ECLI:NL:RBZWB:2026:6369
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering WOZ-waarde woning wegens te hoge waardebepaling
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €633.000 per 1 januari 2024. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank beoordeelde of de waarde te hoog was vastgesteld aan de hand van de vergelijkingsmethode, waarbij de woning werd vergeleken met referentiewoningen. Belanghebbende voerde aan dat de referentiewoningen niet vergelijkbaar waren vanwege overlast door mestinjectie in nabijgelegen weilanden, wat zou leiden tot bodemverzuring en waardevermindering.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de referentiewoningen voldoende vergelijkbaar waren, mede omdat een van de referentiewoningen in dezelfde straat lag en de verschillen in overlast subjectief waren. De heffingsambtenaar had bovendien inzichtelijk gemaakt hoe met verschillen tussen woningen rekening was gehouden.
De rechtbank stelde vast dat de oorspronkelijke WOZ-waarde te hoog was en verlaagde deze naar €603.000. De aanslag onroerendezaakbelasting werd dienovereenkomstig verminderd. Daarnaast werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en een deel van de proceskosten van belanghebbende.
Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning wordt verminderd van €633.000 naar €603.000 en de aanslag OZB dienovereenkomstig verlaagd.