ECLI:NL:RBZWB:2026:6494

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
02-810522-19
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 SrArt. 33 SrArt. 33a SrArt. 47 SrArt. 51 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Medeplegen van witwassen door Spaanse rechtspersoon via vastgoedtransactie

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 16 juli 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de Spaanse rechtspersoon [rechtspersoon] S.L. en haar vertegenwoordiger [verdachte]. De tenlastelegging betrof medeplegen van witwassen door het gebruik van een lening van €360.000,- voor de aankoop van een pand in Nederland.

De rechtbank oordeelde dat het witwasvermoeden niet ontzenuwd was. De leningsovereenkomsten en kwitanties bleken valselijk opgemaakt en geantedateerd, en de verklaring van verdachte werd op meerdere punten weerlegd. Er was sprake van een klassieke loan-back-constructie waarbij crimineel geld via buitenlandse vennootschappen werd witgewassen.

De rechtbank stelde vast dat verdachte als bestuurder en UBO van de rechtspersoon handelde en dat de gedragingen aan de rechtspersoon konden worden toegerekend. De strafbaarheid van witwassen werd wettig en overtuigend bewezen verklaard. De rechtbank legde een onvoorwaardelijke geldboete van €36.000,- op en verklaarde het onroerend goed verbeurd.

De redelijke termijn was overschreden vanwege de internationale complexiteit, wat leidde tot een strafvermindering van 10%. De rechtbank wees het verweer van de verdediging af en benadrukte de ondermijnende werking van witwassen op de samenleving en het vertrouwen in financiële instellingen.

Uitkomst: De Spaanse rechtspersoon wordt veroordeeld voor medeplegen van witwassen en krijgt een onvoorwaardelijke geldboete van €36.000,- opgelegd, met verbeurdverklaring van het onroerend goed.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-810522-19
vonnis van de meervoudige kamer van 16 juli 2026
in de strafzaak tegen de rechtspersoon:
[rechtspersoon] S.L.
gevestigd op het [adres 1] , [plaats 1] (Spanje).
Vertegenwoordiger
:[verdachte], geboren op [geboortedag] 1979 in [geboorteplaats] (voormalig Joegoslavië).
Raadsman: mr. W.S. de Zanger, advocaat te Laren.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 mei 2026, waarbij de officier van justitie, mr. E.H. Smale, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 16 juli 2026.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als Bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er -kort en feitelijk weergegeven- op neer dat de rechtspersoon zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen van (een geldbedrag van € 360.000,- voor de aankoop van) onroerend goed.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de rechtspersoon het ten laste gelegde feit heeft begaan. Er is geen sprake van een concreet brondelict. De stukken in het dossier en de witwasindicatoren leveren een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen op. Er is tegenover dit witwasvermoeden een verklaring afgelegd door de vertegenwoordiger van de Spaanse onderneming
(hierna: [verdachte] ). Die verklaring voldoet niet aan het criterium dat het moet gaan om een concreet, min of meer verifieerbaar en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijk relaas. Desondanks heeft het Openbaar Ministerie onderzoek verricht naar die verklaring. Uit dit onderzoek volgt dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geldbedrag van € 360.000,- waarmee het pand aan de [adres 2] in [plaats 2] is aangekocht een legale herkomst heeft. Het witwasvermoeden is niet ontzenuwd en derhalve zijn de voorwerpen van enig misdrijf afkomstig. Voor het volledige standpunt wijst de rechtbank naar het aan dit vonnis gehechte requisitoir.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en dat tot vrijspraak moet worden geconcludeerd. De startinformatie voor de witwasverdenking is onbetrouwbaar en moet buiten beschouwing blijven. De omstandigheid dat bij de lening geen rentepercentage of terugbetalingstermijn is afgesproken, is geen sterke indicator voor witwassen. Daarnaast is bepleit dat de verklaring van [notaris] niet voor het bewijs kan worden gebruikt. Hij heeft in het verhoor bij de rechter-commissaris aangegeven waar zijn eerdere mededeling, dat [verdachte] de ultimate benificial owner
(hierna: UBO) is van [onderneming 1] , op is gebaseerd. Hij heeft verklaard dat destijds zelf van [verdachte] , mondeling, te hebben vernomen. Er is met deze verklaring niet alleen de geheimhoudingplicht geschonden, maar deze verklaring is ook aantoonbaar in strijd met het verschoningsrecht dat de getuige heeft. De beweerdelijke ‘loan-back-constructie’ is daardoor niet bewijsbaar. Voor het volledige standpunt wijst de rechtbank naar het aan dit vonnis gehechte pleidooi.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in Bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De opbouw en volgorde van de bewijsoverwegingen
In het kader van de structuur en begrijpelijkheid van het vonnis zal de rechtbank in haar bewijsoverwegingen starten met de bespreking van het verweer tot bewijsuitsluiting. Daarna zal het juridisch kader voor het witwassen worden opgenomen en aansluitend worden de feiten en omstandigheden vastgesteld waar de rechtbank vanuit dient te gaan. Vervolgens zal moeten worden beoordeeld op welke wijze de gedragingen van [rechtspersoon] S.L. (hierna [rechtspersoon] ) in dit juridisch kader te plaatsen zijn en of de tenlastelegging bewezenverklaard kan worden.
