ECLI:NL:RBZWB:2026:6370

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
BRE 24/7607
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Wet WOZArt. 24 Wet WOZArt. 30 Wet WOZ
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde woning en aanslag OZB gemeente Veere

Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande woning uit 2006 met een gebruikersoppervlakte van 151 m2 en een perceel van 615 m2, gelegen in de gemeente Veere. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2023 vast op €590.000 en legde gelijktijdig de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2024 op. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze waardebepaling en stelde dat de waarde maximaal €561.000 zou moeten zijn.

De rechtbank beoordeelde het beroep op basis van de vergelijkingsmethode, waarbij de waarde wordt vastgesteld door vergelijking met referentiewoningen die rond de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn. De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een herziene taxatiematrix, waarin vier referentiewoningen werden gebruikt. Belanghebbende voerde aan dat deze woningen niet vergelijkbaar zijn vanwege overlast door mestinjectie in nabijgelegen weilanden, wat zou leiden tot bodemverzuring en waardevermindering.

De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de referentiewoningen voldoende vergelijkbaar zijn, mede omdat een referentiewoning in dezelfde straat ligt en de overige woningen nabij weiland of akkerland. De ervaren overlast werd als subjectief beoordeeld en niet als waardedrukkend, mede gelet op verkoopcijfers van de naastgelegen woning. De heffingsambtenaar had bovendien inzichtelijk gemaakt hoe met verschillen tussen de woningen rekening was gehouden, onder meer door afzonderlijke waardering van onderdelen en indexering van verkoopprijzen.

De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. De aanslag OZB blijft gehandhaafd en het griffierecht wordt niet teruggegeven. De uitspraak is gedaan door rechter S.A.J. Bastiaansen op 13 juli 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en de aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de waarde van €590.000 per 1 januari 2023 blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/7607

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 13 juli 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,

en
de heffingsambtenaar van de Samenwerking Belastingen Walcheren en Schouwen-Duiveland (gemeente Veere), de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 24 september 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 15 februari 2024 de waarde van de onroerende zaak [adres 1] te [woonplaats] (de woning) op 1 januari 2023 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 590.000. Tegelijk met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Veere voor het jaar 2024 opgelegd (de aanslag OZB).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, en namens de heffingsambtenaar, [gemachtigde] .

