ECLI:NL:RBZWB:2026:6404

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
BRE 23/10897
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 GemeentewetArt. 1 Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2023Art. 2 Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2023Art. 5 Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2023Art. 8 Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2023
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens onjuist kostenbedrag

Belanghebbende was het niet eens met een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de gemeente Breda omdat hij stelde dat hij de parkeerbelasting had voldaan. Hij overlegde een betalingsbewijs, maar dit betrof een andere parkeerzone dan waar de auto daadwerkelijk stond geparkeerd. De rechtbank oordeelde dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd omdat het betalingsbewijs onvoldoende was om de constatering van de heffingsambtenaar te weerleggen.

Wel stelde belanghebbende dat de kosten van de naheffingsaanslag onjuist waren berekend. De aanslag vermeldde € 57,75 aan kosten terwijl de geldende verordening een bedrag van € 52,75 voorschrijft. De rechtbank stelde vast dat de heffingsambtenaar ten onrechte een te hoog bedrag in rekening had gebracht en vermindert de naheffingsaanslag dienovereenkomstig.

Daarnaast oordeelde de rechtbank dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van het griffierecht en proceskosten, mede vanwege de samenhang met andere soortgelijke zaken. De rechtbank stelde de proceskostenvergoeding per zaak vast op € 200 tot € 250, afhankelijk van het aantal zaaknummers per belanghebbende.

De uitspraak vernietigt het eerdere besluit op bezwaar, vermindert de naheffingsaanslag tot € 55,05 en veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.

Uitkomst: De naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt verminderd vanwege een onjuist kostenbedrag en belanghebbende krijgt recht op proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/10897

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 13 juli 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. I.N.D.J. Rissema verbonden aan Bezwaartegenverkeersboetes.nl),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Breda (P1), de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 9 november 2023.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting met [aanslagnummer] opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek bij brief van 13 februari 2026 gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
1.5.
De termijn voor het doen van uitspraak is verlengd.