4.3.3
Bespreking van het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting
Uit het dossier komt de volgende gang van zaken naar voren met betrekking tot notaris mr. [notaris] .
De officier van justitie heeft op 6 november 2018, via artikel 126nd Wetboek van Strafvordering
(hierna: Sv), gegevens gevorderd van notaris mr. [notaris] . Deze vordering tot gegevensverstrekking heeft betrekking op de aan- en verkoop, op 14 maart 2018, van het pand aan de [adres 2] in [plaats 2] . Op basis van deze vordering heeft de notaris, op 14 november 2018, schriftelijk te kennen gegeven dat de UBO van [rechtspersoon] (koper) en [onderneming 1] (financierende vennootschap), [verdachte] is. Op basis van artikel 25, negende lid van de Wet op het notarisambt komt naar voren dat een vordering, zoals hiervoor is omschreven, is uitgezonderd van de geheimhoudingsplicht van een notaris. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet gebleken is van een onrechtmatig handelen door de notaris bij de toezending van de schriftelijke stukken op basis van de vordering ex. artikel 126nd Sv.
De notaris is enige tijd later door de Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden, op 12 juli 2021, tuchtrechtelijk gesanctioneerd
(kenmerk C/05/380875). Hij is daarbij bestraft, in de vorm van een waarschuwing, voor het mondeling antwoord dat is gegeven tijdens het verhoor van de rechter-commissaris op 13 juli 2020, inhoudende dat hij van [verdachte] heeft gehoord dat deze de UBO van [onderneming 1] is. De notaris zou daarbij zijn geheimhoudingsplicht hebben geschonden.
Echter, de klacht dat de notaris in strijd met de werkelijkheid heeft aangegeven dat [verdachte] (aan de notaris heeft meegedeeld dat hij) de UBO is van [onderneming 1] , is ongegrond verklaard. De feitelijke grondslag daarvoor is niet komen vast te staan.
De rechtbank is op basis van het vorenstaande van oordeel dat hetgeen is opgenomen in de schriftelijke reactie van de notaris van 14 november 2018 voor het bewijs kan worden gebruikt. Dat er sprake is van informatie die in strijd is met de realiteit, is geenszins gebleken. Deze informatie wordt ook overigens door de stukken in het dossier ondersteund. [getuige 1] heeft in zijn verhoor immers te kennen gegeven dat [onderneming 1] een bedrijf van [verdachte] is en dat wanneer met [onderneming 1] werkzaamheden zijn uitgevoerd dit onderling met [verdachte] is afgestemd.
Het verweer van de verdediging moet op dit punt worden verworpen. Nu de rechtbank de verklaring van de notaris bij de rechter-commissaris niet voor het bewijs zal gebruiken, is er geen belang bij het bespreken van het overige deel van het verweer.
4.3.4
Het juridisch kader
Algemene overwegingDe rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling voor witwassen dient te worden bewezen dat de tenlastegelegde voorwerpen (het pand en het geldbedrag) uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het is voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat de tenlastegelegde voorwerpen afkomstig zijn uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. In deze zaak is geen direct verband te leggen tussen een concreet misdrijf, het vastgoed en de geldsom waarop de tenlastelegging ziet. Dat betekent dat er geen gronddelict bekend is.
