ECLI:NL:RBZWB:2026:6359

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/2626
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:5 AwbArt. 12 IW 1990Art. 1 Kostenwet invordering rijksbelastingArt. 3 Kostenwet invordering rijksbelasting
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling kosten dwangbevel voorlopige aanslagen inkomstenbelasting en zorgverzekeringswet

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de kosten van dwangbevels voor de voorlopige aanslagen Zorgverzekeringswet (Zvw) en inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2022. De ontvanger had het bezwaar ongegrond verklaard en vervolgingskosten in rekening gebracht.

De rechtbank oordeelt dat zij niet bevoegd is om te toetsen aan de inhoudelijke beslissingen over het dwangbevel, kwijtschelding of uitstel, maar wel bevoegd is om te beoordelen of de kosten van het dwangbevel terecht en niet te hoog zijn berekend. De kosten van het dwangbevel Zvw zijn conform de Kostenwet juist vastgesteld en terecht in rekening gebracht.

Voor de kosten van het dwangbevel IB/PVV heeft de ontvanger deze tijdens het beroep vernietigd, waardoor het beroep op dit punt gegrond is. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar voor de kosten van het dwangbevel IB/PVV, verklaart het beroep gegrond en veroordeelt de ontvanger tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.

De rechtbank bevestigt de vernietiging van de kostenbeschikking voor het dwangbevel IB/PVV en verklaart zich voor het overige onbevoegd. De gemachtigde van belanghebbende had zich afgemeld voor de zitting, maar de zaak is inhoudelijk behandeld.

Uitkomst: Het beroep is gegrond voor de kosten van het dwangbevel IB/PVV en ongegrond voor de kosten van het dwangbevel Zvw; de uitspraak op bezwaar voor IB/PVV wordt vernietigd en de ontvanger wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/2626

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 13 juli 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de ontvanger van 15 april 2025.
1.1.
De ontvanger heeft een dwangbevel uitgevaardigd met betrekking tot de voorlopige aanslag Zorgverzekeringswet over het jaar 2022 (de voorlopige aanslag Zvw) en een dwangbevel met betrekking tot de voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2022 (de voorlopige aanslag IB/PVV). Tevens heeft de ontvanger vervolgingskosten in rekening gebracht.
1.2.
De ontvanger heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de kosten van het dwangbevel ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de ontvanger deelgenomen: [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] , mr. [inspecteur 3] . De gemachtigde van belanghebbende heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de kosten van het dwangbevel met betrekking tot de voorlopige aanslag Zvw terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende in rekening zijn gebracht. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de kosten van het dwangbevel met betrekking tot de voorlopige aanslag Zvw terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende in rekening zijn gebracht
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Op 28 maart 2024 heeft de ontvanger een pro forma verzoek om kwijtschelding ontvangen.
3.1.
De inspecteur heeft met dagtekening 30 augustus 2024 aan belanghebbende de voorlopige aanslag Zvw 2022 opgelegd. Op dezelfde dag heef de inspecteur een voorlopige aanslag IB/PVV 2022 opgelegd.
3.2.
De uiterste betaaldatum van de voorlopige aanslagen is 11 oktober 2024.
3.3.
Per brief van 30 oktober 2024 heeft de ontvanger aan belanghebbenden een aanmaning verzonden vanwege het uitblijven van de betaling van de voorlopige aanslagen.
3.4.
De kosten van de aanmaning betreffende de voorlopige aanslag Zvw bedragen € 19. De kosten van de aanmaning betreffende de voorlopige aanslag IB/PVV bedragen € 9.
3.5.
Met dagtekening 28 november 2024 heeft de ontvanger een dwangbevel verzonden wegens het uitblijven van de betaling van de voorlopige aanslagen.
3.6.
De kosten van het dwangbevel betreffende de voorlopige aanslag Zvw bedragen € 145. De kosten van het dwangbevel betreffende de voorlopige aanslag IB/PVV bedragen € 57.

