ECLI:NL:RBZWB:2026:6456

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
02-306806-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 57 SrArt. 2 OpiumwetArt. 3 OpiumwetArt. 10 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor aanwezig hebben van grote hoeveelheden hasjiesj en methamfetamine-olie

Op 13 november 2025 werd bij een doorzoeking in een woning te [plaats] 12 kilo hasjiesj en 23 liter methamfetamine-olie aangetroffen. Verdachte verbleef samen met een medeverdachte in deze woning. De rechtbank oordeelde dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van deze verdovende middelen, mede gelet op camerabeelden, telefoononderzoek en chatberichten die handel en bezit van drugs bevestigen.

De tenlastelegging omvatte medeplegen van het aanwezig hebben van de drugs en het vervaardigen van methamfetamine-olie. Voor het vervaardigen was echter onvoldoende bewijs, waardoor verdachte hiervoor werd vrijgesproken. De rechtbank achtte het aanwezig hebben van de drugs wettig en overtuigend bewezen.

Verdachte had een strafblad en was eerder veroordeeld voor Opiumwetfeiten. Gezien de hoeveelheid drugs, de straatwaarde en de omstandigheden, concludeerde de rechtbank dat de drugs bestemd waren voor handel, met alle maatschappelijke gevolgen van dien. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 22 maanden op, met aftrek van voorarrest, lager dan de eis van 40 maanden.

De inbeslaggenomen voorwerpen werden teruggegeven aan verdachte omdat deze niet vatbaar waren voor verbeurdverklaring. Het vonnis werd uitgesproken door de meervoudige kamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 16 juli 2026.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 22 maanden gevangenisstraf voor het aanwezig hebben van 12 kilo hasjiesj en 23 liter methamfetamine-olie, vrijgesproken van vervaardigen methamfetamine-olie.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
parketnummer: 02-306806-25
vonnis van de meervoudige kamer van 16 juli 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1980 te [geboorteplaats] (Mexico)
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland
thans gedetineerd in P.I. [locatie]
raadsman mr. G.R. Stolk, advocaat te Rotterdam

