Uitspraak
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
1.[de executeur] ,
2.
mr. [de notaris/executeur],
1.[persoon 1] ,2. [persoon 2] ,
1.De procedure
- het tussenvonnis van 28 januari 2026, met de daarin genoemde stukken;
- de conclusie van antwoord in reconventie;
- de mondelinge behandeling van 19 mei 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. Mr. Van den Hoven heeft spreekaantekeningen overgelegd.
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
[persoon 1] en [persoon 2] dienen aan te tonen, dat kosten voortvloeiend uit deze overeenkomst kunnen worden betaald. Zo niet dan vervalt de overeenkomst”. Volgens de executeurs hebben [kopers woning] niet aangetoond dat zij de kosten voortvloeiend uit de koopovereenkomst kunnen betalen. Onder de “kosten voortvloeiend uit deze overeenkomst” bestaan de koopsom van € 150.000,-, de schenkingsbelasting, de overdrachtsbelasting en de transportkosten, zo stellen de executeurs.
[persoon 1] en [persoon 2] zijn een fiscale eenheid en schenkingsrecht moet worden opgebracht uit de fiscale eenheid”. Hieruit volgt dat partijen afspraken over de schenkingsbelasting hebben gemaakt. In die context moet artikel 4 van Pro de annex zo worden uitgelegd dat het de bedoeling was dat [kopers woning] deze kosten zou moeten en kunnen betalen. Dat betekent dat [kopers woning] redelijkerwijs hadden moeten begrijpen dat (ook) de schenkingsbelasting onder de reikwijdte van artikel 4 van Pro de annex valt.
5.De beslissing
woensdag 29 juli 2026voor het nemen van een akte door [kopers woning] waarin [kopers woning] zich uitlaten of zij het onder rechtsoverweging 5.2 bedoelde bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
bewijsstukkenwillen overleggen, zij die stukken dan direct in het geding moeten brengen,
getuigenwillen laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden
augustus 2026tot en met
december 2026dan direct moeten opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
alle partijenuiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor
alle beschikbare bewijsstukkenaan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,