ECLI:NL:RBZWB:2026:6363

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
02-005980-26
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 243 SrArt. 242 SrArt. 241 lid 2 SrArt. 14a SrArt. 14b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzetverkrachting met dwang en geweld en oplegging gevangenisstraf

Op 7 december 2024 heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan opzetverkrachting van het slachtoffer, waarbij dwang en geweld zijn toegepast. Het slachtoffer werd door verdachte tegen haar wil de woning ingetild, tegen de muur gedrukt en vaginaal gepenetreerd met vingers. Verdachte ontkende aanvankelijk de seksuele handelingen, maar het bewijs, waaronder verklaringen van het slachtoffer, berichten op haar telefoon en DNA-sporen, overtuigde de rechtbank van zijn schuld.

De rechtbank oordeelde dat het bewijs van het slachtoffer betrouwbaar was en voldoende werd ondersteund door steunbewijs, zoals het tijdstip en inhoud van berichten naar een vriendin en het DNA-onderzoek. Het alternatieve scenario van de verdediging werd verworpen. Verdachte werd strafbaar verklaard voor opzetverkrachting voorafgegaan door en vergezeld van dwang en geweld.

De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 26 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, rekening houdend met de ernst van het feit, het relatief beperkte geweld en de duur van de penetratie. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €3.043,44 aan het slachtoffer, bestaande uit materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 7 december 2024.

De vorderingen van het slachtoffer voor overige materiële en immateriële schade werden niet-ontvankelijk verklaard en kunnen bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. De rechtbank legde een schadevergoedingsmaatregel op met mogelijkheid tot gijzeling bij niet-betaling. Verdachte werd vrijgesproken van overige tenlastegelegde feiten.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 26 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, en betaling van schadevergoeding voor opzetverkrachting met dwang en geweld.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-005980-26
Vonnis van de meervoudige kamer van 16 juli 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Syrië) op [geboortedag] 1987,
ingeschreven in de basisregistratie personen op [locatie] ,
raadsman mr. S.M. van der Want, advocaat te Middelburg .

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 2 juli 2026, waarbij de officier van justitie, mr. M.C. Fimerius, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich op 7 december 2024 primair schuldig heeft gemaakt aan opzetverkrachting van [slachtoffer], subsidiair aan gekwalificeerde opzetaanranding van die [slachtoffer] .