StappenplanBij de beoordeling of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, zal daarom gebruik gemaakt worden van het in de jurisprudentie ontwikkelde zes-stappenplan. In de eerste plaats moet worden vastgesteld, zoals al is gebeurd, dat er geen specifiek gronddelict is
(stap I).Vervolgens is de officier van justitie verantwoordelijk voor het aandragen van feiten en omstandigheden die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is
(stap II). Van verdachte mag vervolgens worden verlangd dat hij/zij een verklaring geeft, waaruit blijkt dat de ten laste gelegde voorwerpen
nietvan misdrijf afkomstig zijn
(stap III). Die verklaring moet concreet, min of meer verifieerbaar, en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn
(stap IV). Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij/zij pas in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren. Zodra de verklaring van verdachte voldoende tegenwicht biedt, ligt het op de weg van de officier van justitie om nader onderzoek te doen naar die verklaring en de daarin gestelde alternatieve herkomst van de goederen. Als een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen
(stap V). Uit de resultaten van dat onderzoek zal dienen te blijken of met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de goederen waarop de verdenking betrekking heeft een legale herkomst hebben en dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring overblijft
(stap VI).
4.3.5
Inleidende opmerkingen over de start van het witwasonderzoekDe witwasverdenking ten aanzien van [rechtspersoon]
Een klassieke witwasmethode staat bekend als de loan-back-constructie. Bij de loan-back-constructie wordt gesuggereerd dat de investeerder zijn investeringen financiert met behulp van leningen. In werkelijkheid leent de investeerder zijn eigen geld terug. Door allerlei (buitenlandse) vennootschappen als tussenschakel te laten functioneren, wordt de indruk gewekt dat die (buitenlandse) vennootschappen een lening verstrekken aan de investeerder. De investeerder kan vervolgens onroerend goed verwerven. Het onderzoeksteam van de politie acht deze witwastypologie in onderhavige zaak aan de orde.
De rechtbank stelt daaromtrent op basis van het dossier het volgende vast.
Het onroerend goed aan de [adres 2] te [plaats 2] wordt op 14 maart 2018 aangekocht door de Spaanse vennootschap [rechtspersoon] . De uiteindelijk belanghebbende (UBO) van deze vennootschap is [verdachte] . De aankoop van het onroerend goed wordt betaald door de Sloveense [onderneming 1] op basis van een lening. De vermoedelijke herkomst van deze geleende gelden bestaat uit inkomsten die in Slovenië worden getypeerd als ongebruikelijk. De uiteindelijk belanghebbende (UBO) van de Sloveense vennootschap [onderneming 1] blijkt ook [verdachte] te zijn. In feite leent [verdachte] dan als eigenaar geld van zichzelf om het onroerend goed aan te kopen.
De rechtbank constateert, in aanvulling hierop, dat de kennelijk ingeschreven bestuurders -bij [rechtspersoon] ( [getuige 2] ) en bij [onderneming 1] ( [getuige 3] )-, worden gebruikt ter afscherming van het werkelijk eigendom van de buitenlandse vennootschappen. Volgens het onderzoeksteam van de politie hebben zij als stroman of als katvanger gefungeerd.
De witwasverdenking ten aanzien van de UBO ( [verdachte] )Het onderzoek naar de UBO van [rechtspersoon] komt mede tot stand door informatie van de Amerikaanse opsporingsautoriteiten, waarin expliciet melding wordt gemaakt van het feit dat [verdachte] betrokken is bij witwassen. In informatie van Europol en de politiële autoriteiten in Bosnië en Herzegovina is aangegeven dat [verdachte] al vele jaren onderwerp van aandacht is in verband met de betrokkenheid bij internationale smokkel van verdovende middelen. Verder blijkt hij meerdere vastgoedpanden te bezitten, zonder deze panden op eigen naam te hebben geregistreerd. Bij de aankoop van die panden is geen hypotheek afgesloten, hetgeen ongebruikelijk is in de vastgoedbranche. [verdachte] heeft ook dure voertuigen op zijn naam staan.