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 2 juli 2026, waarbij de officier van justitie, mr. P. Kuipers, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van 12 kilo hasjiesj en aan het opzettelijk vervaardigen dan wel aanwezig hebben van 23 liter methamfetamine-olie.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde onder 1 en 2. Gelet op de bewijsmiddelen in het dossier moet verdachte hebben geweten van de aanwezigheid van de verdovende middelen in de woning waar hij verbleef. Het vervaardigen dat is tenlastegelegd onder feit 2, acht de officier van justitie niet bewezen. Voor beide feiten is volgens de officier van justitie sprake van medeplegen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak omdat verdachte geen wetenschap had van de verdovende middelen in de woning en die wetenschap op grond van de inhoud van het dossier niet is vast te stellen. Verder ontbreekt het bewijs voor een nauwe en bewuste samenwerking in het kader van medeplegen met de medeverdachte.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
In november 2025 is bij de politie restinformatie binnengekomen dat er in de woning aan de [adres] mogelijk verdovende middelen aanwezig waren dan wel werden vervaardigd. Naar aanleiding hiervan heeft de politie daar op 13 november 2025 een doorzoeking verricht. Op dat moment waren verdachte en [medeverdachte] in de woning aanwezig. In de woning werd in de trapkast van de woonkamer 12 kilo hasjiesj en 23 liter methamfetamine-olie aangetroffen.
Feit 2 ‘vervaardigen’
Van het onderdeel ‘vervaardigen’ zal de rechtbank verdachte vrijspreken, omdat daarvoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is.
Feit 1 en 2 ‘aanwezig hebben’
Om tot een bewezenverklaring van het ‘aanwezig hebben’ te kunnen komen van de verdovende middelen onder de feiten 1 en 2, moeten de verdovende middelen zich in de machtssfeer van verdachte hebben bevonden en moet hij wetenschap hebben gehad van de aanwezigheid van die verdovende middelen althans de aanmerkelijke kans daarop.
Verdachte heeft de wetenschap over de aanwezigheid van de verdovende middelen in de woning weliswaar ontkend maar die verklaring acht de rechtbank in het licht van de hierna volgende feiten en omstandigheden ongeloofwaardig en moet daarom als onbetrouwbaar terzijde worden geschoven. Gebleken is dat verdachte samen met de medeverdachte vanuit Spanje naar Nederland is gekomen waar zij in de woning aan de [adres] verbleven. Uit de camerabeelden van de woning blijkt dat verdachte al langer in Nederland was dan de door hem gestelde vier tot vijf dagen. Op deze beelden is hij namelijk op 31 oktober 2025 al bij de woning te zien.
Verder had verdachte op het moment van het binnentreden van de woning de later in beslag genomen Redmi A5 telefoon in handen waarvan de politie zag dat hij in Whatsapp twee contacten wiste. Daaruit leidt de rechtbank af dat verdachte deze contacten heeft willen verbergen voor de politie. Uit onderzoek van die telefoon is gebleken dat deze telefoon zowel bij verdachte als bij de medeverdachte in gebruik was en dat zij zich met verdovende middelen bezighielden. Hierop zijn namelijk diverse video’s en gesprekken over het voorhanden hebben en de handel in drugs aangetroffen. Onder deze video’s bevindt zich een video van 6 november 2025 waarop is te zien dat een persoon een blok drugs opensnijdt en zo de inhoud daarvan toont. Deze video is via een chatgesprek verstuurd naar een contact met de [naam 1] , vergezeld van een spraakbericht waarvan de stem door de politie is herkend als de stem van verdachte. Door hem wordt in dit bericht gezegd: ‘Het probleem is de prijs, weetje. En wat jullie willen’ waaruit kan worden afgeleid dat er wordt gesproken over de verkoop van de drugs die in de video is te zien en de prijs daarvan. Onder deze video’s bevindt zich ook een video van 10 november 2025 waarop dezelfde blokken zijn te zien als de blokken die in de trapkast van de woning zijn aangetroffen. Verder is hierop nog een Whatsappbericht van 10 november 2025 aangetroffen, verstuurd door een persoon die zichzelf ‘ [naam 2] ’ noemt. De rechtbank gaat ervan uit dat dit de medeverdachte is. Hierin staat dat hij net zijn zwager heeft opgehaald, die een keuken aan het inrichten is en met de productie gaat beginnen. Dit bericht past naar het oordeel van de rechtbank bij de aangetroffen methamfetamine-olie waarvan bekend is dat dit een resultaat is van bewerkte BMK en dat dit doorgaans nog verder wordt bewerkt alvorens het geschikt is voor gebruik. Beide verdachten hebben in hun verhoren bij de politie bevestigd dat zij zwagers van elkaar zijn. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat dit bericht over verdachte gaat en hij zich met het inrichten van de keuken bezighield.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat verdachte wist dat de aangetroffen verdovende middelen in de woning aanwezig waren waar hij samen met de medeverdachte verbleef en dat zij daarover konden beschikken. Het dossier bevat verder geen aanwijzingen dat er naast verdachte en de medeverdachte nog andere personen in de woning verbleven.
Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het tenlastegelegde onder 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen zoals hierna onder 4.4 weergegeven.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
op 13 november 2025 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van Pro de Opiumwet, te weten ongeveer 12.000 gram, van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
2
op 13 november 2025 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 23 liter van een materiaal bevattende methamfetamine- olie, zijnde methamfetamine-olie een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 40 maanden met aftrek van voorarrest. Hij baseert zich hiervoor op de richtlijnen van het Openbaar Ministerie en houdt daarbij rekening met de aanwijzingen die het dossier bevat dat er meer aan de hand is, namelijk productie van verdovende middelen al dan niet in georganiseerd verband. Ook houdt hij rekening met het strafblad van verdachte waaruit blijkt dat hij eerder op grond van de Opiumwet is veroordeeld en er nog een verdenking voor Opiumwetfeiten openstaat.
6.2
Het standpunt van de verdediging
Wanneer het gevoerde bewijsverweer niet wordt gevolgd, bepleit de verdediging subsidiair oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en eventueel daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf om verdachte ervan te weerhouden naar Nederland te komen en zich bezig te houden met strafbare feiten. Daartoe wordt aangevoerd dat het hier niet gaat om handel maar slechts om bezit. Voor wat betreft de methamfetamine-olie geldt bovendien dat dit geen harddrugs is die kan worden gebruikt waardoor dit meer past in het kader van voorbereidingshandelingen.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van ongeveer 12 kilo hasjiesj en 23 liter methamfetamine-olie. Met deze hoeveelheid methamfetamine-olie was het mogelijk om 26 kilo methamfetamine te produceren. Gelet op deze hoeveelheden in combinatie met de straatwaarde daarvan en gezien de omstandigheden waaronder deze verdovende middelen zijn aangetroffen, kan het niet anders zijn dan dat deze voor de drugshandel waren bestemd. Bekend is dat drugshandel gepaard gaat met ernstige gevolgen voor de samenleving. Niet alleen veroorzaakt dit gezondheidsschade als gevolg van drugsgebruik maar de ervaring leert ook dat dit dikwijls gepaard gaat met andere vormen van (vermogens)criminaliteit. Bovendien gaat er van de drugshandel een ondermijnend en ontwrichtend effect uit op de rechtsorde door de criminele geldstromen die verweven raken met de reguliere economie en fysiek geweld als gevolg van conflicten tussen criminele personen en/of groepen. Verdachte heeft bij dit alles niet stilgestaan en was enkel uit op persoonlijk gewin en is uitsluitend met het dit doel vanuit Spanje naar Nederland gekomen.
De rechtbank heeft bij de strafoplegging in het nadeel van verdachte rekening gehouden met zijn uittreksel uit de justitiële documentatie. Daaruit blijkt dat hij eerder in Nederland met politie en justitie in aanraking is gekomen voor een Opiumwet-feit. Ook blijkt hieruit dat verdachte zich gedurende de schorsing in een andere strafzaak schuldig heeft gemaakt aan de onderhavige feiten.
Gelet op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd, voor het bewezenverklaarde aanwezig hebben van hard- en softdrugs, zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan de officier van justitie heeft geëist. Alles afwegend acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf van tweeëntwintig maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden. Voor een voorwaardelijk strafdeel ziet zij geen aanleiding.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.Het beslag

Aangezien de onder verdachte in beslag genomen voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en verdachte redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, wordt een last tot teruggave van deze voorwerpen aan verdachte gegeven.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1:Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel;
feit 2:Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van
tweeëntwintig maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Beslag
-
gelast de teruggaveaan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:
* € 1.650,- (Omschrijving: PL2000-2025304803-G2929053);
* 1 stk GSM (Omschrijving: Redmi PL2000-2025304803-2929007).
Dit vonnis is gewezen door mr. B. Akdikan, voorzitter, mr. G.H. Nomes en mr. J. Bergen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.S.S. Fanis, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 juli 2026.
Mr. Nomes is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat
1
hij op of omstreeks 13 november 2025 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van Pro de Opiumwet, te weten ongeveer 12.000 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
(art 11 lid 2 Opiumwet Pro, art 3 ahf Pro/ond C Opiumwet, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht)
2
hij op of omstreeks 13 november 2025 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervaardigd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 23 liter, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende methamfetamine (- olie), zijnde methamfetamine (-olie) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
(art 2 ahf Pro/ond D Opiumwet)