ECLI:NL:RBZWB:2026:6352

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
BRE 24/7633
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:51a AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over motiveringsgebrek bij toekenning WGA-uitkering post-Covid

Deze tussenuitspraak betreft een geschil tussen Stichting eiseres en het UWV over de toekenning van een loongerelateerde WGA-uitkering aan een ex-werkneemster met post-Covid klachten. Het UWV heeft de werkneemster volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt verklaard, wat eiseres betwist op grond van onvoldoende medische motivering en onjuiste vaststelling van beperkingen.

De rechtbank constateert dat het UWV onvoldoende heeft onderbouwd waarom verbetering van de belastbaarheid op langere termijn verwacht kan worden, mede omdat de voorgestelde cognitieve gedragstherapie (CGT) niet specifiek op de individuele situatie van de werkneemster is toegesneden en mogelijk zelfs verslechtering kan veroorzaken. Ook is de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) niet volledig en juist vastgesteld, met onvoldoende aandacht voor beperkingen bij prikkels, autorijden en dynamisch/statisch functioneren.

De rechtbank wijst op de strenge criteria van de Centrale Raad van Beroep voor de beoordeling van duurzaamheid en benadrukt dat het UWV een concrete en deugdelijke medische onderbouwing moet geven. Gezien het motiveringsgebrek stelt de rechtbank het UWV in de gelegenheid het besluit te herstellen binnen acht weken, waarna eiseres kan reageren. De verdere behandeling wordt aangehouden tot de einduitspraak.

Uitkomst: De rechtbank constateert een motiveringsgebrek in het UWV-besluit en geeft het UWV acht weken om dit te herstellen via een bestuurlijke lus.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/7633 T

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2026 in de zaak tussen

Stichting [eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres

(gemachtigde: mr. P.M. Eijgenhuijsen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV.

Als derde-partij neemt aan het geding deel [(ex-)werkneemster] te [woonplaats] .

Samenvatting

1. Deze tussenuitspraak gaat over de toekenning van een loongerelateerde WGA-uitkering (Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten) op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) aan de (ex-)werkneemster van eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht een WGA-uitkering heeft toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit aan een motiveringsgebrek lijdt. Het UWV krijgt via een zogeheten bestuurlijke lus de gelegenheid dit gebrek te herstellen.

Procesverloop

2. Het UWV heeft met het besluit van 5 april 2024 (primair besluit) aan (ex-) werkneemster een WIA-uitkering in de vorm van een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend met ingang van 3 mei 2024 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% (namelijk 94,02%). Daarbij acht het UWV dat (ex-)werkneemster wel volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is. Met het bestreden besluit van 27 september 2024 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit
2.2.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 20 augustus 2025 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en namens het UWV was mr. H.J.J. Verhoeven aanwezig.
2.4.
Uit het dossier, hetgeen op zitting is besproken en de stukken die door eiseres zijn ingediend na zitting is gebleken dat eiseres niet in [plaats 2] , maar in [plaats 1] is gevestigd. Dat betekent dat niet de rechtbank Zeeland-West-Brabant bevoegd is, maar de rechtbank Limburg. Ter zitting is dit met partijen besproken. Partijen hebben uitdrukkelijk te kennen gegeven dat zij wensen dat de verdere behandeling van de zaak door de rechtbank Zeeland-West-Brabant geschiedt. Mede uit proceseconomische overwegingen ziet de rechtbank Zeeland-West-Brabant aanleiding de zaak verder in behandeling te nemen.
2.5.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en het UWV in de gelegenheid gesteld nader te motiveren op welke termijn verbetering wordt verwacht en in welke mate de cognitieve gedragstherapie van invloed is op de afzonderlijke beperkingen zoals aangenomen in de FML. Op 9 oktober 2025 heeft de rechtbank een nadere motivering van het UWV ontvangen en op 13 november 2025 de reactie van eiseres.
2.5 Partijen hebben ermee ingestemd dat de rechtbank zonder nadere zitting uitspraak kan doen. Op 20 april 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
2.6.
De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.

Beoordeling door de rechtbank

Grondslag bestreden besluit
3. Aan het bestreden besluit heeft het UWV ten grondslag gelegd dat (ex-) werkneemster per 3 mei 2024 volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is.

Wat is in geschil?