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Zij acht de verklaring van [slachtoffer] geloofwaardig en betrouwbaar. De verklaring van [slachtoffer] wordt ondersteund door steunbewijs. De verklaringen van verdachte zijn inconsistent en worden niet ondersteund door het dossier. Zijn verklaringen zijn dan ook ongeloofwaardig. Er is sprake van dwang en geweld. Bovendien wist verdachte dat de seksuele handeling tegen de wil van [slachtoffer] was.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit voor zowel het primair als subsidiair tenlastegelegde vrijspraak. Het alternatieve scenario van verdachte, in samenhang met diverse onduidelijkheden en niet onderzochte aspecten van de zaak, geeft aanleiding tot gerede twijfel.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feitenvaststelling
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen het volgende vast. Verdachte en [slachtoffer] waren beiden woonachtig aan het [adres] te [plaats] . [slachtoffer] kocht regelmatig goedkope sigaretten bij verdachte.
Uit de verklaringen van [slachtoffer] volgt dat zij op 7 december 2024 naar de woning van verdachte is gegaan voor het kopen van sigaretten. Zij had hiervoor een briefje van 100 euro meegenomen. Volgens [slachtoffer] gaf verdachte aan geen geld voor de sigaretten te willen en stelde hij voor om in plaats daarvan seksuele handelingen met elkaar te verrichten. [slachtoffer] heeft dit voorstel afgewezen. Vervolgens heeft verdachte [slachtoffer] opgepakt, zijn armen om haar heen geslagen en haar de woning ingetild. In de woning heeft verdachte haar tegen de muur gedrukt en gehouden, is hij met zijn hand in haar broek gegaan en heeft hij haar vaginaal gepenetreerd met zijn vingers. [slachtoffer] heeft meerdere keren aangegeven dat zij dit niet wilde en verdachte verzocht te stoppen. Verdachte heeft hieraan geen gehoor gegeven. Tijdens de vaginale penetratie heeft verdachte met zijn stijve penis tegen het lichaam van [slachtoffer] geschuurd. Pas nadat hij was klaargekomen, heeft hij haar losgelaten en heeft zij de woning kunnen verlaten.
Verdachte ontkent zich schuldig te hebben gemaakt aan het tenlastegelegde. Tijdens zijn eerste politieverhoor heeft hij verklaard dat er geen seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. In een later politieverhoor, alsmede ter terechtzitting, heeft hij verklaard dat [slachtoffer] hem in ruil voor sigaretten oraal heeft bevredigd en dat dergelijke seksuele contacten ook eerder tussen hen hadden plaatsgevonden. Volgens verdachte heeft hij [slachtoffer] tijdens de orale bevrediging op 7 december 2024 niet aangeraakt.
Juridisch kader
In zedenzaken zijn doorgaans slechts twee personen aanwezig bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het veronderstelde slachtoffer en de verdachte. Indien de veronderstelde dader ontkent, moet de rechter beoordelen of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is voldaan. Dat bewijsminimum houdt in dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Er moet sprake zijn van steunbewijs, dat afkomstig is van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Uit rechtspraak van de Hoge Raad kan onder meer worden afgeleid dat voor een bewezenverklaring van verkrachting niet is vereist dat de verkrachting als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het voldoende is dat de verklaring van het slachtoffer op bepaalde punten bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, afkomstig van een andere bron dan het slachtoffer. Daar staat tegenover dat tussen de verklaring van de aangeefster en dat overige bewijsmateriaal een niet te ver verwijderd verband mag bestaan.
