ECLI:NL:RBZWB:2026:6466

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
02-665485-16
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging terbeschikkingstelling met dwangverpleging wegens hoog recidiverisico

Betrokkene is in 2017 veroordeeld voor poging tot doodslag, poging tot diefstal met geweld en vernielingen, en sindsdien onder tbs met voorwaarden geplaatst. In 2020 werd dit omgezet naar tbs met dwangverpleging. De rechtbank heeft in juli 2024 de tbs reeds verlengd met twee jaar.

In juni 2026 heeft het openbaar ministerie een nieuwe vordering tot verlenging van de tbs met dwangverpleging ingediend. De rechtbank heeft op 2 juli 2026 de zaak behandeld, waarbij betrokkene, zijn raadsman, de officier van justitie en een deskundige psycholoog zijn gehoord.

De instelling adviseert verlenging met twee jaar vanwege meervoudige problematiek, waaronder een antisociale persoonlijkheidsstoornis, psychopathie, psychotische kwetsbaarheid en middelengebruik. Betrokkene heeft positieve stappen gezet, maar door tegenslagen en terugval in cannabisgebruik is het traject gestagneerd. De instelling acht een overplaatsing naar een forensisch psychiatrisch afdeling (FPA) wenselijk.

De officier van justitie steunt de verlenging met twee jaar, terwijl de verdediging primair een voorwaardelijke beëindiging verzoekt en subsidiair een kortere verlenging. De rechtbank oordeelt dat het recidiverisico hoog blijft, dat betrokkene nog niet zelfstandig met tegenslagen kan omgaan en dat verlenging met twee jaar passend is. Een voorwaardelijke beëindiging of kortere verlenging wordt afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de tbs met dwangverpleging met twee jaar vanwege een hoog recidiverisico en stagnatie in het behandeltraject.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-665485-16
Beslissing van de meervoudige kamer d.d. 16 juli 2026 met betrekking tot de verlenging van de terbeschikkingstelling van:
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,
verblijvende in [de instelling] te [plaats] (hierna: de instelling)
hierna: betrokkene,
raadsman mr. W.J.M. van der Putten, advocaat te Goirle.

1.Inleiding

Bij vonnis van deze rechtbank van 7 maart 2017 is [betrokkene] veroordeeld voor poging tot doodslag, een poging tot diefstal met geweld en drie vernielingen tot een gevangenisstraf van 21 maanden en terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met voorwaarden.
De rechtbank constateert dat het hier gaat om een misdrijf als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
De termijn van de tbs is aangevangen op 14 juli 2017.
Bij beslissing van deze rechtbank van 29 april 2020 is de tbs met voorwaarden omgezet naar een tbs met verpleging van overheidswege (hierna: dwangverpleging). De tbs van betrokkene is bij beslissing van deze rechtbank van 26 juli 2024 laatstelijk verlengd voor een termijn van twee jaren.
De rechtbank begrijpt uit de stukken dat de achternaam van betrokkene vóór voornoemde beslissing van 26 juli 2024 is gewijzigd in [achternaam] .

2.Procesverloop

De rechtbank heeft op 3 juni 2026 van het openbaar ministerie een vordering ontvangen tot verlenging van de tbs met dwangverpleging. De vereiste stukken zijn bijgevoegd dan wel toegezonden.
De vordering is op de openbare terechtzitting van 2 juli 2026 behandeld. De officier van justitie, mr. S. van der Wilt-Withfield, is gehoord. Tevens is betrokkene middels videoverbinding gehoord, bijgestaan door zijn raadsman mr. W.J.M. van der Putten, advocaat in Goirle .
Voorts is als deskundige gehoord [deskundige ] , GZ-psycholoog en behandelcoördinator bij de instelling.