Motivering

Vooraf – verzoek om vrijstelling betaling griffierecht
4. Belanghebbende heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. Naar het oordeel van de rechtbank is het verzoek om vrijstelling van betaling van het griffierecht terecht afgewezen. Belanghebbende heeft namelijk desgevraagd geen gegevens verstrekt waaruit blijkt dat belanghebbende voldoet aan de criteria voor vrijstelling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Belanghebbende heeft dus terecht het griffierecht ter zake betaald.
Vooraf – vernietiging vervolgingskosten hangende het beroep
4.1.
De ontvanger heeft hangende het beroep de vervolgingskosten met betrekking tot de voorlopige aanslag IB/PVV vernietigd. Het beroep is op dit punt gegrond.
De kosten van het dwangbevel betreffende de voorlopige aanslag Zvw
4.2.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de kosten van het dwangbevel ten onrechte in rekening zijn gebracht. Belanghebbende betoogt dat de aanslag viel onder het eerder aangevraagde crediteurenakkoord betreffende de zogenoemde coronaregeling van de Belastingdienst.
4.3.
De rechtbank stelt voorop dat zij niet bevoegd is om te oordelen over beslissingen van de ontvanger met betrekking tot de uitvaardiging en tenuitvoerlegging van een dwangbevel, het verlenen van een kwijtschelding en het verlenen van uitstel van betaling. [1] Voor bepaalde besluiten op grond van de IW 1990 is in de regelgeving een uitzondering gemaakt, in welk geval de belastingkamer wel bevoegd is. Een dergelijke uitzondering is niet aan de orde. De belastingkamer van de rechtbank is voor dit gedeelte onbevoegd.
4.4.
De belastingkamer van de rechtbank is wel bevoegd om te oordelen over de kosten van het dwangbevel. De rechtbank overweegt dat de invordering van een belastingaanslag kan geschieden door middel van een door de ontvanger uit te vaardigen dwangbevel. [2] Bij het dwangbevel kunnen tevens de kosten van het dwangbevel worden ingevorderd. [3] Ingevolge artikel 1 van Pro de Kostenwet invordering rijksbelasting (Kostenwet) worden kosten in rekening gebracht ter zake van het verrichten van werkzaamheden voor de invordering van bedragen door de zorg van een inzake rijksbelastingen bevoegde ontvanger en door een belastingdeurwaarder op grond van de bepalingen van de Invorderingswet 1990 of enige andere wettelijke bepaling aan degene die in gebreke is gebleven het verschuldigde tijdig te betalen. De kosten van de betekening van een dwangbevel worden vastgesteld op grond van artikel 3 Kostenwet Pro en zijn afhankelijk van de hoogte van de belastingschuld. In 2024 was voor het betekenen van een dwangbevel met bevel tot betaling verschuldigd € 49 verhoogd met € 4 van elk geheel bedrag van € 45 waarmee de gevorderde som € 45 te boven gaat. Het maximumbedrag van de kosten was in 2024 € 14.597.
4.5.
De rechtbank stelt vast dat de ontvanger de kosten van het dwangbevel betreffende de voorlopige aanslag Zvw conform de Kostenwet heeft berekend. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de betekeningskosten van het dwangbevel terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende in rekening gebracht.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond, omdat de ontvanger hangende het beroep de kosten van het dwangbevel betreffende de voorlopige aanslag IB/PVV heeft vernietigd. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de kosten van het dwangbevel betreffende de voorlopige aanslag IB/PVV.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de ontvanger het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten. De ontvanger moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft deze zaak een licht gewicht voor de berekening van de proceskostenvergoeding en past de rechtbank de factor 0,5 toe. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 467.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond welke ziet op de uitspraak op bezwaar over de kosten van het dwangbevel betreffende de voorlopige aanslag IB/PVV;
- verklaart het beroep ongegrond welke ziet op de uitspraak op bezwaar over de kosten van het dwangbevel betreffende de voorlopige aanslag Zvw;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar welke betrekking heeft op de kosten van het dwangbevel betreffende de voorlopige aanslag IB/PVV;
- bevestigt de vernietiging van de kostenbeschikking van het dwangbevel betreffende de voorlopige aanslag IB/PVV.
- bepaalt dat de ontvanger het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de ontvanger tot betaling van € 467 aan proceskosten aan belanghebbende;
- verklaart zich voor het overige onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 8:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak (bijlage 2 bij de Awb).
2.Artikel 12, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 (IW 1990).
3.Artikel 12, tweede lid, van de IW 1990.