De autoriteiten van Bosnië en Herzegovina hebben in 2013 een melding ontvangen van een verdachte betaling (met onduidelijke oorsprong en doel van het geld), waarbij [verdachte] en zijn partner betrokken zijn. Uit opgaaf van de “Financial Intelligence Unit” van de Bosnische politie blijkt verder dat [verdachte] vaker voorkomt in de database van verdachte transacties.
[verdachte] en zijn partner zijn in gemeenschap van goederen getrouwd op 17 maart 2008. De rechtbank gaat er mede daarom vanuit dat zij een economische eenheid hebben gevormd. [verdachte] heeft in 2013 en 2014 volgens de aangiften bij de Belastingdienst een inkomen gegenereerd uit een klusbedrijf. In de jaren 2015, 2016 en 2017 worden er geen inkomsten aangegeven. De partner van [verdachte] heeft in de jaren 2013 tot en met 2017 in het geheel geen inkomsten genoten volgens de belastingaangiften. Het saldo op de betaalrekeningen van de echtelieden bedraagt in de jaartallen 2011 tot en met 2017 minimaal € 38,- en maximaal € 2.678,- . Op de spaarrekening staat een bedrag van € 159,-.
[verdachte] heeft over zijn vermogenspositie, bij de politie op 21 januari 2020, verklaard dat hij iedere maand huurinkomsten heeft ontvangen van in totaal € 5.450,-. Alles wordt via de bank betaald. De ondernemingen die [verdachte] en zijn partner exploiteren ( [b.v. 1] en [b.v. 2] ) zijn nog niet operationeel en lopen boekhoudkundig achter. Verder heeft [verdachte] verklaard dat hij eenmaal per jaar een bedrag van € 10.000,- ontvangt vanuit de Sloveense onderneming [naam 1] . Dit betreft een winstuitkering. [verdachte] is om en nabij € 2.500,- tot € 3.000,- per maand kwijt aan vaste lasten. Voorts heeft hij naar zijn zeggen een schuld van in totaal zes miljoen euro, waarvan nog niets is terugbetaald.
Conclusie
Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat [verdachte] in verband gebracht wordt met criminele activiteiten, waaronder de smokkel van verdovende middelen en witwassen. [verdachte] en zijn partner komen voor in meldingen van Europol en zijn in beeld bij de justitiële autoriteiten van de Verenigde Staten en Bosnië en Herzegovina. De transacties, de geëxploiteerde Nederlandse ondernemingen en luxueuze voertuigen zijn niet te rijmen met het legale inkomen van [verdachte] en zijn partner. Dit inkomen kan de aankoop van voormeld vastgoed niet verklaren. Bovendien is de verdenking gerezen dat [rechtspersoon] voormeld vastgoed heeft verworven via een loan-back-constructie. Gelet op het bovenstaande is sprake van voldoende concrete feiten en omstandigheden die een redelijk vermoeden van schuld aan witwassen rechtvaardigen en aanleiding konden geven tot nader onderzoek, hetgeen ook heeft plaatsgevonden.
Het verweer omtrent de startinformatie
De rechtbank passeert de stellingname van de verdediging dat de startinformatie als onbetrouwbaar moet worden gekwalificeerd. Het gaat om meerdere informatiebronnen uit verschillende landen, opgesteld door diverse autoriteiten over een langere periode, die elkaar versterken. Het verweer op dit punt slaagt niet.
4.3.6
Feiten en omstandigheden
Uit het dossier volgt dat het pand aan de [adres 2] in [plaats 2] op 14 maart 2018 eigendom is geworden van de Spaanse vennootschap [rechtspersoon] . Het pand is aangekocht voor € 325.000,-. Het aankoopbedrag is voldaan door twee stortingen die hebben plaatsgevonden op de derdenrekening van het [notariskantoor] . De stortingen zijn afkomstig van het Sloveense bedrijf [onderneming 1] . Op 5 februari 2018 is € 150.000,- overgemaakt en op 7 februari 2018 is € 210.000,- betaald. De aankoop van het onroerend goed is gepasseerd bij [notaris] . In een schriftelijke verklaring heeft deze notaris laten weten dat [verdachte] de UBO is van de kopende partij [rechtspersoon] , alsook de UBO van de financierende partij [onderneming 1] .