Het voorgaande betekent dat enerzijds het oordeel dat de verklaring van het veronderstelde slachtoffer betrouwbaar is en anderzijds het oordeel dat haar verklaring in ander bewijsmateriaal voldoende steun vindt, twee afzonderlijke beslissingen zijn. Het feit dat de verklaring van het veronderstelde slachtoffer betrouwbaar wordt geacht, kan niet op zichzelf als voldoende steunbewijs dienen.
Betrouwbaarheid verklaring aangeefster
De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer] als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt en overweegt hiertoe als volgt. [slachtoffer] heeft op drie momenten een verklaring afgelegd: als eerst op 7 december 2024 – direct na het incident – tegen de verbalisanten die ter plaatse kwamen. De tweede keer is zij een dag na het incident gehoord in het kader van een informatief gesprek zeden. Tot slot heeft zij een verklaring afgelegd in haar aangifte. [slachtoffer] heeft op al deze momenten, op enkele punten na, consistent verklaard. De rechtbank acht de verklaringen van [slachtoffer] dan ook betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
Steunbewijs
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of de verklaringen van [slachtoffer] in voldoende mate worden ondersteund door een ander zelfstandig bewijsmiddel. De rechtbank is van oordeel dat die steun kan worden gevonden in het dossier. Zo blijkt uit het onderzoek aan de telefoon van [slachtoffer] dat zij op 7 december 2024 omstreeks 13.05 uur een bericht naar haar vriendin [persoon] stuurt dat zij sigaretten gaat halen bij de buurman (
de rechtbank begrijpt: de verdachte). Omstreeks 14.12 uur, vrijwel direct na het incident, stuurt zij weer een bericht naar [persoon] dat ze haar moet spreken, dat de buurman haar heeft opgepakt bij de voordeur en aan haar heeft gezeten. Verder stuurt zij dat er dingen zijn gebeurd die niet oké waren. Ook blijkt uit het onderzoek aan de telefoon van [slachtoffer] dat zij eerder, te weten in september 2024, aan verdachte kenbaar heeft gemaakt dat zij niet meer wil dat hij haar aanraakt en dat ze alleen sigaretten wil. Tot slot volgt uit het rapport van Eurofins dat er bij een vergelijkend DNA-onderzoek een match is gevonden tussen het DNA dat is aangetroffen op de buitenzijde van de achterzijde van de heupband van de onderbroek van [slachtoffer] en het DNA van verdachte, met een bewijskracht van 29.000.
Het door verdachte geschetste alternatieve scenario – dat [slachtoffer] hem oraal heeft bevredigd in ruil voor sigaretten – is naar het oordeel van de rechtbank gelet op het hiervoor genoemde steunbewijs niet aannemelijk geworden en wordt terzijde geschoven. Bovendien biedt dit scenario geen enkele verklaring voor het aangetroffen DNA op de onderbroek van [slachtoffer] , temeer nu hij meermaals heeft verklaard haar niet te hebben aangeraakt. De rechtbank gaat dan ook uit van de handelingen zoals door [slachtoffer] zijn beschreven.
Gekwalificeerde opzetverkrachting
Van opzetverkrachting is sprake als de verdachte met een ander seksuele handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, terwijl hij – al dan niet in voorwaardelijke zin – wist dat bij de ander de wil daartoe ontbrak. Van wetenschap van een ontbrekende wil bij de ander is in het algemeen sprake als de ander met duidelijke verbale of non-verbale signalen te kennen heeft gegeven het seksuele contact niet te willen en de verdachte dit seksuele contact toch heeft voortgezet.
Om tot een bewezenverklaring van gekwalificeerde opzetverkrachting te komen moet worden vastgesteld dat de opzetverkrachting werd voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door dwang, geweld of bedreiging.
De rechtbank is van oordeel dat uit de door [slachtoffer] beschreven omstandigheden en het feit dat zij meermaals heeft gezegd dat zij het niet wilde, ook voorafgaand aan het incident, blijkt dat bij haar de wil tot seksueel contact met verdachte ontbrak en dat dit voor verdachte duidelijk moet zijn geweest. Voorts is de rechtbank van oordeel dat uit de beschreven omstandigheden volgt dat de seksuele handeling met gebruik van dwang en geweld heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft [slachtoffer] immers de woning ingetild, haar tegen de muur gedrukt en daartegen gehouden, waarna hij haar vaginaal heeft gepenetreerd met zijn vingers.