Feiten

2. Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het is een vrijstaande woning (bouwjaar 2006) met een gebruikersoppervlakte van 151 m2. De woning is gelegen op een perceel van 615 m2. De woning heeft een garage.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de waarde van de woning te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Belanghebbende vindt dat de waarde van de woning op de waardepeildatum maximaal € 561.000 is. De heffingsambtenaar verdedigt de in de uitspraak op bezwaar gehandhaafde waarde van € 590.000.
3.1.
Een beroep tegen de waardebeschikking is tegelijk ook een beroep tegen de aanslag OZB. Dat staat in artikel 24, negende lid, gelezen in samenhang met artikel 30, tweede lid, van de Wet WOZ. Het oordeel over de aanslag OZB volgt het oordeel over de waarde van de woning. Tegen de aanslag OZB zijn geen zelfstandige gronden aangevoerd.
3.2.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van belanghebbende niet en is de waarde van de woning niet te hoog vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader van de rechtbank
3.3.
Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding". [1]
3.4.
De waarde van de woning is bepaald met de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De referentiewoningen hoeven dus niet identiek te zijn aan de woning. Wel moet de heffingsambtenaar inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de WOZ-waarde niet te hoog heeft vastgesteld.
3.5.
Pas als de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de rechtbank toe aan de vraag of belanghebbende de door hem verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Indien ook dat laatste niet het geval is, kan de rechtbank schattenderwijs zelf tot een vaststelling van de in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ bedoelde waarde komen.
De onderbouwing van de WOZ-waarde door de heffingsambtenaar
3.6.
De heffingsambtenaar heeft aan de waardevaststelling in beroep een (herziene) taxatiematrix ten grondslag gelegd.
3.7.
In de (herziene) taxatiematrix is de waarde van de woning op basis van een vergelijking met referentiewoningen vastgesteld op een getaxeerde waarde van € 595.171 naar de waardepeildatum 1 januari 2023. Als referentiewoningen zijn gebruikt de woningen aan de [referentiewoning 1] te [woonplaats] , [referentiewoning 2] te [woonplaats] , [referentiewoning 3] te [plaats] en [referentiewoning 4] te [plaats] . In de (herziene) taxatiematrix zijn voornoemde referentiewoningen vergeleken met de woning.
Zijn de referentiewoningen voldoende vergelijkbaar met de woning?
3.8.
Belanghebbende voert aan dat de referentiewoningen niet vergelijkbaar zijn, omdat deze woningen niet gelegen zijn aan een weiland waar sterk overlastgevende mest wordt geïnjecteerd wat leidt tot bodemverzuring en aantasting van de woning. De heffingsambtenaar heeft verklaard dat een van de referentiewoningen is gelegen in dezelfde straat en dus dezelfde overlast zal ervaren en dat de andere referentiewoningen gelegen zijn aan of nabij weiland/akkerland waarop naar alle waarschijnlijkheid ook sprake is van bemesting en besproeiing, zodat deze goed vergelijkbaar zijn. Bovendien is de ervaren overlast subjectief van aard en laten de luchtfoto’s nagenoeg geen verandering of zichtbare vervuiling zien.
3.9.
Naar het oordeel van de rechtbank is de heffingsambtenaar er in geslaagd aannemelijk te maken dat de gebruikte referentiewoningen voldoende vergelijkbaar zijn met de woning, met name omdat de woningen van eenzelfde bouwtype zijn, een vergelijkbaar bouwjaar hebben en eenzelfde ligging hebben. Voor wat betreft het argument van belanghebbende dat er te lijden is onder de bodemverzuring en aantasting van de woning die wordt veroorzaakt door het injecteren van mest in het weiland gelegen achter de woning, overweegt de rechtbank als volgt. Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat die problemen zich voordoen, is de mate waarin belanghebbende die omstandigheden als zeer problematisch ervaart substantieel groter dan de wijze waarop anderen dit ervaren. Dat volgt uit de verkoopcijfers, meer specifiek het verkoopcijfer van de naastgelegen woning die de vastgestelde WOZ-waarde onderbouwt. Belanghebbende lijkt daarbij te willen bepleiten dat de toestand van de bodem en de tuin onder geen beding mag veranderen. Hoewel dat valt te billijken, maakt dat niet dat enige verandering daarmee ook een waardedrukkend effect heeft. Immers is de onveranderlijkheid van de locatie niet waardebepalend.
Heeft de heffingsambtenaar voldoende rekening gehouden met de verschillen tussen de woning en de referentiewoningen?
3.10.
De heffingsambtenaar heeft naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate inzichtelijk gemaakt op welke wijze rekening is gehouden met de verschillen tussen de referentiewoningen en de woning. Zo zijn aan aparte onderdelen zoals de garage en overkapping afzonderlijke waarden toegekend. Ook zijn de verkoopprijzen van de referentiewoningen geïndexeerd naar de waardepeildatum. Daarnaast heeft de heffingsambtenaar aan alle woningen KOUDV-factoren toegekend en zijn bij zowel de woning als bij de referentiewoningen opwaartse correcties toegepast voor de ligging, het onderhoudsniveau, de uitstraling en de doelmatigheid ten opzichte van de woning. De rechtbank is daarom van oordeel dat de heffingsambtenaar hiermee inzichtelijk heeft gemaakt dat met de verschillen rekening is gehouden.
3.11.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de waarde van de woning voor het belastingjaar 2024 niet te hoog vastgesteld.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de WOZ-waarde en de aanslag OZB gehandhaafd blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierrecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J.C.J. van Wesel - de Jongh, griffier, op 13 juli 2026.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44.