4. Niet in geschil is dat (ex-)werkneemster volledig arbeidsongeschiktheid is. Partijen zijn verdeeld over de vraag of er meer beperkingen aangenomen moeten worden en of de arbeidsongeschiktheid duurzaam is.
Toetsingskader
5. Bij de beoordeling of het bestreden besluit juist is, is van belang welke medische beperkingen ex-werkneemster heeft en of er nog verbetering te verwachten is.
Het onderzoek van het UWV
6. Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapporten van een verzekeringsarts en een arts bezwaar en beroep (UWV arts b&b) en getoetst en akkoord bevonden door een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.
6.1.
De verzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd en (ex-)werkneemster gesproken en psychisch onderzocht tijdens het spreekuur van 14 maart 2024. Gezien de voorliggende gegevens acht de verzekeringsarts lichamelijk onderzoek niet nodig. De verzekeringsarts is van mening dat (ex-)werkneemster maximaal circa 2 a 3 uur aaneengesloten enigszins actief zou kunnen zijn, waarna een rustmoment moet komen van 15 tot 30 minuten. In de afgelopen drie jaar komt dit verhaal steeds naar voren, waardoor gesproken kan worden van een consistent verhaal. De klachten worden reëel en verantwoordelijk geacht voor een verminderde belastbaarheid. Er is dan ook een FML opgesteld waarbij beperkingen zijn opgenomen in rubriek 1 Persoonlijk functioneren en een maximale urenbelastbaarheid van 2-3 uur per dag en 10-15 uur per week is aangenomen. Verder is sprake van een nieuw ziektebeeld, dat een uiteenlopend verhaal laat zien. Volgens de verzekeringsarts is dus geen goede uitspraak te doen over de prognose. Verbetering is in ieder geval niet uitgesloten. Omdat er onderzoek plaatsvindt, gaat de verzekeringsarts ervan uit dat de functionele mogelijkheden, op termijn, ook bij (ex-)werkneemster zullen toenemen.
6.2.
De UWV arts b&b volgt voor de beoordeling van de duurzaamheid het stappenplan van het beoordelingskader “Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen”. De UWV arts b&b overweegt daarbij (1) dat bij Long Covid geen sprake is van een progressief of stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden en (2) dat Covid een nieuw ziektebeeld is waarover veel nog niet bekend is en een duidelijk medisch substraat ontbreekt dat de ernst van de klachten kan verklaren. Gezien de grote kans op spontaan herstel van mentale en cognitieve klachten is het belangrijk om deze boodschap expliciet aan patiënten uit te dragen, onder andere om een nocebo-effect door negatieve verwachtingen te voorkomen. Gezien de complexiteit van het medische beeld is een multidisciplinaire behandeling voor mensen met langdurige klachten na een Covid infectie momenteel het meest passend. Uit de actuele stand van de medische wetenschap is naar voren gekomen dat een klachtencontingente behandeling in combinatie met pacing de meest passende behandeling is. Zowel de behandeling bij de ergotherapeut als fysiotherapeut is op basis van pacing gedaan. De behandelend fysiotherapeut verwacht een verbetering van de belastbaarheid op langere termijn. Verder blijkt uit een onderzoek van 1 september 2023 dat mensen met aanhoudende moeheid en cognitieve klachten na Covid baat hebben bij cognitieve gedragstherapie. Ze hadden minder last van vermoeidheid, kunnen zich beter concentreren en functioneerden ook beter op zowel lichamelijk als sociaal vlak, ook na zes maanden. Gezien het voorgaande en het feit dat (ex-)werkneemster stress als een van de grootste triggers voor haar klachten noemt, zal deze behandeling een positieve bijdrage leveren tot de verbetering van de belastbaarheid. Er is een redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid kan optreden. De beperkingen zijn daarom niet duurzaam.
In reactie op het door eiseres overgelegde rapport van de [verzekeringsarts/medisch adviseur] heeft de UWV arts b&b gesteld dat geen aanvullende beperkingen aangenomen hoeven te worden. Wat auditieve prikkelgevoeligheid betreft kan (ex-)werkneemster in een werksituatie gehoorbescherming gebruiken, bijvoorbeeld een noise cancelling koptelefoon. Daarnaast rijdt (ex-)werkneemster, ondanks haar klachten, in haar dagelijkse leven auto. Om die reden ziet de UWV arts b&b geen reden om beroepsmatig vervoer in het geheel te beperken. Werk waarbij autorijden de voornaamste taak van het werk is, is voor (ex-) werkneemster wel minder geschikt. Tot slot ziet de UWV arts b&b geen reden om (ex-) werkneemster aanvullend beperkt te achten in de rubrieken Dynamische handelingen en statische houdingen, aangezien de primaire verzekeringsarts op energetische gronden een urenbeperking van maximaal drie uur per dag en 10-15 uur per week heeft aangenomen. Rekening houdend met de urenbeperking kan zij binnen de normaalwaarden in voornoemde rubrieken van de FML functioneren. De overschrijding van de normaalwaarden dient wel te worden voorkomen.