Conclusie
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit, gekwalificeerde opzetverkrachting, wettig en overtuigend bewezen.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 7 december 2024 te [plaats] met een persoon, te weten [slachtoffer] een seksuele handeling die bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, hebbende verdachte zijn vingers in de vagina van die [slachtoffer] geduwd, terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door en vergezeld van dwang en geweld, door die [slachtoffer] op te pakken en de gang van zijn, verdachtes, woning in te tillen en tegen de muur te drukken en gedrukt te houden en de deur van zijn, verdachtes, woning te sluiten en de woorden "doe dit niet, ik wil dit niet" van die [slachtoffer] te negeren en vervolgens met zijn hand in de broek van die [slachtoffer] te gaan en vervolgens onverhoeds zijn, verdachtes, vingers in de vagina van die [slachtoffer] te duwen.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetverkrachting van [slachtoffer] , met toepassing van dwang en geweld. Hij heeft [slachtoffer] zijn huis ingetild, haar tegen de muur gedrukt en gehouden en haar vervolgens vaginaal gepenetreerd met zijn vingers. Hiermee heeft hij de lichamelijke en seksuele integriteit van [slachtoffer] op ingrijpende wijze geschonden.
Slachtoffers van feiten als het onderhavige kunnen daarvan nog langdurige nadelige psychische gevolgen ondervinden. Dat geldt ook voor [slachtoffer] . Uit haar slachtofferverklaring blijkt dat de verkrachting een grote impact op haar heeft gehad. Sinds de verkrachting is zij onzeker, kwetsbaar en is zij niet meer de persoon die zij ooit was. Verdachte heeft de gevolgen voor [slachtoffer] door zijn handelen ondergeschikt gemaakt aan zijn eigen seksuele behoeftes.
Verdachte heeft geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Hierdoor is het voor de rechtbank onduidelijk gebleven hoe hij tot deze daad is gekomen en of er aanleiding is te veronderstellen dat hij dit een volgende keer weer zou doen.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 21 mei 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder met politie of justitie in aanraking is geweest.
De strafoplegging
Gelet op de aard en de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat alleen een gevangenisstraf van een aanzienlijke duur een passende strafrechtelijke reactie is. Voor de bepaling van de hoogte hiervan heeft de rechtbank gekeken naar gevangenisstraffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Er zijn nog geen oriëntatiepunten voor gekwalificeerde opzetverkrachting als bedoeld in artikel 243, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr), zoals in dit geval aan de orde is, maar wel voor verkrachting als bedoeld in artikel 242 Sr Pro (oud). Voor de laatstgenoemde verkrachting met geweld of met een daarmee vergelijkbare mate van dwang hanteren de oriëntatiepunten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden als uitgangspunt. De rechtbank acht dit uitgangspunt in beginsel passend voor de onderhavige zaak.
De rechtbank ziet echter aanleiding om hiervan af te wijken en tot een lagere strafoplegging dan door de officier van justitie gevorderd te komen. Daarbij neemt zij in aanmerking dat het toegepaste geweld relatief beperkt van aard was, hoewel daarbij wel kracht is uitgeoefend. Daarnaast is de verkrachting met de vingers van relatief korte duur geweest.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar passend en geboden.