Feiten

2. De auto met [kenteken] stond op 30 mei 2023 omstreeks 20:10 uur geparkeerd aan het Chasséveld te Breda. Tijdens een controle op voornoemde datum en tijd is door parkeercontroleurs geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan.
2.1.
Naar aanleiding van de constatering dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 60,05 bestaande uit een bedrag aan belasting van € 2,30 en € 57,75 aan kosten van de naheffingsaanslag.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van belanghebbende deels en moet de naheffingsaanslag parkeerbelasting worden verminderd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader van de rechtbank
4. Op grond van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet en het gelijkluidende artikel 1, aanhef en onder a, van de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2023 (hierna: de Verordening) wordt onder parkeren verstaan: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.
4.1.
Artikel 1, aanhef en onderdeel d en e, van de Verordening luidt:
“Voor toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
Parkeerapparatuur: parkeermeters, parkeerautomaten, met inbegrip van verzamelparkeermeters, en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan;
Centrale computer: computer van het bedrijf waarmee de gemeente Breda een overeenkomst heeft gesloten, bestemd voor de registratie van parkeerbewegingen in het kader van het verlenen van diensten op het gebied van betaald parkeren met gebruik van een telefoon of aanmelden via een digitaal loket voor de bezoekersregeling.”
4.2.
Artikel 2, aanhef en onderdeel a, van de Verordening luidt:
“Onder de naam ‘parkeerbelastingen’ worden de volgende belastingen geheven:
a.
Een belasting ter zake van het parkeren van een motorvoertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze;”
4.3.
Artikel 5, eerste lid van de Verordening luidt als volgt:
“De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, voor het parkeren met gebruikmaking van parkeerapparatuur, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte. Als voldoening op aangifte wordt aangemerkt het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college van burgemeester en wethouders gestelde voorschriften.”
4.4.
Volgens artikel 8 van Pro de Verordening en artikel 1 van Pro het Aanwijzingsbesluit parkeerbelastingen Breda 2022 (hierna: het Aanwijzingsbesluit) is de locatie Chasséveld te Breda door het college van burgemeester en wethouders aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd.
4.5.
Artikel 10, eerste lid, van de Verordening luidt als volgt:
“De kosten van de naheffingsaanslag ter zake van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van deze verordening zijn vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende Tarieven- en kostentabel parkeerbelastingen 2023.”
4.6.
In Bijlage 1, Tarieven- en kostentabel parkeerbelastingen 2023, behorend bij de Verordening, specifiek onderdeel E Naheffingsaanslag staat:
“De kosten van de naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 10, eerste lid, bedragen € 52,75.”
Overwegingen: is de naheffingsaanslag terecht opgelegd?
5. Niet in geschil is dat de auto van belanghebbende op 30 mei 2023 geparkeerd stond aan het Chasséveld te Breda en dat deze locatie door het college van burgemeester en wethouders is aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd.
5.1.
Belanghebbende stelt dat hij aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan en heeft daarbij – in beroep – een betalingsbewijs overgelegd. De primaire stelling van belanghebbende is dan ook dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd.
5.2.
De heffingsambtenaar weerspreekt dat het betalingsbewijs aannemelijk maakt dat belanghebbende aan zijn aangifte- en betaalverplichting ter zake van het parkeren aan het Chasséveld heeft voldaan.
5.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Op de heffingsambtenaar rust de last om aannemelijk te maken dat sprake is geweest van parkeren waarvoor geen parkeerbelasting is voldaan. De heffingsambtenaar heeft zijn betoog onderbouwd met de foto’s van de scanauto. Belanghebbende heeft zijn weerspreking daarvan onderbouwd met een afschrift van een schermafbeelding van een online betaalapplicatie. Hierop is te lezen dat belanghebbende een betaling van parkeerbelasting heeft gedaan voor de periode van 30 mei 2023 19:50 uur tot 22:37 uur voor “Breda – Zone 21882” voor [kenteken] . Dit bewijsmiddel is echter niet overtuigend. Zone-code 21882 hoort bij een andere straat in Breda dan het Chasséveld, namelijk het stadsdeel ten noorden/noordoosten van de Beyerd, tot aan de Mauritssingel (hierna: zone Mauritssingel). In zoverre vult de rechtbank de feiten aan. [1] Het betalingsbewijs is onvoldoende als tegenbewijs voor de foto’s van de heffingsambtenaar. De auto stond op genoemde dag en tijd aan het Chasséveld. Uitgaande van een reële parkeeractie in de zone Mauritssingel, is het meest voor de hand liggende scenario dat belanghebbende de auto (ondanks de betaling voor de zone Mauritssingel) op enig moment heeft verplaatst naar het Chasséveld. Dan is geen sprake van “het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig” zoals beschreven in 4 hiervoor. Oftewel: als de auto wordt verplaatst, moet opnieuw parkeerbelasting worden voldaan.
5.4.
De heffingsambtenaar heeft terecht het bezwaarschrift ongegrond verklaard. Het beroep is in zoverre ongegrond.
Onjuist kostenbedrag en het herstel daarvan
6. Vast staat dat de kosten van de naheffingsaanslag tot een te hoog bedrag zijn opgelegd. Het subsidiaire geschil spitst zich toe op de vraag welke gevolgen de te hoog in rekening gebrachte kosten met zich brengen. Volgens belanghebbende bestaat er recht op een vergoeding van diens proceskosten.