Volgens het Sloveens handelsregister is [getuige 3] de enig aandeelhouder en directeur van [onderneming 1] . [getuige 3] is als getuige gehoord. Hij heeft verklaard dat hij [verdachte] en [rechtspersoon] niet kent en met hen geen zakelijke relatie is aangegaan. [getuige 3] geeft te kennen dat hij is benaderd door [persoon] die hem een Sloveens visum in het vooruitzicht heeft gesteld als hij [onderneming 1] zou kopen. [getuige 3] heeft daarmee ingestemd en [persoon] heeft de financiering verzorgd. De boekhouder van [getuige 3] , [boekhouder] , heeft alle betalingen verricht vanaf de rekening van [onderneming 1] . [getuige 3] weet daar naar zijn zeggen niets vanaf. [persoon] heeft tegen [getuige 3] gezegd dat hij niets tegen de politie mag vertellen over de betalingen van [onderneming 1] aan [verdachte] , met het geld dat afkomstig is van de Oostenrijkse onderneming [onderneming 2] . [getuige 3] heeft het vermoeden dat hij als katvanger is gebruikt. Hij heeft namelijk vernomen dat [boekhouder] en [persoon] 24 uur lang overeenkomsten hebben getypt, ondertekend en gestempeld in [plaats 3] , uit naam van [onderneming 2] . Daarmee zou in totaal € 900.000,- zijn witgewassen, aldus [getuige 3] .
[verdachte] heeft op 21 september 2019 een aantal documenten in een boodschappentas aan het onderzoeksteam van de politie verstrekt. Onder de documenten bevinden zich onder andere facturen van [onderneming 1] aan [onderneming 2] en een geldleenovereenkomst tussen [onderneming 1] en [rechtspersoon] . Tussen de documenten bevinden zich ook kwitanties van contante betalingen door [rechtspersoon] en [naam 1] aan [onderneming 1] .
Er zijn gedurende het opsporingsonderzoek uiteindelijk twee verschillende overeenkomsten van geldlening aangetroffen tussen [onderneming 1] en [rechtspersoon] met betrekking tot de aankoop van het pand aan de [adres 2] in [plaats 2] . De twee leningsovereenkomsten zijn beide ondertekend op 5 februari 2018. Er is één leningsovereenkomst aangetroffen bij de doorzoeking in de woning van [verdachte] op 9 juli 2019 (overeenkomst A). De andere leningsovereenkomst is verstrekt aan het onderzoeksteam door [verdachte] op 21 september 2019 (overeenkomst B).
De twee leningsovereenkomsten verschillen van elkaar. In overeenkomst A wordt [rechtspersoon] vertegenwoordigd door [verdachte] , terwijl in overeenkomst B als vertegenwoordiger [getuige 2] is vermeld. In overeenkomst A is het jaarlijks rentepercentage niet gespecificeerd, maar in overeenkomst B wordt dit vastgesteld op 0% indien binnen twee jaar de lening wordt terugbetaald en anders op 5%. In overeenkomst A staat genoteerd dat de aflossingstermijn afloopt op 31 december 2019, terwijl in overeenkomst B de aflossingstermijn op 31 januari 2025 is vastgesteld. In overeenkomst A is geen zekerheid opgenomen maar in overeenkomst B wordt vermeld dat [bedrijf] D.O.O. garant staat. De handtekening van getuige [getuige 3] , als vertegenwoordiger van [onderneming 1] , wijkt op de leningsovereenkomsten sterk af van diens handtekening onder zijn getuigenverklaring.
[getuige 2] is als getuige gehoord en uit onderzoek van het Spaans Handelsregister komt naar voren dat hij pas vanaf 27 maart 2018 bestuurder is geworden van [rechtspersoon] . In overeenkomst B treedt [getuige 2] echter al op 5 februari 2018 op als vertegenwoordiger, terwijl hij daartoe volgens het Handelsregister niet bevoegd zou zijn. Bovendien blijkt uit e-mailcorrespondentie uit de laptop van [getuige 2] dat overeenkomst B pas op 22 mei 2018 is opgemaakt en op 23 mei 2018 door alle partijen is ondertekend. De schriftelijke overeenkomst van geldlening is kennelijk geantedateerd.