7.De vordering van de benadeelde partij

Benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 12.220,10 voor het feit.
De rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Materiële schade
Kosten t-shirt en joggingbroek
De rechtbank is van oordeel dat deze niet betwiste kosten in voldoende rechtstreeks verband staan tot het bewezenverklaarde feit en zal het gevorderde bedrag van € 37,50 toewijzen.
Kosten vijf joggingbroeken
De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 87,50 voor vijf joggingsbroeken die identiek zijn aan de joggingsbroek die zij droeg ten tijde van het bewezen verklaarde feit. Nu onvoldoende is vast komen te staan dat de benadeelde partij vijf identieke joggingsbroeken had, zal de vordering in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Reiskosten
De rechtbank zal de gevorderde reiskosten ten behoeve van het bezoek aan de slachtofferadvocaat afwijzen, omdat een wettelijke grondslag hiervoor ontbreekt. De reiskosten voor de EMDR-behandelingen zijn voldoende onderbouwd en komen voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal een bedrag van € 5,94 toewijzen en de benadeelde partij in het overige deel niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Kosten opslagbox inboedel
Deze kosten zijn betwist door de verdediging. Mr. Minekus heeft op zitting toegelicht dat de benadeelde partij deze kosten heeft gemaakt, omdat zij zich genoodzaakt voelde te verhuizen. Doordat haar nog geen nieuwe woning was toegewezen, heeft zij haar inboedel tijdelijk moeten opslaan in een opslagbox. De rechtbank overweegt dat verhuiskosten in beginsel voor toewijzing vatbaar zijn, maar dat de gevorderde kosten in het onderhavige geval onvoldoende zijn onderbouwd. Zo ontbreekt bijvoorbeeld de correspondentie met Zuidwest Wonen, de toenmalige verhuurder van de woning van de benadeelde partij. Om die reden zal de rechtbank de benadeelde partij ook in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Immateriële schade
De rechtbank is van oordeel dat verdachte met het bewezenverklaarde op grove wijze inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de benadeelde partij. De aard en de ernst van de normschending door verdachte brengt mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze, zodat zij in aanmerking komt voor vergoeding van immateriële schade.
De hoogte van de gevorderde schadevergoeding heeft de benadeelde partij mede onderbouwd met een verwijzing naar de Rotterdamse schaal. Voor de hoogte van de vordering is aansluiting gezocht bij ’15 Seksuele misdrijven’, categorie 15.1 sub b ‘ernstig’, waarbij is uitgegaan van € 9.000,00. Tevens is verzocht om het bedrag met 15% te verhogen. Benadeelde partij verwijst hierbij naar Aanbeveling 2 van de richtlijn voor de begroting van smartengeld, waaruit volgt dat bij blijvend letsel het smartengeld voor jongeren en jongvolwassenen van 15 tot en met 29 jaar met 15% wordt verhoogd. Dat betekent dat in totaal om € 10.350,00 wordt verzocht.
De rechtbank heeft eveneens gekeken naar de Rotterdamse schaal. De rechtbank is van oordeel dat de details van het feit kunnen worden vergeleken met de categorie 15.1 sub c ‘tamelijk ernstig’ en zal dit als uitgangspunt nemen. In de onderhavige zaak gaat het om een verkrachting waarbij eenmaal is overgegaan tot penetratie met vingers en waarbij licht geweld is toegepast. De bandbreedte voor het toekennen van smartengeld ligt in dit geval tussen € 2.500,00 en € 7.500,00. De rechtbank merkt verder op dat een opslag van 15% enkel opgaat bij blijvend letsel, hetgeen in het onderhavige geval niet is vast komen te staan. Alles overwegende begroot de rechtbank de omvang van de immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van € 3.000,00.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van de gevorderde immateriële schade. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van dat deel van de vordering (in zoverre) zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet-betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel. De rechtbank zal ten aanzien van de toegewezen schade (in totaal € 3.043,44) de wettelijke rente toewijzen, gerekend vanaf 7 december 2024.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 243 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
primair: opzetverkrachting voorafgegaan door en vergezeld van dwang en geweld
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 26 (zesentwintig) maanden, waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 3.043,44, waarvan € 43,44 aan materiële schade en € 3.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 7 december 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , € 3.043,44te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 7 december 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 30 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Bergen, voorzitter, en mr. G.H. Nomes en mr. B. Akdikan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.S.S. Fanis, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 juli 2026.
De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 7 december 2024 te [plaats]
met een persoon, te weten [slachtoffer]
een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het
seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, hebbende verdachte zijn
vinger(s) in de vagina, althans tussen de schaamlippen, van die [slachtoffer]
geduwd/gebracht,
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak
en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd
door dwang, geweld en/of bedreiging, door die [slachtoffer] op te pakken en/of de gang van
zijn, verdachtes, woning in te tillen en/of tegen de muur te drukken en/of gedrukt te
houden en/of de deur van zijn, verdachtes, woning te sluiten en/of de woorden
"doe dit niet, ik wil dit niet" van die [slachtoffer] te negeren en/of vervolgens met zijn hand
in de broek van die [slachtoffer] te gaan en/of vervolgens onverhoeds zijn, verdachtes,
vingers in de vagina, althans tussen de schaamlippen, van die [slachtoffer] te duwen;
(art 243 lid 2 Wetboek Pro van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 december 2024 te [plaats]
met een persoon, te weten [slachtoffer]
een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het betasten van de vagina, althans de schaamstreek, van die [slachtoffer] , en/of
- het droogrijden/droogneuken tegen het lichaam van die [slachtoffer] , en/of
- het knijpen in, althans betasten van, de bil van die [slachtoffer]
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak,
en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd
door dwang, geweld en/of bedreiging, door
- die [slachtoffer] op te pakken en/of de gang van zijn, verdachtes, woning in te tillen, en/of
- tegen de muur te drukken en/of gedrukt te houden, en/of
- de deur van zijn, verdachtes, woning te sluiten, en/of
- de woorden "doe dit niet, ik wil dit niet" van die [slachtoffer] te negeren, en/of - vervolgens
met zijn hand in de broek van die [slachtoffer] te gaan, en/of
- vervolgens onverhoeds de vagina, althans de schaamstreek, van die [slachtoffer] te
betasten en/of in de bil van die [slachtoffer] te knijpen, althans te betasten, en/of,
- de pols van die [slachtoffer] vast te pakken;
(art 241 lid 2 Wetboek Pro van Strafrecht)