6.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat bij van het vaststellen van de naheffingsaanslag de heffingsambtenaar een ander bedrag aan kosten in rekening heeft gebracht (namelijk € 57,75) dan in de Verordening is vastgelegd (te weten € 52,75). In geschil is de vraag of gelet op die onjuistheid de heffingsambtenaar terecht het bezwaar van belanghebbende ongegrond heeft verklaard.
6.2.
De heffingsambtenaar stelt dat geen recht bestaat op een vergoeding van de proceskosten. Het bericht aan belanghebbende dat € 5 aan kosten zal worden gerestitueerd is geen besluit, het oorspronkelijke besluit is niet herroepen en er is geen wijziging ontstaan in het rechtsgevolg dat voortvloeit uit het besluit, aangezien belanghebbende nog steeds belastingschuldig is voor het voldoen van de naheffingsaanslag.
6.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Op basis van artikel 10, eerste lid, van de Verordening en bijlage 1 Tarieven- en kostentabel (onderdeel E naheffingsaanslag) bedragen de kosten van de naheffingsaanslag € 52,75, terwijl op de naheffingsaanslag een bedrag van € 57,75 staat vermeld. Dit betekent dat op basis van de Verordening de heffingsambtenaar € 52,75 in rekening mag brengen. Nu belanghebbende – ten onrechte – een tarief van € 57,75 in rekening is gebracht, is het beroep van belanghebbende tegen de hoogte van de kosten van de naheffingsaanslag gegrond.
6.4.
De stelling van de heffingsambtenaar dat middels een bericht – waarvan de rechtbank de inhoud niet kent – de te hoog in rekening gebrachte kosten reeds heeft gerestitueerd geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. In deze zaak beoordeelt de rechtbank de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 9 november 2023. Daarin is het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard en is de, te hoge, naheffingsaanslag gehandhaafd. In het bovenstaande is reeds geoordeeld dat de rechtbank geen aanleiding ziet om de naheffingsaanslag te vernietigen, maar zal deze wel verminderen tot een bedrag van € 55,05 bestaande uit € 52,75 aan kosten en € 2,30 naheffing. [2] Het beroep is in zoverre gegrond. Om die reden bestaat recht op een proceskostenvergoeding in beroep.
6.5.
Ook bestaat naar het oordeel van de rechtbank recht op een vergoeding van de bezwaarkosten. Redengevend is dat het bestreden besluit wordt herroepen – in die zin het te betalen bedrag is gewijzigd – en dit een gevolg is van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Al het overige dat door partijen is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de uitspraak op bezwaar moet worden vernietigd en de naheffingsaanslag moet worden verlaagd.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.
7.2.
In het voorgaande is reeds geoordeeld dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding voor de proceskosten in de bezwaar- en beroepsfase. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. Belanghebbende heeft recht op 1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met een waarde van € 666 en 1 punt voor het beroepschrift met een waarde van € 934.
7.3.
De rechtbank ziet aanleiding om te oordelen dat sprake is van samenhang tussen acht zaken waarin de rechtbank heden uitspraak doet. [3] In elk van deze zaken is rechtsbijstand verleend door dezelfde gemachtigde. De rechtbank doet uitspraak in alle acht zaken en in elk van deze zaken konden de werkzaamheden (nagenoeg) identiek zijn en waren dat feitelijk ook. Het overleggen van 1 zaak-specifiek bewijsmiddel maakt dat niet anders. De nadruk van de werkzaamheden heeft gelegen in het stellen dat wel is betaald en dan vervolgens (en voornamelijk) uitwerken van de stellingen omtrent het te hoge bedrag in de naheffingsaanslag. Er is daarom sprake van samenhang in de beroepsfase. Hetzelfde geldt voor de bezwaarfase.
7.4.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld welk gewicht toekomt aan deze (groep van) zaken. Gelet op het voorgaande is factor 1,5 voor samenhangende zaken van toepassing, anderzijds betreffen de acht zaken slechts zes belanghebbenden. Ook weegt mee dat de werkzaamheden per zaak gering waren (en met name administratief van aard worden geacht te zijn geweest) en slechts een zeer beperkt partijdebat heeft plaatsgevonden, zowel in de bezwaar- als in de beroepsfase. De reikwijdte van de vergoeding strekt van € 850 (wegingsfactor 0,25, samenhang-factor 1,5) tot € 1.700 (wegingsfactor 0,5, samenhang-factor 1,5), te verdelen over de samenhangende zaken.
7.5.
Alles tegen elkaar afwegend, indachtig het feit dat het Besluit bedoelt een tegemoetkoming in de kosten te geven en met gebruik making van artikel 2 tweede Pro lid van het Besluit, stelt de rechtbank de kostenvergoeding voor belanghebbenden met 1 zaaknummer vast op € 200 en voor belanghebbenden met 2 zaaknummers op € 250.
7.6.
Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de naheffingsaanslag parkeerbelasting tot € 55,05;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 200 aan proceskosten aan belanghebbende;
  • beslist dat voor zover de vergoeding van het griffierecht en de toegekende proceskostenvergoeding niet tijdig worden betaald, de wettelijke rente daarover in zoverre is gaan lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, in aanwezigheid van M.M.I. van Dijk-Saris, griffier.
De griffier is buiten staat deze
uitspraak mede te ondertekenen
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:69, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2.Gerechtshof Amsterdam 17 oktober 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:3732, r.o. 5.3.10.
3.Het betreft de zaken met zaaknummers BRE 23/10893 (onderhavige zaak), BRE 23/10897, BRE 23/10904, BRE 23/10907 + BRE 23/10908, BRE 23/10913 en BRE 23/10914 + BRE 23/10963.