is van strijd met één van deze weigeringsgronden moet het college de vergunning verlenen. Indien er zich één van deze weigeringsgronden voordoet, is het college in beginsel verplicht de omgevingsvergunning voor het bouwen te weigeren.
5.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van een weigeringsgrond. Het bouwplan is namelijk in strijd met artikel 8.2.3., aanhef en onder a, van het bestemmingsplan en artikel 28.1.1 van het parapluplan. Uit deze bepalingen volgt respectievelijk dat in een pand met aanduiding “(w)” slechts één woning is toegestaan en dat voor de realisatie van het bouwplan vier parkeerplaatsen nodig zijn die op het eigen perceel gerealiseerd moeten worden.
5.3.
Het college heeft daarvoor de omgevingsvergunning voor de activiteit “het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan” verleend. Dit heeft het college gedaan op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder, a, onder 2, van de Wabo in samenhang met artikel 4, negende lid, van Bijlage II bij het Bor.
5.4.
In artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° van de Wabo staat onder meer dat een dergelijke omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
5.5.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan, mede op basis van de parkeerdrukmeting van 27 juni 2023, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
5.6.
Het college komt bij de beslissing of een activiteit in strijd is met een goede ruimtelijke ordening beleidsruimte toe, wat inhoudt dat het college een belangenafweging moet maken. Dit betekent dat de bestuursrechter niet zelf oordeelt of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt alleen aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen. [2]
Parkeerdruk
6. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat een bestuursorgaan op het advies van een deskundige mag afgaan, nadat het heeft nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies op de inhoud aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van Pro de Awb voor wettelijke adviseurs en volgt uit artikel 3:2 van Pro de Awb voor andere adviseurs. Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat die partij over het advies heeft aangevoerd. [3]
6.1.
Volgens eiser heeft het college zich bij het verlenen van de omgevingsvergunning ten onrechte gebaseerd op de resultaten van de parkeerdrukmeting van 27 juni 2023. Zo vindt eiser dat in dit onderzoek ten onrechte een straal van 150 meter als uitgangspunt is genomen. Naar de mening van eiser is het namelijk voorzienbaar dat de bewoners en bezoekers van de appartementen op de tweede verdieping in eerste instantie zullen willen parkeren op het parkeerterrein aan de [locatie] . Deze locatie vormt immers de kortste afstand tot het pand in kwestie. Daarnaast stelt eiser dat de parkeerdrukmeting niet meer actueel is. Het college had volgens eiser in bezwaar een nieuwe parkeerdrukmeting moeten verrichten. Bovendien heeft het college bij het volgen van de conclusie van de parkeerdrukmeting ten onrechte geen rekening gehouden met de verkeersbesluiten van 3 april 2025 en 24 juli 2025. Daarbij zijn respectievelijk een parkeerverbod ingesteld aan de zuidzijde van de nabijgelegen [straat] en twee parkeerplaatsen nabij het adres [adres 3] gereserveerd voor het opladen van elektrische voortuigen. Verder meent eiser dat het onderzoek onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat uit door hemzelf gemaakte foto’s blijkt dat het parkeerterrein aan de [locatie] zowel overdag als in de avonduren (over)bezet is. Tot slot vindt eiser dat naast de parkeerdrukmeting ook een enquête gehouden had moeten worden, waarbij onder meer naar de parkeermotieven van parkeerders gevraagd had moeten worden.
6.2.
Op de zitting is gebleken dat het uitgangspunt van de straal van 150 meter niet gebaseerd is op collegebeleid. Sinds 5 augustus 2025 geldt de Handreiking toepassen parkeerkencijfers CROW in gemeente Goirle (de Handreiking). Op basis van artikel 3.2, onder b, van die Handreiking geldt thans 100 meter als maximaal acceptabele afstand tussen een parkeerplek en een woning. Het college heeft op de zitting gemeld dat het bij zijn verkeersdeskundige navraag heeft gedaan hoeveel verschil een straal van 100 meter op de parkeerdrukmeting van 17 juni 2023 had gemaakt. Volgens deze verkeersdeskundige leidt dit er niet toe dat de parkeerdruk dusdanig toeneemt dater geen sprake meer is van restcapaciteit. Ook wanneer het college uitgaat van een loopafstand van 100 meter, blijft de parkeerdruk in de directe omgeving met toevoeging van de parkeerbehoefte van de ontwikkeling binnen de 85 procent. Eiser heeft dit op de zitting niet betwist. Het college kon daarom tot de conclusie komen dat er in de omgeving van de ontwikkeling voldoende restcapaciteit was om de parkeerbehoefte daarvan op te vangen.