Uit de bankafschriften van [onderneming 1] blijkt dat de geldlening van € 360.000,- door [onderneming 1] al op 5 februari en op 7 februari 2018 werd betaald naar de derdengeldrekening van [notariskantoor] NV. De in de overeenkomst weergegeven data van ondertekening zijn dus kennelijk afgestemd op de feitelijke bancaire overboekingen. Dit betekent echter ook dat [onderneming 1] al € 360.000,- heeft uitbetaald, zonder dat daar schriftelijke overeenkomsten (en daaraan gekoppelde zekerheidsstellingen) aan ten grondslag hebben gelegen.
Uit bankrekeninggegevens blijkt dat [onderneming 1] € 2.484.000,- heeft ontvangen van [onderneming 2] . Dit vormt 79% van de totale ontvangsten van het bedrijf [onderneming 1] . De geldlening aan [rechtspersoon] had niet plaats kunnen vinden zonder de ontvangsten van [onderneming 2] . Het valt bij bestudering van de aangeleverde facturen van [onderneming 1] op dat de bedragen soms zijn afgerond op duizenden euro’s. Het gefactureerde bedrag wijkt daarom sterk af van het daadwerkelijk ontvangen bedrag. Het blijkt dat [onderneming 1] , als gevolg van de afgeronde bedragen, in totaal een bedrag van € 85.140,94 minder heeft ontvangen dan is gefactureerd. Voorts hebben de getuigen [persoon] , [getuige 4] en [getuige 5] , die bij [onderneming 2] werkzaam zijn geweest, verklaard dat [onderneming 1] alleen arbeidskrachten heeft geleverd. In de specificaties van de facturen van [onderneming 1] blijkt echter dat ook voor duizenden euro’s aan materialen wordt gefactureerd. Bij de girale overboekingen van geldbedragen van [onderneming 2] naar [onderneming 1] wordt geen nadere omschrijving gegeven dan de term ‘rekening’.
4.3.7
Toepassing van het juridisch kader
Het vermoeden van witwassen ten aanzien van het pand aan de [adres 2] in [plaats 2]Naast de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden die uit het dossier naar voren komen zijn er ten aanzien van dit zaaksdossier nog een aantal specifieke witwasindicatoren.
De rechtbank wijst er in dit verband op dat [rechtspersoon] , behalve de lening van € 360.000,- die is aangegaan, geen economische activiteiten heeft ontplooid of inkomsten heeft gegenereerd. Het is een witwaskenmerk als bedrijven worden opgericht, zonder dat die een bedrijfseconomisch doel nastreven. Een andere witwasindicator in dit geval is dat gebruik gemaakt wordt van verschillende bedrijven, uit verschillende landen, waardoor transactiestromen minder snel zichtbaar zijn. In onderhavig geval koopt een Spaanse onderneming vastgoed in Nederland, dat wordt gefinancierd door een Sloveens bedrijf, waarvan de bedrijfsactiviteiten grotendeels plaatsvinden in Oostenrijk, waarbij een zekerheidsstelling wordt afgegeven door een bedrijf uit Bosnië en Herzegovina.
Voorts wordt nogmaals gewezen op de klassieke witwasmethode die bekend staat als de loan-back-constructie (in gewoon Nederlands: een lening aan jezelf), waarvan in onderhavig geval sprake lijkt te zijn. Tegen deze achtergrond neemt de rechtbank in overweging dat [notaris] heeft gemeld, dat verdachte zowel de UBO is van [rechtspersoon] als de UBO van [onderneming 1] .
Al deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, rechtvaardigen het vermoeden van witwassen. Er mag vanuit [rechtspersoon] en diens vertegenwoordiging worden verlangd dat een concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring wordt gegeven, waaruit blijkt dat het pand aan de [adres 2] in [plaats 2] en het daarvoor geleende bedrag van € 360.000,- niet van misdrijf afkomstig zijn.
