ECLI:NL:RBZWB:2026:6371
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting recreatiewoning
Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande recreatiewoning op een bungalowpark, waarvan de WOZ-waarde per 1 januari 2023 is vastgesteld op € 692.000. Tegen deze waardebeschikking en de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting heeft belanghebbende bezwaar gemaakt, dat door de heffingsambtenaar is afgewezen.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2026 behandeld, waarbij belanghebbende niet is verschenen ondanks tijdige uitnodiging. De rechtbank beoordeelt of de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld aan de hand van de door belanghebbende aangevoerde gronden en de onderbouwing van de heffingsambtenaar.
De heffingsambtenaar heeft de waarde bepaald met de vergelijkingsmethode, gebruikmakend van vier referentiewoningen die voldoende vergelijkbaar zijn. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar op transparante wijze rekening heeft gehouden met verschillen tussen de woningen, zoals de aanwezigheid van een serre, ligging en onderhoudsstaat.
Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de aanslag OZB aangevoerd en de rechtbank wijst het beroep af. De WOZ-waarde en aanslag blijven gehandhaafd, en het griffierecht wordt niet teruggegeven.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en aanslag OZB is ongegrond verklaard en de vastgestelde waarde van € 692.000 blijft gehandhaafd.