Naar het oordeel van de rechtbank had het college bovendien geen nieuw onderzoek hoeven te verrichten in de bezwaarfase. Eiser heeft in bezwaar namelijk niet ingebracht dat de parkeerdrukmeting niet deugde, waardoor het college genoodzaakt was om een nieuw onderzoek uit te voeren.
Verder stelt de rechtbank vast dat de twee door eiser aangehaalde verkeersbesluiten en de foto’s van het parkeerterrein aan de [locatie] dateren van ver na het nemen van het bestreden besluit. Het college hoefde deze besluitvorming dus niet mee te nemen in zijn beoordeling. Bovendien komt aan de foto’s van het parkeerterrein weinig betekenis toe, omdat nergens uit blijkt dat de parkeerdrukmeting zich had moeten beperken tot het parkeerterrein aan de [locatie] . Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat het niet relevant is om te weten hoe lang mensen parkeren en wat hun parkeermotieven zijn. Dit doet namelijk geen afbreuk aan het feit dat er op bepaalde momenten ergens auto’s geparkeerd staan en dat er voldoende parkeergelegenheid is binnen een acceptabele loopafstand.
De rechtbank begrijpt dat eiser problemen ervaart met de parkeerdruk op het parkeerterrein aan de [locatie] ten behoeve van zijn bezoekers. De rechtbank stelt vast dat het college daarover terecht heeft opgemerkt dat het gaat om openbare parkeerplaatsen die voor meerdere functies inzetbaar zijn. Eiser heeft alleen gesteld, maar niet aannemelijk gemaakt dat de parkeerplaatsen bestemd waren voor de bezoekers van de verschillende praktijken in de gezondheidsstraat.
6.3.
Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel
7. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij gerechtvaardigd mocht vertrouwen dat de omgevingsvergunning niet verleend zou worden, omdat het college in de brief van 15 november 2016 expliciet duidelijk heeft gemaakt dat onder een afgeknotte kap niet mag worden gewoond en verweerder daar dus met deze vergunning niet van mag afwijken.
7.1.
Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 29 mei 2019, moet degene die zich beroept op het vertrouwensbeginsel aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij/zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe. [4]
7.2.
Om een toezegging aan te nemen, moet de uitlating in ieder geval toegesneden zijn op de concrete situatie. Algemene voorlichting of uitlatingen over een ander geval of tegen derden zijn niet aan te merken als een toezegging. [5]
7.3.
Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht opgemerkt dat de uitlating waar eiser zich op beroept niet is aan te merken als toezegging aan hem. De door eiser bedoelde uitlating stond namelijk in een brief die was gericht aan vergunninghouder. Verder overweegt de rechtbank dat het college hierin heeft gereageerd op een eerder principeverzoek van vergunninghouder en dat het heeft besloten om geen medewerking te verlenen aan een wijziging van de bestemming ten behoeve van het toenmalige bouwplan. Het door eiser bestreden besluit betreft geen bestemmingswijziging maar de afwijking van het bestemmingsplan voor een functiewijziging. Ook deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

8. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er in de omgeving van de ontwikkeling sprake was van voldoende parkeercapaciteit en dat het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Het college mocht de omgevingsvergunning dus verlenen. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J. Janzing, griffier, op 3 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving (voor zover relevant)
Het [bestemmingsplan 1]
8.2.3.