6.3
De beperkingen en de belastbaarheid van (ex-)werkneemster zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 19 maart 2024.
Het standpunt van eiseres
7. Eiseres stelt dat in het geval van het post-Covid syndroom er feitelijk geen behandelingen bekend zijn waarvan het op grond van kennis en ervaring vaststaat dat deze op de langere termijn tot verbetering van de belastbaarheid kunnen leiden. De verzekeringsarts b&b kan niet volstaan met de stelling dat er sprake is van een kennislacune en een mogelijkheid dat er in de toekomst nieuwe ontwikkelingen ontstaan dan wel dat er nog spontaan herstel op zal treden. Dat is niet medisch gemotiveerd conform de eisen die de Centrale Raad van Beroep (CRvB) aan de motivering van het UWV stelt.
8. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres een medische rapportage overgelegd, opgesteld door een verzekeringsarts/medisch adviseur. Volgens haar is er voor post-Covid nog geen wetenschappelijk bewezen behandeling. Door C-support lopen er onderzoeken, waarvan de eerste resultaten inmiddels zijn gepresenteerd. Problemen met prikkelverwerking, vermoeidheid en concentratieproblemen komen het meeste voor. De ernst van deze klachten neemt tot zes maanden na besmetting iets af, daarna blijven ze stabiel. Verder merkt zij op dat de studie die de UWV arts b&b naar voren heeft gebracht niet op (ex-)werkneemster betrokken kan worden, aangezien zij per datum in geding al drie jaar arbeidsongeschikt is. Onderzoek laat zien dat na zes maanden spontaan herstel nauwelijks optreedt. Verder geeft de medisch adviseur aan dat stress inderdaad één van de triggers is voor (ex-)werkneemster, omdat ze meer wil dan ze kan wat tot overbelasting leidt. De ergotherapeut heeft (ex-)werkneemster weten te helpen met het accepteren en verwerken ervan. De fysiotherapeut geeft aan dat de behandeling op het moment tijdelijk verlichting van de fysieke klachten geeft, maar de resultaten niet blijvend zijn. Welke andere mogelijke aanvullende behandelingen wel een blijvend resultaat opleveren is de fysiotherapeut niet duidelijk eveneens als de exacte prognose. De gunstige prognose die de UWV arts b&b aangeeft is dus niet meer dan een verwachting/hoop en niet medisch inhoudelijk gemotiveerd. Het vooruitlopen op mogelijke nieuwe ontwikkelingen in de toekomst en daarnaast ook een mogelijk gunstig natuurlijk beloop in de toekomst zijn niet gebaseerd op adequate medische behandelingen volgens de actuele stand van de medische wetenschap.
9. Daarnaast is (ex-)werkneemster volgens het door eiseres overgelegde rapport van de verzekeringsarts/medisch adviseur meer beperkt dan door het UWV is aangenomen. De UWV arts b&b geeft aan dat wat auditieve prikkelgevoeligheid betreft (ex-)werkneemster in een werksituatie gehoorbescherming kan gebruiken, bijvoorbeeld een noise cancelling koptelefoon. Volgens de [verzekeringsarts/medisch adviseur] had dit bij de toelichting van 1.8.1 moeten staan. Het is aan de arbeidsdeskundige om te bepalen of de functie het toelaat om gebruik te maken van noise cancelling. Omdat de UWV arts b&b werk waarbij autorijden de voornaamste taak van het werk minder geschikt acht voor (ex-) werkneemster, had dit item beperkt moeten worden met een toelichting. Verder is de [verzekeringsarts/medisch adviseur] van mening dat het de omgekeerde wereld is dat er geen aanvullende beperkingen worden aangenomen, omdat er al een urenbeperking is aangenomen. Voordat beperkingen in rubriek 6 Werktijden worden aangenomen, dient er eerst adequaat beoordeeld te worden welke beperkingen in de rubrieken 1 tot en met 5 aan de orde zijn. Het lijkt haar onmogelijk dat (ex-)werkneemster tien keer per uur 15 kg moet tillen, vier minuten aaneengesloten 15 kg moet dragen en vervolgens een uur aaneengesloten moet staan.
Het verweer van het UWV
10. Het UWV stelt dat uit diverse wetenschappelijke onderzoeken naar het post-Covid syndroom blijkt dat het volgen van cognitieve gedragstherapie (CGT) effectief kan zijn. Dit is ook een bewezen behandeling bij stress gerelateerde klachten. Patiënten die CGT hebben gevolgd, hebben minder last van vermoeidheid, konden zich beter concentreren en functioneerden beter op lichamelijk en sociaal vlak. Op basis van de beschikbare medische informatie is daarnaast geen direct bewijs dat de effectiviteit van CGT afhankelijk is van de duur van de klachten voorafgaand aan de therapie. Het doel van de behandeling is gedrags- en denkpatronen te veranderen.