De verklaring van [verdachte]
heeft verklaard dat hij het pand aan de [adres 2] in [plaats 2] , via zijn Spaanse bedrijf, heeft aangekocht met behulp van een geldlening van [onderneming 1] . Hij ontkent dat hij bij de notaris heeft aangegeven dat hij de UBO is van [onderneming 1] en ook dat hij dat daadwerkelijk is. Volgens [verdachte] heeft hij het pand niet op eigen naam kunnen registreren. Hij heeft alleen met [boekhouder] onderhandeld over de lening. Wanneer [verdachte] wordt geconfronteerd met de geldleningsovereenkomst weet hij niet wie [getuige 3] is. Volgens [verdachte] is de geldleenovereenkomst vooraf aan de notaris verstrekt. Het plan van [verdachte] is om met de bouw en verkoop van een appartementencomplex aan de [naam 2] en [naam 3] in [plaats 4] zijn schulden af te lossen.
Het oordeel van de rechtbank over het uitgevoerde onderzoek door de officier van justitieDe officier van justitie heeft de verklaring van [verdachte] onderzocht. Het is meteen opvallend dat geen van de getuigen het door [verdachte] geschetste aflossingsplan hebben benoemd. De leenovereenkomsten maken ook geen melding van dit aflossingsplan. Het staat ook vast dat er aanvankelijk nog geen geldleenovereenkomst bij de notaris is ingebracht. Deze overeenkomst wordt niet aangetroffen na een doorzoeking bij de notaris. De leenovereenkomst is evenmin schriftelijk nagezonden, na de vordering ex. artikel 126nd Sv. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat [onderneming 1] een bedrag van € 360.000,- heeft uitbetaald aan [rechtspersoon] in februari 2018, zonder dat daar schriftelijke overeenkomsten (en daaraan gekoppelde zekerheidsstellingen) aan ten grondslag hebben gelegen.
Gedurende het onderzoek zijn er wel twee geldleenovereenkomsten aangetroffen, van 5 februari 2018, die hiervoor zijn omschreven als overeenkomst A en overeenkomst B. Deze overeenkomsten bevatten echter onzakelijke voorwaarden en verschillen inhoudelijk van elkaar. Er is een verschil in vertegenwoordigingsbevoegdheid, in het bedongen rentepercentage, in de afgesproken aflossingstermijn en in de daaraan gekoppelde waarborgen. In beide gevallen heeft [getuige 3] , namens [onderneming 1] , getekend als geldverstrekker, maar zijn handtekening wijkt af van de handtekening die hij bij de politie heeft gegeven. Getuige [getuige 3] zegt dat hij nooit een geldleningsovereenkomst is aangegaan en als katvanger gebruikt moet zijn. [getuige 3] kent noch [verdachte] , noch [rechtspersoon] en omgekeerd weet [verdachte] niet wie [getuige 3] is. Verder komt uit het onderzoek naar voren dat overeenkomst B pas op 22 mei 2018 is opgemaakt en op 23 mei 2018 is ondertekend. Deze overeenkomst is dus geantedateerd.
TussenconclusieDe rechtbank deelt de stellingname van de officier van justitie, dat zij er gelet op al deze bevindingen vanuit moet gaan, dat de leenovereenkomsten valselijk zijn opgemaakt en dat daarmee getracht is een eerder ontvangen bedrag van € 360.000,- te verklaren.
Overige noemenswaardige elementen van het onderzoek door de officier van justitieDe verklaring van [verdachte] dat hij als niet-ingezetene het pand aan de [adres 2] in [plaats 2] niet op eigen naam heeft kunnen zetten, is door de officier van justitie weerlegd. [verdachte] heeft namelijk in 2013 wel een pand op eigen naam laten registreren. Dit betrof het pand aan [adres 3] in [plaats 2] . Uit informatie van het Kadaster blijkt overigens ook dat [verdachte] het pand aan de [adres 2] in [plaats 2] gewoon op eigen naam had kunnen zetten. Voorts spreekt [verdachte] zichzelf hierover tegen omdat de huidige eigenaar van [adres 2] ook een niet-ingezetene is, namelijk zijn Spaanse vennootschap met een bestuurszetel in Spanje.