3.Adviezen

3.1.
Advies instelling
De tbs-instelling heeft in het rapport van 12 mei 2026 geadviseerd de tbs te verlengen met twee jaren.
Bij betrokkene is sprake van meervoudige problematiek in de vorm van een antisociale persoonlijkheidsstoornis, psychopathie, een psychotische kwetsbaarheid en middelenproblematiek.
Na de vorige verlengingsbeslissing is betrokkene naar [zorginstelling] verhuisd. Hij praktiseerde daar verlof voor onder meer werk, vrije tijd en bezoeken van het netwerk (met overnachtingen). De samenwerking met het behandelteam was goed en hij zette de eerder ingezette positieve lijn voort. Door een tegenslag op het werk viel betrokkene tijdelijk terug in oude patronen. Met ondersteuning van het behandelteam is het hem toch gelukt om een pro sociale aanpak te hanteren en in september 2025 is hij gestart met een opleiding. Voor deze opleiding was hij gemotiveerd en liet hij goede inzet zien. Vanwege naar later bleek vals-positieve uitslagen op GHB is de samenwerking met betrokkene onder druk komen te staan en heeft betrokkene teruggegrepen op het gebruik van cannabis. Hoewel er eind 2025 geen psychotische ontregeling heeft plaatsgevonden, heeft betrokkene wel aangegeven dat hij in die periode toenemend verward was door slaapgebrek en fors cannabisgebruik. Hierna is betrokkene weer teruggeplaatst op de resocialisatieafdeling van de instelling. De initiële houding van betrokkene is om de handdoek in de ring te gooien. Wel ontstaat er in toenemende mate ruimte voor het gegeven dat het zelfbeeld van betrokkene onderuit is gehaald door dit falen en hij is zich ervan bewust dat hij aan zichzelf moet werken, ook al kan hij dat nu nog niet opbrengen. Met betrokkene is afgesproken te onderzoeken hoe zijn traject er op korte en langere termijn uit gaat zien.
In geval van een (voorwaardelijke) beëindiging van de tbs is de verwachting dat betrokkene nog niet in staat is om het geleerde zelfstandig toe te passen, waardoor hij naar verwachting (verder) zal terugvallen in vertrouwde gedragspatronen en coping. Gaandeweg ontstaat een verhoogd risico op (gewelddadig) delictgedrag. Middelengebruik kan (extra) ontremmend werken op agressief gedrag en daarnaast ook psychotische symptomen luxeren.
Het lukt betrokkene op dit moment niet zelfstandig om het verlof volledig te hervatten. Doorlopend wordt gekeken of de huidige afdeling of terugkeer naar [zorginstelling] voor betrokkene het beste is. In geval van terugkeer naar [zorginstelling] , zal een geleidelijke hervatting worden vormgegeven in combinatie met een overgang. Omdat het verdere traject de duur van één jaar zal overstijgen, adviseert de instelling om de tbs met twee jaren te verlengen.
Ter zitting heeft de [deskundige ] daaraan nog het volgende toegevoegd. Betrokkene is teleurgesteld in de instelling en er is sprake van een vertrouwensbreuk. De instelling begrijpt betrokkene daarin en betreurt dat het zo is gelopen. Wel ziet de instelling dat betrokkene ook teleurgesteld is in zichzelf en de tegenslagen beter het hoofd had willen bieden. Inmiddels is duidelijk dat het betrokkene niet lukt om met de instelling samen te werken en zijn toekomst vorm te geven. Overplaatsing naar een FPC kost veel tijd en is niet nodig gelet op de stappen die betrokkene al heeft gezet. Bovendien hoeft het verdere traject van betrokkene niet binnen het huidige beveiligingsniveau plaats te vinden. Plaatsing in een FPA moet nog worden onderzocht. Het is van belang dat betrokkene aan coping gaat werken, zelf tegenslagen kan verwerken en daar ook meer stevigheid in ervaart en het leven zelf beter vorm kan geven. Omdat betrokkene al goede stappen had gezet en hard gewerkt heeft, verwacht de instelling dat een jaar in de FPA al verschil kan maken, mits het betrokkene lukt om de kentering te maken en te stoppen met het gebruik van cannabis. Vanuit de FPA kan de stap naar buiten worden gezet, zoals begeleid wonen of wellicht zelfs zelfstandig wonen. Of de reclassering daarin wordt betrokken, is aan de FPA. Over een voorwaardelijke beëindiging of begeleid wonen traject is nog niet nagedacht. Bij de RIBW zijn wachtlijsten van twee jaren en overplaatsing kan niet op korte termijn gerealiseerd worden. De instelling acht het niet reëel dat betrokkene binnen een jaar ergens anders (begeleid) woont, zodat wordt geadviseerd om de tbs met twee jaren te verlengen.

