ECLI:NL:RBZWB:2026:6417

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
BRE 26/3350 ZKTKST
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening tegen niet-ontvankelijkheid bezwaarschrift eigen bijdrage afgewezen

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen besluiten van het CAK waarin zijn eigen bijdrage werd vastgesteld. Het CAK verklaarde het bezwaarschrift niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Verzoeker stelde vervolgens beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de invordering van de eigen bijdrage op te schorten.

De voorzieningenrechter beoordeelde dat voor het treffen van een voorlopige voorziening zowel formele als materiële connexiteit vereist is. Hoewel formele connexiteit aanwezig was, ontbrak materiële connexiteit omdat het beroep alleen betrekking had op de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift en niet op de invordering van de eigen bijdrage.

Daarom kon het verzoek om voorlopige voorziening niet worden toegewezen. De voorzieningenrechter wees er tevens op dat verzoeker een betalingsregeling met het CAK kan treffen. Het verzoek werd dan ook niet-ontvankelijk verklaard en niet inhoudelijk beoordeeld.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van materiële connexiteit.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/3350

uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

en

het CAK, verweerder .

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het niet-ontvankelijk verklaren van zijn bezwaarschrift.
1.1.
Met het besluit van 1 maart 2024 heeft het CAK de eigen bijdrage van verzoeker vanaf 21 januari 2024 vastgesteld op € 200,40 per maand. Met het besluit van 14 januari 2025 heeft het CAK de eigen bijdrage van verzoeker per 1 januari 2025 vastgesteld op € 205,00 per maand.
1.2.
Op 15 januari 2026 heeft het CAK een bezwaarschrift van verzoeker ontvangen. Het CAK heeft dit bezwaarschrift opgevat als gericht tegen de besluiten van 1 maart 2024 en 14 januari 2025. Met de beslissing op bezwaar van 11 maart 2026 heeft het CAK verzoekers bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens het overschrijden van de bezwaartermijn.
1.3.
Bij brief van 10 juni 2026 heeft het CAK verzoeker gevraagd om uiterlijk 30 juni 2026 een bedrag van € 1.260,40 te betalen.
1.4.
Tegen de beslissing op bezwaar van 11 maart 2026 heeft verzoeker beroep ingesteld. Dat beroep is geregistreerd onder zaaknummer 26/2672. Vervolgens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.4.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Uit artikel 8:81 van Pro de Awb volgt dat voor het treffen van een voorlopige voorziening sprake moet zijn van formele en materiële connexiteit. Voordat een ontvankelijk verzoek om een voorlopige voorziening kan worden ingediend, moet in elk geval eerst bezwaar of beroep worden ingesteld tegen een besluit. Dit heet formele connexiteit. Ook moet wat iemand met een verzoek om een voorlopige voorziening wil bereiken, betrekking hebben op de inhoud van het besluit waartegen bezwaar of beroep is ingesteld. Dit heet materiële connexiteit.
2.1.
Verzoeker heeft de voorzieningenrechter in zijn verzoekschrift verzocht om:
  • het CAK te gelasten de invordering van de betwiste eigen bijdrage tijdelijk op te schorten;
  • het CAK te verbieden verdere incasso- of invorderingsmaatregelen te nemen totdat uitspraak is gedaan in de beroepsprocedure;
  • te bepalen dat reeds lopende invorderingsmaatregelen gedurende de behandeling van het beroep worden geschorst.
2.2.
Uit het verzoekschrift leidt de voorzieningenrechter af dat verzoeker met zijn verzoek om voorlopige voorziening wil bereiken dat de invordering van eigen bijdragen direct wordt gestopt totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep met zaaknummer 26/2672. De voorzieningenrechter wijst erop dat dat beroep alleen gaat over de vraag of het CAK verzoekers bezwaarschrift tegen het bepalen van de hoogte van de eigen bijdragen terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Wat verzoeker met zijn verzoek om voorlopige voorziening wil bereiken, heeft geen betrekking op de inhoud van het besluit waartegen hij beroep heeft ingesteld. Dat besluit gaat namelijk niet over invordering. Verzoeker kan daarom met zijn verzoek om voorlopige voorziening niet bereiken waar hij de voorzieningenrechter om heeft verzocht. Dit betekent dat de benodigde materiële connexiteit ontbreekt.
2.3.
Wellicht ten overvloede wijst de voorzieningenrechter erop dat uit de brief van het CAK van 10 juni 2026 blijkt dat verzoeker met het CAK een betalingsregeling kan treffen. Uit navraag bij het CAK blijkt dat een betalingsregeling kan worden getroffen voor minimaal € 10,- per maand voor maximaal 36 maanden. Mocht verzoeker niet in staat zijn om € 10,- per maand te betalen of om de gehele vordering binnen 36 maanden te voldoen, dan kan verzoeker een betalingsregeling op basis van zijn draagkracht aanvragen.

Conclusie en gevolgen

3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is vanwege het ontbreken van materiële connexiteit. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt.
3.1.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 14 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.