ECLI:NL:RBZWB:2026:6459

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
26-005105
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 9 Wet Mulder
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek op grond van artikel 530 Sv voor vergoeding kosten rechtsbijstand in Wet Mulder-procedure niet-ontvankelijk verklaard

De verzoeker diende op 23 januari 2026 een verzoekschrift in op grond van artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering, gericht op vergoeding van kosten rechtsbijstand ten laste van de Staat, in verband met een boete opgelegd onder de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wet Mulder).

Op 20 april 2026 vond de behandeling plaats waarbij de officier van justitie en de gemachtigde advocaat van verzoeker werden gehoord. Verzoeker was opgeroepen maar verscheen niet. De officier van justitie stelde dat het verzoek niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat het hier niet om een strafzaak ging, maar om een bestuursrechtelijke procedure.

De rechtbank oordeelde dat artikel 530 Sv Pro alleen van toepassing is op strafzaken en niet op bestuursrechtelijke procedures zoals de Wet Mulder. Daarom viel de gevraagde vergoeding niet onder de reikwijdte van artikel 530 Sv Pro. Het verzoek werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.

Uitkomst: Verzoek op grond van artikel 530 Sv tot vergoeding van kosten rechtsbijstand in Wet Mulder-procedure wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
raadkamernummer : 26-005105
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[de verzoeker],
geboren op [geboortedag] 1992,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. A.J.C.M. de Graaff, advocaat te Breda (Ginnekenweg 88, 4818 JH Breda),
hierna te noemen: de verzoeker.

1.De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
 het op 23 januari 2026 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding
ex artikel 530 van Pro het Wetboek van strafvordering(Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van:
  • € 1.508,34, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
  • € 420,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 825,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
  • beslissing beroep Mulder: 25 november 2025;
  • de schriftelijke reactie van de officier van justitie;
  • de overige stukken in het raadkamerdossier.
Op 20 april 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis en mr. A.J.C.M. de Graaff, als gemachtigd advocaat van verzoeker gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het eerder ingenomen standpunt dat het verzoek kan worden toegewezen moet worden herzien. Het gaat om een boete in het kader van de Wet Mulder. Het gaat hier dus niet om een strafzaak maar om een administratieve afdoening. De officier van justitie verzoekt het verzoekschrift niet-ontvankelijk te verklaren.
Subsidiair dienen de kosten rechtsbijstand te worden gematigd omdat er na seponering meer dan een half uur gedeclareerd wordt.
Namens verzoeker is aangevoerd dat er door middel van een sepot een streep door de boete is gekomen. Het openbaar ministerie was procespartij en in het schriftelijk ingenomen standpunt van 13 maart 2026 heeft het openbaar ministerie zich op het standpunt gesteld dat het verzoek in zijn geheel kan worden toegewezen. De zaak is zonder strafoplegging geëindigd, zodat er geen rechtszaak noodzakelijk was. Subsidiair verzoekt de raadsman het verzoek te toetsen op gronden van billijkheid. Het openbaar ministerie was het aanvankelijk eens met vergoeding van de gevraagde kosten voor rechtskundige bijstand. De WAHV-route om vergoeding van kosten te krijgen is nu afgesloten. Meer subsidiair wordt verzocht om de forfaitaire vergoeding toe te wijzen.

2.De beoordeling

De rechtbank overweegt als volgt.
Op grond van artikel 530 Sv Pro wordt aan een gewezen verdachte een vergoeding toegekend van de reis- en verblijfskosten die voor het onderzoek en de behandeling van de zaak zijn gemaakt. Er kan ook een vergoeding worden toegekend voor de schade die hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden. Tot slot kan ook een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Verzoeker vraagt een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand die zijn gemaakt in het kader van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wet Mulder). Deze procedure vindt zijn grondslag in artikel 9 van Pro de Wet Mulder. De behandeling van een dergelijk beroep betreft een bestuursrechtelijke procedure, waarop het Wetboek van Strafvordering niet van toepassing is. De rechtbank is daarom van oordeel dat de kosten van rechtsbijstand waarvoor een vergoeding wordt gevraagd, niet vallen onder de reikwijdte van artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Verzoeker zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoekschrift.

3.De beslissing

De rechtbank:
-verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
Deze beslissing is op 4 mei 2026 genomen door mr. L.W. Louwerse rechter, in tegenwoordigheid van I.L. Bruijnooge, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 4 mei 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.