11. In de rapportage van 4 maart 2025 wordt door de verzekeringsarts b&b ingegaan op het beroepschrift en de door eiseres overgelegde medische rapportage. Omdat (ex-) werkneemster al volledig arbeidsongeschikt wordt geacht, heeft de verzekeringsarts b&b niet meer gereageerd op de beroepsgronden met betrekking tot de FML. Het aannemen van meer beperkingen kan namelijk niet leiden tot een hoger arbeidsongeschiktheidspercentage. De verzekeringsarts b&b verwijst naar een wetenschappelijk onderzoek, waarin wordt bevestigd dat CGT een positieve bijdrage kan leveren aan een verbetering van de belastbaarheid van (ex-)werkneemster. De verzekeringsarts b&b concludeert dat verbetering mag worden verwacht in alle rubrieken van de FML.
De reactie van eiseres op het verweer
12. Eiseres blijft bij haar mening dat er ten aanzien van de beoordeling van de duurzaamheid sprake is van een ontoereikende motivering ten aanzien van de meer dan geringe kans op herstel van reëel arbeidsvermogen conform de vaste jurisprudentie van de CRvB. Er is tot op heden nog beperkt onderzoek naar behandeling en gebrek aan grote studies om de meest effectieve behandelingen te begrijpen. Ze adviseren educatie en begeleiding op geleide klachten, oftewel pacing. In de door (ex-)werkneemster ondergane behandeling bij de ergotherapeut en fysiotherapeut is dit ook toegepast. Tot slot komt uit de Kennisbundeling postcovid van RIVM/Instituut Verantwoord Medicijngebruik en C-support juli 2023 naar voren dat bij voornamelijk vermoeidheid de focus ligt op educatie, training op gebied van energiemanagement en een geïndividualiseerd trainingsprogramma. Vermeld wordt dat eventuele inzet van revalidatie en ook cognitieve gedragstherapie zorgvuldig beoordeeld moet worden, om verder leed te voorkomen aangezien met name bij PEM het risico op verslechtering bestaat, waarvan bij (ex-)werkneemster ook sprake is. Het is nog onvoldoende duidelijk welke patiënten baat hebben bij ‘traditionele’ revalidatie en cognitieve gedragstherapie en bij wie meer aandacht nodig is voor pacing ter voorkoming van verdere klachten. Gezien het voorgaande staat per datum in geding geen adequate en bewezen effectieve behandeling meer open, die kan leiden tot verbetering van de belastbaarheid.
Aanvullend verweer
13. De verzekeringsarts b&b concludeert in de rapportage van 12 augustus 2025 dat onderzoek laat zien dat CGT een duidelijk en statistisch significant gunstig effect heeft op de vermoeidheid, zonder dat er ernstige negatieve effecten zijn waargenomen. Bovendien tonen andere onderzoeken ook aan dat CGT veilig en effectief is in de praktijk. Daarnaast zegt WHO niet dat behandelingen met CGT niet van toepassing zijn. De richtlijnen geven een kader, namelijk pacing en energy management bij PEM, maar psychologische interventies (zoals CGT) staan als optie vermeld. Ook de leidraad ondersteunt integrale aanpak en vraagt expliciet om aandacht voor persoonsgebonden factoren (waar CGT op ingrijpt). Verder moet onderscheid gemaakt worden tussen behandelingen met Graded activity (GET) en CGT. GET kan namelijk tot verergering van de klachten leiden, terwijl CGT juist ontworpen is om cognities, coping en activiteitsregulatie te adresseren, met aandacht voor overbelasting.
14. Concluderend laten meerdere onderzoeken zien dat CGT leidt tot significante en aanhoudende vermindering van vermoeidheid en verbetering van de cognitieve functies en kwaliteit van leven bij post-COVID-patiënten. Uit de medische gegevens blijkt dat cliënt pacing in het dagelijks leven goed toepast, maar dat stress tot overbelasting en verergering van de klachten leidt. De huisarts adviseerde in verband met emotionele klachten een SSRI. CGT biedt echter een veilige, niet-medicamenteuze manier om beter met emoties en stress om te gaan.
Reactie van het UWV naar aanleiding van de vragen van de rechtbank
15. Zoals vermeld heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst en vragen gesteld aan het UWV. Het UWV heeft hierop als volgt gereageerd.
16. Het UWV geeft aan dat de beoordeling onder stap 3 van het beoordelingskader valt. Aangezien een CGT-traject, afhankelijk van de intensiteit, doorgaans enkele maanden tot een jaar duurt, betekent dit dat bij (ex-)werkneemster geen verbetering op korte termijn valt te verwachten, maar wel op langere termijn.