4.Standpunt van partijen

4.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie is ter zitting bij de vordering de tbs met twee jaren te verlengen gebleven. Aan de wettelijke vereisten is voldaan en bij betrokkene is sprake van een stoornis. De psychotische episodes die tijdens het indexdelict plaats hebben gevonden, kunnen getriggerd zijn door middelengebruik en daar moet nog aan gewerkt worden om de recidivekans te verminderen. Verlenging met één jaar is te kort om de benodigde stappen te zetten. Een voorwaardelijke beëindiging is niet aan de orde, omdat dat te vroeg in het traject is en er geen maatregelenrapport voorhanden is.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
Betrokkene en de raadsman hebben primair de voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging verzocht, omdat het niet beter gaat met betrokkene zolang hij in de instelling verblijft. Hij deed zijn best en had mooie stappen gemaakt, maar buiten zijn schuld is het misgegaan. Het recidivegevaar is ook op andere wijze, bijvoorbeeld met voorwaarden in te perken. Subsidiair hebben zij bepleit de tbs te verlengen voor de duur van drie tot zes maanden.

5.Beoordeling

De tbs kan slechts worden verlengd indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de tbs eist. Het recidivegevaar moet nog aanwezig zijn en dient voort te vloeien uit een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Gelet op het advies van de instelling wordt nog steeds voldaan aan dit wettelijke criterium. Het recidiverisico is hoog als de tbs op dit moment, al dan niet voorwaardelijk zou worden beëindigd.
Uitgangspunt is dat wanneer aannemelijk is geworden dat de behandeling van betrokkene meer tijd in beslag zal nemen dan de tijd die resteert bij een verlenging met een termijn van één jaar, de tbs - behoudens bijzondere omstandigheden - verlengd dient te worden met een termijn van twee jaren.
Uit het verlengingsadvies en de ter zitting gegeven toelichting volgt dat niet te verwachten is dat binnen een jaar een (voorwaardelijke) beëindiging van de tbs aan de orde is. De rechtbank constateert dat betrokkene gedurende langere tijd positieve stappen heeft gezet in zijn resocialisatietraject, maar dat tegenslagen in het werk en vals-positieve uitslagen op GHB helaas tot een vertrouwensbreuk met de instelling hebben geleid. Betrokkene is daardoor zijn motivatie verloren en dit heeft ertoe geleid dat hij weer cannabis is gaan gebruiken. Duidelijk is dat betrokkene moet worden overgeplaatst, naar mogelijk een FPA, om zijn resocialisatietraject verder vorm te geven. Daarbij is met name van belang dat hij werkt aan zijn coping, hoe hij omgaat met tegenslagen en dat hij stopt met het gebruik van cannabis. Door de huidige stagnatie in het traject van betrokkene en omdat er nog geen vervolgplek is gerealiseerd, is de verwachting dat de behandelduur langer dan één jaar in beslag zal nemen. Bovendien ziet de rechtbank, ondanks de eerdere positieve ontwikkeling van betrokkene, geen bijzondere omstandigheden die maken dat van voormeld uitgangspunt moet worden afgeweken. Het gegeven dat de stagnatie van het traject niet aan de schuld van betrokkene te wijten is, maakt dat niet anders. In het leven binnen en buiten het kader van een tbs zal betrokkene te maken krijgen met tegenslagen. Hij zal een manier moeten vinden om daarmee om te gaan zonder te vervallen in risicovol gedrag, zoals middelengebruik en het zich terugtrekken.
Een voorwaardelijke beëindiging acht de rechtbank, gelet op het hoge recidiverisico, niet passend. Ook een verlenging van drie tot zes maanden is gelet op het bovenstaande niet aan de orde. Wel hoopt de rechtbank dat betrokkene zijn motivatie kan hervinden, bijvoorbeeld door het inzetten van een ander traject, bijvoorbeeld bij een FPA, om toe te werken naar het door hem gewenste einddoel, zodat hij weer stappen kan maken in zijn resocialisatietraject.
Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de tbs met verpleging van overheidswege van betrokkene moet worden verlengd met twee jaren.

6.Beslissing

De rechtbank:
verlengtde termijn van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging met
2 (twee) jaren;
wijst afhet meer of anders gevorderde.
Deze beslissing is genomen door mr. R. Combee, voorzitter,
en mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos en mr. C.M.B. Gijselman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.W. Schalk, griffier en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 juli 2026.
De voorzitter is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.