Uitspraak
[verdachte], geboren op [geboortedag] 1979 in [geboorteplaats] (voormalig Joegoslavië).
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
hierna: [rechtspersoon]) op. Er is tegenover dit witwasvermoeden een verklaring afgelegd door de vertegenwoordiger van [rechtspersoon]
(hierna: [verdachte] ). Die verklaring voldoet niet aan het criterium dat het moet gaan om een concreet, min of meer verifieerbaar en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijk relaas. Desondanks heeft het Openbaar Ministerie onderzoek verricht naar die verklaring. Uit dit onderzoek volgt dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen van € 540.000,- en € 1.100.000,-, waarmee de panden aan de [adres 2] / [adres 3] , [adres 4] / [adres 5] en [adres 6] in [plaats 2] zijn aangekocht een legale herkomst hebben. Het witwasvermoeden is niet ontzenuwd. De voorwerpen zijn derhalve van enig misdrijf afkomstig. Voor het volledige standpunt wijst de rechtbank naar het aan dit vonnis gehechte requisitoir.
(hierna: UBO)van [onderneming 1] kan worden aangemerkt. Voor het volledige standpunt wijst de rechtbank op het aan dit vonnis gehechte pleidooi.
“Ik ha naar Spanje zaterdag en kom volgende week zaterdag terug”en
“Dan als ik terug ben kan ik je weer en geven, ok”.[getuige 1] heeft in reactie hierop de tekst gestuurd:
“is het niet mogelijk vrijdag”en
“het zou heel fijn zijn moest het morgen kunnen”.[verdachte] heeft daarop gereageerd met de tekst:
“kijk op andere”.Verdachte stuurt daarna:
“Dua nu nog 100 tog”.[getuige 1] heeft daarop bevestigend geantwoord. Dit bericht van [verdachte]
‘nu nog 100 tog’past niet bij de alternatieve lezing over de verhuur van een auto en dat geldt ook voor de verklaring van [getuige 1] hierover in zijn tweede getuigenverhoor die zegt dat het om terugbetalingen door [verdachte] ging.
(kenmerk C/05/380875). Hij is daarbij bestraft, in de vorm van een waarschuwing, voor het mondeling antwoord dat is gegeven tijdens het verhoor van de rechter-commissaris op 13 juli 2020, inhoudende dat hij van [verdachte] heeft gehoord dat deze de UBO van [onderneming 1] is. De notaris zou daarbij zijn geheimhoudingsplicht hebben geschonden.
(stap I).Vervolgens is de officier van justitie verantwoordelijk voor het aandragen van feiten en omstandigheden die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is
(stap II). Van verdachte mag vervolgens worden verlangd dat hij/zij een verklaring geeft, waaruit blijkt dat de ten laste gelegde voorwerpen
nietvan misdrijf afkomstig zijn
(stap III). Die verklaring moet concreet, min of meer verifieerbaar, en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn
(stap IV). Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij/zij pas in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren. Zodra de verklaring van verdachte voldoende tegenwicht biedt, ligt het op de weg van de officier van justitie om nader onderzoek te doen naar die verklaring en de daarin gestelde alternatieve herkomst van de goederen. Als een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen
(stap V). Uit de resultaten van dat onderzoek zal dienen te blijken of met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de goederen waarop de verdenking betrekking heeft een legale herkomst hebben en dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring overblijft
(stap VI).
“Ik ha naar Spanje zaterdag en kom volgende week zaterdag terug”en
“Dan als ik terug ben kan ik je weer en geven, ok”.[getuige 1] heeft in reactie hierop de tekst gestuurd:
“is het niet mogelijk vrijdag”en
“het zou heel fijn zijn moest het morgen kunnen”.[verdachte] heeft daarop gereageerd met de tekst:
“kijk op andere”.Verdachte stuurt daarna:
“Dua nu nog 100 tog”.[getuige 1] heeft daarop bevestigend geantwoord.
‘aankoop [adres 2] / [adres 3] [plaats 2] ’.
(vgl. Hoge Raad 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938). Indien de strafbare gedraging aan de rechtspersoon kan worden toegerekend, kan deze worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit. Voor deze toerekening is het van belang of de gedraging heeft plaatsgevonden, dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Hiervoor zijn de concrete omstandigheden van het geval van belang.
5.De strafbaarheid
6.De strafoplegging
7.Het beslag
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
betaling van een geldboete van € 36.000,-;
* het onroerend registergoed [adres 2] / [adres 3] in [plaats 2] (geen kenmerk);