17. Uit onderzoek blijkt dat CGT een duidelijk en statistisch significant gunstig effect heeft op de vermoeidheid, zonder dat er ernstige negatieve effecten zijn waargenomen. Dit betekent dat na het eerstkomende jaar nog verbetering van de belastbaarheid kan worden verwacht ten aanzien van de werktijden. Ook met betrekking tot de beperkingen in rubriek 1 Persoonlijk functioneren kan verbetering verwacht worden, omdat CGT zich richt op stressregulatie en coping. Concluderend is, op basis van wetenschappelijke onderzoeken, het gerechtvaardigd dat bij inzet CGT op langere termijn verbetering van de belastbaarheid in alle rubrieken van de FML is te verwachten.
Reactie eiseres
18. Eiseres handhaaft haar standpunt dat er per datum in geding geen concrete behandeling dan wel geen door de behandelaar aangeraden behandeling is, die naar verwachting tot een beduidende verbetering van de belastbaarheid van (ex-)werkneemster zou kunnen leiden. De reeds ondergane behandeling door de ergotherapeut heeft (ex-) werkneemster geleerd om beter met haar grenzen om te leren gaan en zichzelf niet te overbelasten. Ook heeft de therapie gezorgd voor adequate coping en dat zij beter om kan gaan met stress. De behandelaars hebben CGT nooit geadviseerd. De inzet van CGT dient zorgvuldig beoordeeld te worden. Bij vermoeidheid na inspanning, waar bij (ex-) werkneemster sprake van is, bestaat het risico op verslechtering. Nu geen sprake is van angst dan wel een depressieve stoornis, maar wel van een adequate coping en klachten van vermoeidheid na inspanning, is CGT juist niet aan te raden. Verder geeft de verzekeringsarts/medisch adviseur in het door eiseres overgelegde rapport aan dat uitspraken over de ontwikkeling van de belastbaarheid die een langere termijn beslaan dan drie tot zes maanden vaak onvoldoende betrouwbaar zijn. De belastbaarheid zal over het algemeen minder verbeteren naarmate de tijd voortschrijdt. Op grond van het Beoordelingskader is het uitgangspunt dat als de belastbaarheid in het eerstkomende jaar niet of nauwelijks zal verbeteren, ervan uit wordt gegaan dat dit ook in de periode daarna ongewijzigd van toepassing is. Er moet een goede reden zijn om hiervan af te wijken. Dat is het geval wanneer op grond van kennis en ervaring vaststaat dat een behandeling, gegeven de aard of de complexiteit van het ziektebeeld, pas na langere tijd tot verbetering van de belastbaarheid kan leiden.
Zijn de beperkingen juist vastgesteld?
19. Eiseres heeft aangevoerd dat (ex-)werkneemster meer beperkt is dan door het UWV aangenomen. De verzekeringsarts b&b heeft deze beroepsgronden buiten beschouwing gelaten, aangezien (ex-)werkneemster al volledig arbeidsongeschikt is geacht. Dit volgt de rechtbank niet. Eiseres heeft nog steeds een belang bij het juist vaststellen van de FML. Een juiste vaststelling van de FML is immers noodzakelijk om daarna te kunnen beoordelen of de beperkingen nog kunnen verbeteren en of er sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid.
20. De onderbouwing van verzekeringsarts b&b om geen aanvullende beperkingen aan te nemen, zoals weergegeven onder punt 6.2, kan de rechtbank niet volgen. Het is immers aan de verzekeringsarts om de aanwezige beperkingen vast te stellen en op te nemen in de FML. Daarbij zal zij eerst moeten aangeven wat de beperkingen in de rubrieken 1 tot en met 5 zijn. Pas daarna moet beoordeeld worden of er, rekening houdend met de aangegeven beperkingen, nog aanleiding bestaat om een urenbeperking aan te nemen. [1] Vervolgens dient de arbeidsdeskundige te kijken of er functies te duiden zijn, waarbij hij ook kan betrekken of er hulpmiddelen zijn waardoor, ondanks de beperkingen, een functie toch kan worden uitgevoerd. Daarnaast moet volgens de verzekeringsarts b&b overschrijding van de normaalwaarden worden voorkomen. Dit is echter niet opgenomen in de FML.
21. Gelet op hetgeen wat hiervoor is overwogen moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat de verzekeringsarts b&b de belastbaarheid van (ex-) werkneemster niet juist heeft vastgesteld. De verzekeringsarts b&b zal in de FML alsnog beperkingen moeten aannemen voor prikkels en autorijden en opnemen dat overschrijding van de normaalwaarden moet worden voorkomen, zoals zij in haar rapportages heeft vermeld. Verder zal de verzekeringsarts b&b moeten toetsen of er aanleiding bestaat om (ex-)werkneemster te beperken voor dynamische en statische handelingen.
Is de motivering van het UWV met betrekking tot de duurzaamheid van de arbeidsongeschikt van (ex-)werkneemster houdbaar?
