ECLI:NL:RBZWB:2026:6375
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering WOZ-waarde woning wegens onvoldoende vergelijkbaarheid referentiewoningen
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €443.000 per 1 januari 2022. De heffingsambtenaar onderbouwde deze waarde met een taxatiematrix gebaseerd op vijf referentiewoningen. Belanghebbende stelde dat de referentiewoningen niet vergelijkbaar waren vanwege verschillen in ligging en bouwkundige staat.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk had gemaakt dat de referentiewoningen voldoende vergelijkbaar waren, omdat geen foto’s, beschrijvingen of andere gegevens waren overgelegd ter onderbouwing. Hierdoor kon de vastgestelde waarde niet worden gehandhaafd. Belanghebbende kon zijn eigen lagere waarde van €400.000 niet aannemelijk maken, omdat hij geen onderbouwing had gegeven.
De rechtbank stelde daarom de WOZ-waarde in goede justitie vast op €430.000. Dit leidde tot een verlaging van de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB). Tevens werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van belanghebbende. De uitspraak is onherroepelijk na het verstrijken van de termijn voor hoger beroep.
Uitkomst: WOZ-waarde woning verlaagd naar €430.000 en aanslag OZB dienovereenkomstig verminderd