ECLI:NL:RBZWB:2026:6402

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/3525
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:1 AwbArt. 1:3 AwbArt. 2.5 lid 7 procesreglementArt. 3:10 AwbArt. 7:1 lid 1 onder d Awb
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd inzake Faunabeheerplan damhert 2025-2031

De rechtbank behandelt het beroep van Stichting Pro Medio Ambiente en een individuele eiser tegen de goedkeuring van het Faunabeheerplan damhert 2025-2031 door het college van Gedeputeerde Staten van Zeeland. Eisers zijn het niet eens met de goedkeuring en hebben beroep ingesteld.

De rechtbank oordeelt dat de Faunabeheereenheid geen bestuursorgaan is en dat het Faunabeheerplan zelf geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vormt. Het plan bevat geen vergunningen of ontheffingen en is niet gericht op rechtsgevolg. De bevoegdheid en verantwoordelijkheid liggen bij het college, dat het plan heeft goedgekeurd.

Daarom is de rechtbank onbevoegd om kennis te nemen van het beroep en zal zij de zaak niet inhoudelijk behandelen. Het betaalde griffierecht wordt aan eisers terugbetaald. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd omdat het Faunabeheerplan geen besluit in de zin van de Awb is.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 25/3525 en 25/3589

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaken tussen

1. Stichting Pro Medio Ambiente en [eiser]uit [plaats] , eisers 1,
2. [eiseres 2] ,uit [woonplaats] , eiseres 2
en

het college van Gedeputeerde Staten van Zeeland

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: Stichting Faunabeheereenheid Zeeland uit Goes (de Faunabeheereenheid).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de goedkeuring van het Faunabeheerplan damhert 2025-2031 (het FBP). Eisers 1 en eiseres 2 (samen: eisers) zijn het niet eens met de goedkeuring van het FBP. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat zij onbevoegd is van het beroep kennis te nemen
.Ze zal de zaken dus niet inhoudelijk beoordelen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De Faunabeheereenheid heeft op 18 oktober 2024 gevraagd om goedkeuring van het FBP. Het college heeft na toepassing van de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure [1] (UOV-procedure) het FBP met het besluit van 10 juni 2025 goedgekeurd. Bij toepassing van de UOV-procedure moet direct beroep worden ingesteld en wordt de bezwaarfase overgeslagen. [2] In de bekendmaking in het Provinciaal Blad [3] heeft het college opgenomen dat belanghebbenden beroep tegen de goedkeuring in kunnen stellen.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. De Faunabeheereenheid heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] in persoon en als bestuurder van Stichting Pro Medio Ambiente, [eiseres 2] en namens het college van Gedeputeerde Staten [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] en namens de Faunabeheereenheid [gemachtigde 3] en [persoon] als deskundige.
Tevens waren namens Stichting Animal Rights en Stichting Fauna4Life mr. D.D. Delibes-Vermeulen en [vertegenwoordiger] aanwezig, omdat deze zaken gelijktijdig met hun beroepszaak tegen een met het FBP samenhangende omgevingsvergunning werden behandeld. [4]

Beoordeling door de rechtbank

Is het Faunabeheerplan een besluit?
3. Volgens vaste rechtspraak is de Faunabeheereenheid geen bestuursorgaan. [5] De overgang naar de Omgevingswet is bedoeld als een beleidsneutrale overgang. De positie en verantwoordelijkheden van de Faunabeheereenheid zijn onder de Omgevingswet ongewijzigd gebleven. De wetgever heeft net als onder de Flora- en Faunawet en de Wet natuurbescherming ook in de Omgevingswet de verantwoordelijkheid en de bevoegdheden bij het college gelaten. [6] Deze zijn bij het college gelegd, wegens het publieke belang en de samenhang met het provinciale natuurbeleid. [7] Gelet hierop moet ook onder de Omgevingswet worden geoordeeld dat de Faunabeheereenheid geen bestuursorgaan is als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb.
3.1.
Omdat de Faunabeheereenheid geen bestuursorgaan is, is de vaststelling van het FBP ook geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Dit betekent dat de beslissing tot goedkeuring van het FBP door het college geen goedkeuringsbesluit als bedoeld in artikel 10:25 van Pro de Awb is. Dit neemt niet weg dat de beslissing van het college in zijn geheel of voor een gedeelte een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb kan zijn, namelijk voor zover het een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling is. De vraag die dan ook moet worden beantwoord is of, en zo ja in hoeverre, de beslissing van het college op rechtsgevolg is gericht.
3.2.
De rechtbank constateert dat het FBP zelf geen vergunningen of ontheffingen bevat. Dat betekent dat het FBP zelf geen rechtsgevolg heeft. De vrijstelling voor het doden van damherten met een geweer binnen het beheergebied zwervende damherten is opgenomen in artikel 12.5 en 12.6 van de Omgevingsverordening Zeeland. [8] Voor het doden van damherten met een geweer in de Natura2000-gebieden is een aparte omgevingsvergunning nodig. Dat geldt ook voor het voor zonsopkomst of na zonsondergang mogen jagen.
3.3.
De rechtbank komt daarmee tot het oordeel dat het FBP en de goedkeuring daarvan niet op rechtsgevolg is gericht, zodat de goedkeuring geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is niet gericht tegen een besluit. De rechtbank is daarom onbevoegd. Zij mag de zaak dus niet behandelen.
4.1.
Gelet op het bepaalde in artikel 2.5, lid 7 van het procesreglement zal de rechtbank bepalen dat de griffier het door eisers betaalde griffierecht terugbetaalt.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart zich onbevoegd;
  • bepaalt dat het griffierecht van € 385,- aan [eisers 1] wordt terugbetaald;
  • bepaalt dat het griffierecht van € 194,- aan [eiseres 2] wordt terugbetaald.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, voorzitter, en mr. T. Peters en mr. S. Hindriks, leden, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 14 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Artikel 3:10 en Pro verder van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb).
2.Artikel 7:1, eerste lid onder d van de Awb.
3.Provinciaal Blad, 11 juni 2025, nr. 9409.
4.Zaaknummer 25/3651.
5.ABRvS, 20 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:875 en ABRvS, 28 september 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU3369.
6.Zie Kamerstukken II 2011-2012, 33 348, nr. 3, p. 163-164 en verder, behorende bij de Wnb.
7.Zie Kamerstukken 2017-2018, 34 985, nr. 2, p. 70.
8.Ten tijde van het bestreden besluit was die opgenomen in artikel 2.152 en artikel 2.153 van de toen geldende Omgevingsverordening Zeeland.