22. De duurzaamheid kan pas vastgesteld worden als de beperkingen juist zijn vastgesteld. Gelet op het voorgaande is daarvan in onderhavige geval (nog) geen sprake. Op basis van de thans vastgestelde beperkingen is de rechtbank van oordeel dat de motivering dat geen sprake is van duurzaamheid onvoldoende is. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
23. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens de wet WIA hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Onder duurzaam wordt verstaan een medisch stabiele of verslechterde situatie. Onder duurzaam wordt mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.
24. Het UWV heeft in dit kader voor verzekeringsartsen een beoordelingskader ontwikkeld. Volgens dat kader zijn arbeidsbeperkingen duurzaam als verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten, of verbetering van de belastbaarheid niet of nauwelijks is te verwachten. Het kader bevat een stappenplan dat de verzekeringsarts (en wat de derde stap betreft in overleg met de arbeidsdeskundige) doorloopt bij de prognose van de arbeidsbeperkingen. Hierbij moet worden uitgegaan van de medische situatie zoals die is op het moment van de beoordeling.
25. Het UWV heeft zich op het standpunt gesteld dat stap 3 van toepassing is. Bij deze stap zal beoordeeld moeten worden of en zo ja, in hoeverre, die verbetering van de belastbaarheid na het eerstkomende jaar nog kan worden verwacht.
25. Er zijn dan twee mogelijkheden, namelijk dat er een redelijke of goede verwachting is dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden (hiervan is alleen sprake bij een behandeling, waarvan vaststaat dat die eerst op langere termijn kan zijn gericht op verbetering van de belastbaarheid) of wel verbetering van de belastbaarheid is niet of nauwelijks te verwachten.
27. De CRvB hanteert strenge criteria voor de beoordeling van duurzaamheid. De verzekeringsarts moet bij de beoordeling van de duurzaamheid een inschatting maken van de herstelkansen in het eerste jaar en de periode erna. Die inschatting moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden van de verzekerde. Als de inschatting berust op een medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat van die behandeling voor de individuele verzekerde. De enkele stelling dat er nog behandelmogelijkheden zijn, is dus onvoldoende.
28. De rechtbank is van oordeel dat het UWV onvoldoende heeft onderbouwd dat er vanwege behandelmogelijkheden verbetering van de belastbaarheid na het eerstkomende jaar kon worden verwacht. De door de verzekeringsarts b&b voorgestelde CGT-behandeling is, mede in het licht van de gemotiveerde stellingen van eiseres, te weinig op de persoon van (ex-)werkneemster gericht. Het UWV heeft gesteld dat CGT een gunstig effect heeft op vermoeidheid en zich richt op stressregulatie en coping en dat stress voor (ex-)werkneemster een belangrijke trigger is voor overbelasting.
29. Eiseres heeft gemotiveerd gesteld dat (ex-)werkneemster (onder meer) een behandeling bij de ergotherapeut heeft gehad, waarbij ze heeft geleerd om beter met haar klachten om te kunnen gaan, haar ziekte te accepteren en om niet te overbelasten. Daarnaast heeft eiseres erop gewezen dat er geen sprake is van een angststoornis of depressie, geen van haar behandelaars CGT heeft voorgesteld als een te volgen behandeling en dat CGT juist in haar (individuele) geval tot verslechtering kan leiden. Daarbij is er op gewezen dat (ex-)werkneemster op de datum in geding al drie jaar ziek was. Uit de rapportages van de verzekeringsarts b&b blijkt onvoldoende in hoeverre het voorgaande betrokken is bij haar afweging. De verzekeringsarts b&b heeft ook onvoldoende toegelicht welke mate van herstel in het individuele geval van (ex-)werkneemster verwacht mag worden, hoe groot de kans op herstel is, welke gevolgen dit zou kunnen hebben voor de belastbaarheid van (ex-) werkneemster na het eerstvolgende jaar en of de veronderstelde verbetering van de belastbaarheid voldoende substantieel is. Dat betekent dat de conclusie dat (ex-) werkneemster niet duurzaam arbeidsongeschikt is, onvoldoende is gemotiveerd.
30. De rechtbank merkt verder nog op dat op 8 april 2026 de handreiking post-COVID syndroom van de Nederlandse Vereniging voor Verzekeringsgeneeskunde (NVVG) is vastgesteld. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat het UWV deze handreiking volgt. Om die reden dient de handreiking bij een eventuele nadere motivering met betrekking tot de duurzaamheid door het UWV meegenomen te worden in haar overwegingen.

