ECLI:NL:RBZWB:2026:6427

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
02-083371-23
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen voorbereidingshandelingen cocaïnebewerking

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 17 juli 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van medeplegen van voorbereidingshandelingen voor het bewerken en verwerken van cocaïne. Op 13 en 14 september 2023 werden diverse goederen aangetroffen in de woning van verdachte, bestemd voor het persen en verpakken van cocaïne. Verdachte erkende kennis van de strafbare aard van deze goederen en zijn betrokkenheid.

De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen in de periode van 13 tot en met 14 september 2023 voorbereidingshandelingen heeft gepleegd. De eerdere eis van de officier van justitie om de pleegperiode te laten beginnen op 20 juli 2023 werd door de rechtbank verworpen vanwege onvoldoende bewijs. Verdachte werd partieel vrijgesproken van het beschikbaar stellen van zijn woning, omdat dit niet ten laste was gelegd.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de verslavende en schadelijke aard van cocaïne en de maatschappelijke gevolgen van drugshandel. Tegelijkertijd werden de persoonlijke omstandigheden van verdachte meegewogen, waaronder zijn schuldenproblematiek, spijtbetuiging, en het feit dat hij sinds de doorzoeking niet meer met justitie in aanraking is geweest. Gezien deze omstandigheden werd een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaar opgelegd, samen met een taakstraf van 240 uur en een vervangende hechtenis van 120 dagen.

