ECLI:NL:RBZWB:2026:6460

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
26-008955
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 94a SvArt. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrondverklaring klaagschrift en teruggave voertuig na strafvorderlijk beslag

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 4 mei 2026 een klaagschrift op grond van artikel 552a Sv, ingediend door de eigenaar van een Audi Q2 die onder beslag lag. De klaagster stelde eigenaar te zijn en verzocht om teruggave van het voertuig, dat sinds 2021 op haar naam stond en in gebruik was gegeven aan haar dochter, de vriendin van de beslagene.

De officier van justitie betoogde dat het voertuig was gebruikt bij een strafbaar feit en dat het beslag gehandhaafd moest blijven, omdat het vermoeden bestond dat het voertuig op naam van de klaagster was gezet om het strafrechtelijk onderzoek te frustreren. De rechtbank oordeelde echter dat dit niet aannemelijk was, mede omdat het voertuig al vóór het aangaan van de relatie tussen de dochter en de beslagene op naam van de klaagster stond.

De rechtbank concludeerde dat er onvoldoende aanwijzingen waren voor een schijnconstructie en dat het strafvorderlijk belang bij het beslag ontbrak. Tevens achtte zij het onwaarschijnlijk dat de strafrechter het voertuig later zou verbeurdverklaren. Daarom werd het klaagschrift gegrond verklaard en werd de teruggave van het voertuig aan de klaagster gelast.

Uitkomst: Het klaagschrift wordt gegrond verklaard en het voertuig wordt teruggegeven aan de eigenaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
parketnummer : 02-230200-25
raadkamernummer : 26-008955
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[de klaagster] ,
geboren op [geboortedag 1] 1974 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres 1] ,
hierna te noemen: de klaagster.
Beslagene is [beslagene] ,geboren op [geboortedag 2] 1981,
wonende te [woonadres 2] .

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
  • het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend op 26 maart 2026 ter griffie van deze rechtbank;
  • de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv Pro, waaruit blijkt dat op 10 maart 2026 onder beslagene een voertuig merk: Audi Q2, kenteken: [kenteken] (hierna: het voertuig) in beslag is genomen;
  • de reactie van de officier van justitie en
  • de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 20 april 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis en klaagster gehoord.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klaagster. Daartoe is aangevoerd dat klaagster aantoonbaar de eigenaar is van het voertuig. Klaagster heeft het voertuig in gebruik gegeven aan haar dochter, zijnde de vriendin van beslagene. Het voertuig staat al sinds 2021 op haar naam, twee jaar voordat de dochter van klaagster een relatie kreeg met beslagene. Klaagster heeft een groot belang bij teruggave van het voertuig en verzoekt het klaagschrift gegrond te verklaren.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard. Het voertuig is gebruikt bij het plegen van een strafbaar feit. Klaagster maakt zelf geen gebruik van het voertuig. Het heeft er de schijn van dat het voertuig op de naam van klaagster is gezet om het onderzoek naar strafbare feiten te frustreren. Het is niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter later oordelend het voertuig verbeurd zal verklaren.

2.De beoordeling

De rechtbank overweegt als volgt.
Het beslag op het voertuig is gelegd op grond van artikel 94 Sv Pro.
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klaagster is ontvankelijk in het beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv Pro als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv Pro gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv Pro. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
Hier is sprake van een klaagster die stelt eigenaar/rechthebbende van het voorwerp te zijn en om teruggave vraagt, maar tegen wie het strafrechtelijk onderzoek niet is gericht en die niet de beslagene is. Beoordeeld moet worden of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klaagster als eigenaar/rechthebbende van het voorwerp moet worden
aangemerkt en zo ja, of zich de situatie als bedoeld in artikel 94a, vierde of vijfde lid, Sv voordoet.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat klaagster eigenaar is van het voertuig. Dat sprake is van een schijnconstructie en het voertuig op haar naam is gezet om strafbare feiten te verhullen, oordeelt de rechtbank gelet op het tijdstip waarop haar dochter en vervolgens zij het voertuig hebben verkregen in het licht van de gegeven toelichting niet aannemelijk. Het voertuig is immers aan de dochter toe gescheiden en aan klaagster overgedragen voordat de dochter van klaagster een relatie kreeg met de beslagene. Er bestaan mitsdien onvoldoende aanwijzingen dat het voertuig aan klaagster is gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van het voertuig te bemoeilijken of te verhinderen en dat klaagster dit wist of redelijkerwijs kon vermoeden.
Gelet op het voorgaande ontbreekt een strafvorderlijk belang bij het beslag en is het hoogst onwaarschijnlijk dat een strafrechter, later oordelend, het voertuig verbeurd zal verklaren. De rechtbank zal het klaagschrift gegrond verklaren en het voertuig teruggeven aan klaagster.

3.Beslissing

De rechtbank verklaart het klaagschrift gegrond en gelast de teruggave van:
- een voertuig: Audi Q2 met het kenteken: [kenteken] ,
aan klaagster.
Deze beslissing is genomen door mr. L.W. Louwerse, rechter, in tegenwoordigheid van
I.L. Bruijnooge, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 4 mei 2026.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de beklager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beslissing.