Woningen
Voor het bouwen van woningen gelden naast het bepaalde in lid 8.2.1 de volgende be palingen:
a. per bouwvlak met de aanduiding (w) is ten hoogste één woning toegestaan, tenzij het op de plankaart tussen haakjes geplaatste cijfer achter de aanduiding (w) anders aangeeft;
Het [bestemmingsplan 2]
28.1.1
Parkeergelegenheid
Bij de uitoefening van de bevoegdheid voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw geldt dat ten behoeve van het parkeren en/of het stallen van auto's in de juiste mate ruimte wordt aangebracht in, op of onder dat gebouw dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw hoort, met dien verstande dat:
de juiste mate van ruimte wordt bepaald op basis van de parkeernormen en berekeningsmethoden zoals opgenomen in publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' van het CROW van oktober 2012;
de in lid 28.1.1, onder a, bedoelde ruimten voor het parkeren en/of stallen van auto's moeten afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan als de parkeervoorzieningen ten minste de afmetingen hebben zoals bepaald in de Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom 2012 (ASVV 2012) van het CROW van december 2012;
de in de aanhef bedoelde parkeerruimte duurzaam in stand gehouden wordt.
Handreiking toepassen parkeerkencijfers CROW in gemeente Goirle
2.1
Uitgangspunten toepassen parkeerkencijfers
Bij het vaststellen van de (toekomstige) parkeerbehoefte van verschillende functies, houdt de gemeente rekening met een aantal invloedsfactoren. In deze paragraaf zijn deze uitgewerkt.
Acceptabele loopafstanden
Als maat voor situering van parkeerplaatsen ten opzichte van functies hanteren wij maximaal acceptabele loopafstanden. De acceptatie en dus de lengte van de loopafstand hangt af van aspecten als parkeerduur, motief en de verwachte kans op een parkeerplaats. Hierbij kan ook de aantrekkelijkheid van een looproute een rol spelen. De loopafstand wordt gemeten vanaf de eerste deur van een complex. Bij een woning is dat de voordeur, bij een kantorenpand de hoofdingang etc. De gemeente Goirle hanteert per functie de volgende maximale loopafstand.
Hoofdfunctie
Maximaal acceptabele loopafstanden
Wonen, zorg en onderwijs
100 meter
Winkelen, werken en ontspanning
250 meter
3.2
Uitgangspunt: voldoen aan parkeerbehoefte op eigen terrein
Het basisprincipe is dat een ontwikkeling in de parkeerbehoefte voorziet op eigen terrein. Wanneer niet (volledig) aan dit basisprincipe kan worden voldaan, moet de initiatiefnemer aantonen waarom realisatie van de benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein niet mogelijk is. In dat geval dient te worden bezien of een aanpassing van het bouwplan of mogelijk andere maatwerkoplossingen kunnen leiden tot het wel voldoen aan de parkeerbehoefte op eigen terrein.
In voorkomende gevallen kan het fysiek onmogelijk of onwenselijk zijn om op het eigen terrein parkeergelegenheid te realiseren, maar bestaat wel de mogelijkheid om de parkeerbehoefte in de directe nabijheid van het bouwplan op te lossen. Wanneer op een andere wijze dan op eigen terrein aan de parkeerbehoefte wordt voldaan, moet de initiatiefnemer aangegeven hoe dit gebeurt. Dit kan door:
b. Benutten restcapaciteit omgeving
Als blijkt dat de parkeerbehoefte niet op eigen terrein kan worden opgelost dan is het mogelijk te onderzoeken of er in de directe omgeving (structurele) restcapaciteit is voor de (resterende) parkeerbehoefte. Om te voorkomen dat één bouwontwikkeling de volledige restcapaciteit gebruikt in de openbare ruimte staan wij maximaal vijf bestaande parkeerplaatsen toe als deel van de parkeeroplossing.
Er is sprake van restcapaciteit als de parkeerdruk in de directe omgeving, met toevoeging van de parkeerbehoefte van de ontwikkeling, onder de 85% blijft. Onder de directe omgeving wordt in dit verband verstaan binnen de maximaal acceptabele loopafstand van de ontwikkeling. De initiatiefnemer dient voor eigen rekening een onderzoek te laten uitvoeren door een gespecialiseerd onafhankelijk bureau. In bijlage 4 is de uitvoeringssystematiek voor een parkeerdrukmeting opgenomen.

Voetnoten

1.Zie artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
2.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3839.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5984.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 9 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1567.