De rechtbank benadrukte dat de voorwaardelijke straf bedoeld is om verdachte te motiveren op het rechte pad te blijven, mede gezien zijn onstabiele woonsituatie en financiële problemen. De redelijke termijn was overschreden, wat ook heeft geleid tot een lagere straf dan geëist. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer in Breda.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 240 uur wegens medeplegen van voorbereidingshandelingen voor het bewerken en verwerken van cocaïne.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-083371-23
Vonnis van de meervoudige kamer van 17 juli 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1984 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] ,
raadsman mr. D.A. Souisa, advocaat te Breda.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 juli 2026, waarbij de officier van justitie mr. S.A.J. Louwers en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het treffen van voorbereidingshandelingen voor het bewerken en verwerken van cocaïne.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen met anderen van 20 juli 2023 tot 14 september 2023 voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor het bewerken en verwerken van cocaïne.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich voor wat betreft de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat de pleegperiode dient te worden ingekort tot 13 en 14 september 2023.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
Een opgave van de bewijsmiddelen is opgenomen in bijlage II van dit vonnis.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat op 14 september 2023 bij een doorzoeking van de woning van verdachte de in de tenlastelegging genoemde goederen zijn aangetroffen. In onderlinge samenhang bezien, zijn die goederen bedoeld voor het verwerken van cocaïne, meer in het bijzonder het verpakken ervan. Verdachte heeft op zitting verklaard dat hij wist dat het strafbare spullen waren en dat anderen die in zijn woning hebben gebracht.
Dat verdachte met een of meer anderen voorbereidingshandelingen heeft gepleegd, kan dan ook wettig en overtuigend bewezen worden.
Voor de pleegperiode sluit de rechtbank aan bij het standpunt van de verdediging. Op zitting heeft verdachte de vraag wanneer die spullen in zijn woning zijn gekomen, niet kunnen beantwoorden. Uit een tapgesprek met zijn zus op 13 september 2023 blijkt echter dat die spullen toen ook al in de woning waren. De voorbereidingshandelingen zijn dan ook (in ieder geval) gepleegd in de periode van 13 tot en met 14 september 2023. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank in een tapgesprek van 20 juli 2023 geen bewijs om de pleegperiode met die datum te kunnen laten beginnen. Daarin spreekt verdachte weliswaar over schoonmaken, maar daaruit volgt niet dat de bij de doorzoeking aangetroffen goederen toen al in zijn woning waren. Op basis van de overige inhoud van het dossier kan ook niet worden vastgesteld wanneer de goederen in de woning van verdachte zijn gekomen.
De rechtbank zal verdachte tot slot ook partieel vrijspreken van het ten laste gelegde beschikbaar stellen van zijn woning. De tenlastelegging is namelijk expliciet beperkt tot het soort voorbereidingshandelingen genoemd onder sub 3 van artikel 10a lid 1 Opiumwet. Het beschikbaar stellen van je woning valt echter onder sub b, dat niet ten laste is gelegd.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
in de periode van 13 september tot en met 14 september 2023 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, , om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het opzettelijk verwerken, van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
- voorwerpen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en zijn mededader(s), wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, immers hebben hij, verdachte, en zijn (onbekend gebleven) mededader(s) daartoe,
- goederen, bedoeld voor het verwerken en verpakken van cocaïne, voorhanden gehad, waaronder een persplaat en papieren met het logo ‘bad’, een persframe, crêpepapier, uitgesneden plastic (boterham)zakjes, huishoudfolie/cellofaanfolie, afgeknipte ballonnen, vacuümmachine, rollen tape en weegschalen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van twee jaar en daarnaast een taakstraf van 240 uren.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit een taakstraf en daarnaast eventueel een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hij heeft bovendien geen ter zake relevante justitiële documentatie en had slechts een beperkte rol en de redelijke termijn is overschreden.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Ernst van het feit
Verdachte heeft op 13 en 14 september 2023 diverse goederen voorhanden gehad die bestemd waren om blokken cocaïne te persen en te verpakken. Cocaïne is een stof die verslavend werkt en schadelijk is voor de gezondheid van de gebruikers ervan. De handel daarin veroorzaakt regelmatig overlast en zorgt voor andere vormen van criminaliteit, waaronder liquidaties. Verdachte heeft hierin niet een grote rol gespeeld, maar wel een onmisbare.
Gelet op de ernst van het feit is ook bij voorbereidingshandelingen in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Vervolgens kijkt de rechtbank naar de persoon van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden.
De persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte
Na bij de politie te hebben gezwegen, heeft verdachte op zitting verantwoordelijkheid voor zijn betrokkenheid genomen. Verdachte heeft verklaard dat hij indertijd door zijn schuldenproblematiek het criminele pad is opgegaan. Die verklaring wordt ondersteund door tapverslagen in het dossier waaruit blijkt dat verdachte toen aanzienlijke financiële problemen had, die hem veel stress bezorgden.
Verdachte heeft op zitting uitvoerig duidelijk gemaakt dat hij spijt heeft. Sinds de doorzoeking op 14 september 2023 is hij niet meer met politie of justitie in aanraking geweest. Gedurende die periode hing deze strafzaak echter boven het hoofd van verdachte. Daar zal vast een preventief effect van zijn uitgegaan.
Daarnaast blijkt dat hij eerder is veroordeeld tot twee werkstraffen, maar dat is voor hele andere feiten geweest en (meer dan) vijftien jaar geleden.
In het reclasseringsrapport van 5 november 2025 staat dat verdachte nog steeds een aanzienlijke schuld heeft, geen eigen woning en nauwelijks structurele dagbesteding. Op zitting heeft verdachte toegelicht dat het verzoek tot schuldsanering bij de rechtbank ligt en dat hij nog tot en met december 2026 een blokkade heeft van de woningbouwvereniging. Hij doet vrijwilligerswerk bij een voetbalclub als trainer van een jeugdteam. Omdat verdachte zelf de weg richting de juiste hulpverlening weet te vinden, heeft de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden geadviseerd. Zijn bewindvoerder heeft in een brief toegelicht dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de inspanningen vanuit verdachte, de gemeente, schuldhulpverlening en bewindvoering teniet zal doen.
Omdat verdachte en de maatschappij er bij gebaat zijn dat het rechte pad met hulpverlening van verdachte niet wordt onderbroken, zal de rechtbank geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Een voorwaardelijke gevangenisstraf is echter wel op zijn plaats, omdat de geldproblemen van verdachte nog steeds niet zijn opgelost. Omdat ook zijn woonsituatie na december 2026 nog onstabiel blijft, kan een criminele verleiding zo maar weer te groot worden. Een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaar moet verdachte motiveren om op het rechte pad te blijven. De voorwaardelijke gevangenisstraf is korter dan geëist, omdat de rechtbank een veel kortere pleegperiode bewezen heeft verklaard dan waarvan de officier van justitie is uitgegaan bij zijn eis. Bovendien is de redelijke termijn met bijna een jaar overschreden. Gelet op de ernst van het feit is daarnaast een taakstraf van 240 uur passend en geboden.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10a van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, door voorwerpen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
- verklaart verdachte strafbaar;
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat deze voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt verdachte tot
een taakstraf van 240 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht,
vervangende hechteniszal worden toegepast van
120 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Faouzi, voorzitter,
en mr. P.E van Althuis en mr. R.J.H. de Brouwer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.T.C.J.M. de Jongh, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 17 juli 2026.
De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.