ECLI:NL:RBZWB:2026:6384

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/434, 25/436 t/m 25/442
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 65 AWRArt. 26 AWR
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank onbevoegd bij beroep tegen ambtshalve vermindering vennootschapsbelasting

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen uitspraken van de inspecteur op verzoeken om ambtshalve vermindering van vennootschapsbelastingaanslagen over de jaren 2014 tot en met 2021. De inspecteur had de aanslagen ambtshalve vastgesteld omdat geen aangiften waren gedaan en was deels tegemoetgekomen in de verzoeken om vermindering.

De rechtbank heeft eerst onderzocht of zij bevoegd is om kennis te nemen van deze beroepen. De beslissingen van de inspecteur op verzoeken om ambtshalve vermindering zijn beschikkingen op grond van artikel 65 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen, waartegen geen beroep openstaat bij de belastingrechter. Daarom is de rechtbank onbevoegd.

Belanghebbende stelde dat eerder bezwaar was ingediend, maar kon dit niet aannemelijk maken. De rechtbank oordeelde dat de beroepen wegens niet tijdig beslissen ongegrond zijn. De rechtbank wees het verzoek om terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.

De uitspraak is gedaan door rechter S.A.J. Bastiaansen op 10 juli 2026 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd en verklaart de beroepen wegens niet tijdig beslissen ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 25/434, 25/436 t/m 25/442

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 10 juli 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] Ltd, belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op de verzoeken om ambtshalve vermindering van 3 april 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende aanslagen in de vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd voor de jaren 2014 tot en met 2021.
1.2.
De inspecteur is aan de verzoeken van belanghebbende om ambtshalve vermindering voor een aantal jaren (deels) tegemoetgekomen.
1.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 29 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens de inspecteur: mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . Belanghebbende heeft door middel van een digitale beeldverbinding aan de zitting deelgenomen.

Feiten

2. De inspecteur heeft belanghebbende uitgenodigd tot het doen van aangiften Vpb over de jaren 2014 tot en met 2021. De aangiften zijn niet gedaan. Om die reden heeft de inspecteur ambtshalve de aanslagen vastgesteld over de jaren 2014 tot en met 2021.
2.1.
Op 1 februari 2024 doet belanghebbende een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslagen vennootschapsbelasting voor de jaren 2014 tot en met 2013.
2.2.
Op 3 april 2024 doet de inspecteur uitspraken op de verzoeken om ambtshalve vermindering en komt daarbij belanghebbende deels tegemoet. De aanslagen over 2019 t/m 2021 worden daarbij verminderd, de verzuimboetes over alle jaren blijven in stand.

Beoordeling door de rechtbank

Ontvankelijkheid beroepen
3. Voordat de rechtbank aan het inhoudelijk vraagstuk kan toekomen, dient de rechtbank onder meer de vraag te beantwoorden of de belastingrechter bevoegd is kennis te nemen van deze zaken.
3.1.
De beslissing van de inspecteur op de verzoeken om ambtshalve vermindering, zijn beschikkingen als bedoeld in artikel 65 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Tegen een dergelijke beschikking staat geen beroep open bij de belastingrechter. Beroep staat namelijk alleen open – voor zover van belang – tegen een beschikking die in de wet expliciet is aangemerkt als een voor bezwaar vatbare beschikking. [1] Een beschikking op grond van artikel 65 van Pro de AWR is niet als zodanig aangemerkt. Aangezien de onderhavige beroepen zich richten tegen dergelijke beschikkingen, is de rechtbank onbevoegd. [2]
3.2.
Belanghebbende heeft in zijn pleitnota nog gesteld dat al eerder per brieven van 26 februari 2018 en 5 april 2018 bezwaar is ingesteld tegen (een deel van) de belastingaanslagen over de onderhavige jaren. De rechtbank vat dit zo op dat belanghebbende stelt dat de inspecteur niet tijdig heeft beslist op door haar ingediende bezwaren. De inspecteur betwist de ontvangst van de brieven van belanghebbende. Volgens de inspecteur is ook geen ontvangstbevestiging gestuurd van de brieven. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk dat de brieven van 26 februari 2018 en 5 april 2018 ook daadwerkelijk zijn verstuurd. Belanghebbende levert daarvan geen enkel bewijs. Omdat niet aannemelijk is dat er bezwaren zijn ingediend, is er geen aanleiding voor het oordeel dat de inspecteur niet tijdig heeft beslist op bezwaren tegen opgelegde aanslagen vennootschapsbelasting.
3.3.
Al het overige wat belanghebbende heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

Conclusie en gevolgen

4. De rechtbank is onbevoegd ten aanzien van de beslissingen op de verzoeken om ambtshalve vermindering. De beroepen wegens niet tijdig beslissen zijn ongegrond. Belanghebbende krijgt gelet op de beslissing wegens het niet tijdig beslissen het griffierecht niet terug. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart zich onbevoegd ten aanzien van de beroepen die zien op de beslissingen op de verzoeken om ambtshalve vermindering;
- verklaart de beroepen wegens niet tijdig beslissen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. R.M.P. Dees, griffier op 10 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Vgl. artikel 26, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
2.Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, ECLI:NL:GHSHE:2016:1966.