Conclusie en gevolgen

31. Uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen volgt dat het bestreden besluit lijdt aan een motiveringsgebrek.
31.1.
Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen, de zogeheten ‘bestuurlijke lus’. De rechtbank ziet aanleiding om van deze mogelijkheid gebruik te maken en zal het UWV in de gelegenheid stellen om de hiervoor geconstateerde gebreken te herstellen.
31.2.
Meer concreet dient het UWV om het gebrek te herstellen de beperkingen (de FML) op een juiste wijze vast te stellen en met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen nader te motiveren waarom de arbeidsongeschiktheid van (ex-)werkneemster niet duurzaam is. Het UWV zal in ieder geval het volgende moeten doen.
- de beperking voor prikkels en beroepsmatig autorijden opnemen in de FML;
- beoordelen of er beperkingen zijn in dynamisch en statisch functioneren;
- beoordelen welke beperkingen in welke mate nog zouden kunnen verbeteren en wat dat zou betekenen voor de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid. Daarbij zullen in ieder geval stap 3 van het stappenplan en de handreiking van de NVVG betrokken moeten worden.
31.3.
De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het UWV het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze uitspraak. Als het UWV hiervan geen gebruik wil maken, dan moet het dit binnen twee weken aan de rechtbank meedelen.
31.4.
Als het UWV gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen, zal de rechtbank vervolgens eiseres in de gelegenheid stellen om binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het UWV.
31.5.
In beginsel, ook in de situatie dat het UWV de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
31.6.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dit betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt. Terzijde merkt de rechtbank op dat eiseres verzoekt de kosten van de medisch adviseur te vergoeden, maar (vooralsnog) geen nota’s heeft overgelegd.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt het UWV op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of het gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt het UWV in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.H. Meulensteen, griffier op 13 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

1.Conform het uitgangspunt opgenomen in de basisinformatie CBBS, versie 6, blz 300.