ECLI:NL:RBZWB:2026:6411

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
BRE 26/3507
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bouw berg- en verblijfsruimte wegens gebrek aan spoedeisend belang

Deze uitspraak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen een omgevingsvergunning verleend op 5 juni 2026 voor het bouwen van een berg- en verblijfsruimte aan een adres in de gemeente Goirle. De berg- en verblijfsruimte was grotendeels al gerealiseerd voordat het bezwaar werd ingediend. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg vervolgens om een bouwstop via een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster onvoldoende spoedeisend belang heeft bij het opleggen van een bouwstop. De meeste bouwwerkzaamheden waren al afgerond, en alleen het laatste deel van de dakconstructie en afwerking stonden nog gepland. Verzoekster stelde dat het volledig dichtmaken van het dak het moeilijker zou maken om de zijmuur te verplaatsen of af te breken als het bezwaar gegrond zou worden, maar dit werd niet als voldoende spoedeisend belang gezien.

Daarnaast werd meegewogen dat verzoekster ruim een maand had gewacht met het indienen van het verzoek, terwijl de werkzaamheden al waren begonnen. De resterende werkzaamheden werden als niet ingrijpend en omkeerbaar beoordeeld. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen zonder zitting en zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/3507

uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goirle, het college.

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [woonplaats] (vergunninghouder).

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over een verzoek om een voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning van 5 juni 2026 (bestreden besluit) voor het bouwen van een berg- en verblijfsruimte met een grootte van 67,8 m² op het adres [adres] in [woonplaats] (gemeente Goirle).
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De berg- en verblijfsruimte waarvoor het college met het bestreden besluit een omgevingsvergunning heeft verleend, is grotendeels al gerealiseerd. Het college had de berg- en verblijfsruimte eerder als vergunningvrij beoordeeld op basis van een schetsplan. Uiteindelijk bleek dat toch een omgevingsvergunning vereist was, omdat het schetsplan niet overeenkwam met dat wat werd gerealiseerd. Dit heeft geleid tot een handhavingsverzoek van verzoekster tegen de op dat moment gerealiseerde berg- en verblijfsruimte. Vergunninghouder heeft naar aanleiding van deze situatie een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. De gevraagde omgevingsvergunning is verleend bij het bestreden besluit op 5 juni 2026. Verzoekster heeft op 15 juni 2026 bezwaar hiertegen gemaakt. Op 6 juli 2026 heeft zij ook het verzoek om een voorlopige voorziening ingediend waarin verzoekster heeft verzocht om een bouwstop op te leggen.
3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt dat zij voldoende spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening heeft. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. De voorzieningenrechter stelt voorop dat volgens partijen de muren en het grootste gedeelte van het dak van de berg- en verblijfsruimte ongeveer een jaar geleden zijn gerealiseerd, dus ruim voordat verzoekster bezwaar heeft gemaakt. Alleen een gedeelte van de dakconstructie was op dat moment nog niet gerealiseerd. Bij de beoordeling of sprake is van spoedeisend belang, kan het dus alleen gaan om het realiseren van het nog niet gerealiseerde gedeelte van de dakconstructie.
4. In het verzoek (met dagtekening 6 juli 2026) heeft verzoekster gevraagd om een bouwstop op te leggen omdat op 7 juli 2026 de rest van de dakconstructie zou worden aangebracht. Dit verzoek is in de ochtend van 7 juli 2026 intern doorgezonden binnen de rechtbank. De griffier heeft hierna in de avond over de telefoon gesproken met vergunninghouder. Tijdens dat gesprek bevestigde vergunninghouder dat op 6 en 7 juli 2026 bouwwerkzaamheden hebben plaatsgevonden waarbij het op dat moment nog open gedeelte van het dak dicht is gemaakt door middel van het aanbrengen van een balklaag. Verder lichtte vergunninghouder toe dat vanaf 8 juli 2026 de isolatie en gipsplaten zullen worden aangebracht en dat de dakdekker zal langskomen om de dakbedekking aan te brengen.
5. De voorzieningenrechter heeft op basis van deze toelichting en recente foto’s van zowel vergunninghouder als verzoekster begrepen dat de bouw zich in een vergevorderd stadium bevindt. Het geraamte van de berg- en verblijfsruimte is ongeveer een jaar eerder gerealiseerd. Ook het grootste gedeelte van het dak was toen al gerealiseerd. Op dit moment zouden volgens de planning alleen nog de dakbedekking en inwendige isolatie worden aangebracht voor het gedeelte van het dak dat recent is dichtgemaakt. Verzoekster heeft onvoldoende toegelicht welk spoedeisend belang zij heeft bij het voorkomen van deze afrondende werkzaamheden. Telefonisch heeft zij aan de griffier uitgelegd dat zij met name last heeft van de ruim drie meter hoge zijmuur van de berg- en verblijfsruimte langs haar perceel. Als het dak volledig dicht zou worden gemaakt, dan wordt het volgens verzoekster nog moeilijker om deze muur te verplaatsen of af te breken in het geval dat het bestreden besluit geen stand zal houden in de bezwaarprocedure. Naar oordeel van de voorzieningenrechter kan dit echter niet leiden tot de conclusie dat sprake is van spoedeisend belang. Verzoekster heeft namelijk ruim een maand gewacht met het indienen van haar verzoek. Zij heeft het verzoek pas ingediend toen de werkzaamheden daadwerkelijk waren begonnen, terwijl zij dat ook eerder had kunnen doen. Toen haar verzoek binnenkwam, was de balklaag al aangebracht waarmee het laatste open stuk van het dak is dichtgemaakt. De (nog) overgebleven werkzaamheden zijn het aanbrengen van de dakbedekking op het recent dichtgemaakte stuk en het realiseren van de inwendige isolatie. Anders dan verzoekster betoogt, zijn deze overgebleven werkzaamheden niet zo ingrijpend dat moet worden aangenomen dat het niet reëel is om deze nog ongedaan te maken. Anders gezegd zijn de overgebleven werkzaamheden naar oordeel van de voorzieningenrechter van beperkte invloed op de (on)omkeerbare gevolgen van het bestreden besluit. De conclusie is dat er geen enkel spoedeisend belang is.

Conclusie en gevolgen

6. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.A. de Kraker, griffier op 14 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.