ECLI:NL:RBZWB:2026:6374
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en aanslag onroerendezaakbelasting
Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande woning uit 1968 met diverse bijgebouwen en een groot perceel. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2023 vast op €481.000 en legde op basis daarvan de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2024 op.
Belanghebbende betwistte de waarde en voerde aan dat de woning niet vergelijkbaar is met de gebruikte referentiewoningen en dat onvoldoende rekening is gehouden met gebreken zoals verzakking, noodzakelijke energietransitie en lekkages. De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatiematrix waarin vergelijkbare woningen werden gebruikt en correcties werden toegepast voor verschillen in oppervlakte, onderhoud en voorzieningen.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de referentiewoningen vergelijkbaar zijn en dat de toegepaste correcties adequaat zijn. De stellingen van belanghebbende zijn onvoldoende onderbouwd om de waarde te verlagen. Daarom is de WOZ-waarde niet te hoog vastgesteld en blijft de aanslag OZB gehandhaafd.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en het griffierecht wordt niet teruggegeven. De uitspraak is gedaan door rechter S.A.J. Bastiaansen op 13 juli 2026 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de waarde van €481.000 blijft gehandhaafd.