De rechtbank gaat ook voorbij aan de verklaring van [verdachte] , voor zover hij heeft ontkend dat hij de UBO is van [onderneming 1] . Het staat vast dat [notaris] schriftelijk heeft gemeld dat verdachte de UBO is van [onderneming 1] . De notaris heeft deze mededeling niet op enig moment ontkracht. In dit verband merkt de rechtbank ook op dat de officier van justitie, in een ander zaaksdossier van dit onderzoek, een verklaring heeft opgenomen van getuige [getuige 1] . Deze getuige heeft in zijn tweede verhoor verklaard dat [onderneming 1] een bedrijf is van [verdachte] . Hetgeen [getuige 1] met [onderneming 1] is overeengekomen, is bepaald door [verdachte] , aldus deze getuige. De verklaring van [getuige 1] ondersteunt de melding van de notaris.
Behalve de geldleenovereenkomst die valselijk is opgemaakt, zijn volgens de rechtbank ook de kwitanties van [rechtspersoon] aan [onderneming 1] vals. Het lijkt namelijk onwaarschijnlijk dat [verdachte] de contante betalingen van aanzienlijke bedragen, desgevraagd, meerdere malen vergeet te benoemen in het verhoor bij de politie. Verder lijkt het ook onwaarschijnlijk dat [verdachte] of diens Spaans bedrijf over dergelijke contante bedragen hebben kunnen beschikken, gelet op de hiervoor vastgestelde financiële situatie van hen. Daarnaast heeft [verdachte] de naam van [getuige 3] geen enkele keer tijdens de verhoren genoemd. [getuige 3] heeft aangegeven dat hij [verdachte] niet kent. Deze verklaring is strijdig met de aangetroffen kwitanties. Indien de kwitanties juist zouden zijn, zou [getuige 3] destijds namelijk al verschillende malen contact met [verdachte] moeten hebben gehad. Voorts is het opmerkelijk dat, indien er daadwerkelijk contant is terugbetaald, er niets daarvan op de rekening van [onderneming 1] is gestort. Het in kas houden van een dergelijk groot geldbedrag brengt namelijk aanzienlijke risico's met zich, alsmede het gemis van potentiële rente-inkomsten. Op basis van het voorgaande is de conclusie gerechtvaardigd dat de vermeende contante betalingen niet hebben plaatsgevonden, en dat de kwitanties derhalve valselijk zijn opgemaakt.
Tot slot onderschrijft de rechtbank de aanname van de officier van justitie voor zover er is betoogd dat de facturen van [onderneming 1] aan [onderneming 2] valselijk zijn opgemaakt. De bankbetalingen van [onderneming 2] aan [onderneming 1] komen slechts gedeeltelijk overeen met de facturen. Er is geen bankbetaling die een specifiekere omschrijving omvat dan de term
“rekening”.De meeste facturen van [onderneming 1] aan [onderneming 2] bevatten een uitgebreide specificatie als bijlage. Middels deze specificaties wordt het factuurbedrag nader onderbouwd. Het opvallende element aan deze specificaties is dat deze steeds handmatig worden afgerond om tot een rond bedrag te komen. De politie heeft een overzicht opgesteld waaruit blijkt dat [onderneming 1] , als gevolg van de afgeronde bedragen, in totaal € 85.140,94 minder heeft ontvangen dan is gefactureerd. Er is geen legitieme reden gegeven om tot dergelijke afrondingen te komen. In combinatie met de voormelde niet gespecificeerde transactieomschrijvingen, kan goed mogelijk zijn dat de specificaties later zijn opgesteld dan dat op de factuurdatum is weergegeven. Het is mogelijk dat de specificaties handmatig zijn aangepast om reeds verrichte transacties te onderbouwen.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat uit het resultaat van het onderzoek naar de verklaring van [verdachte] is gebleken, dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het bedrag van € 360.000,- waarmee het pand aan de [adres 2] is aangekocht, een legale herkomst heeft. De leningsovereenkomsten, de kwitanties en de facturen zijn aantoonbaar valselijk opgemaakt. Daarnaast zijn van de leningsovereenkomsten meerdere exemplaren beschikbaar die onderling tegenstrijdig zijn, onzakelijke voorwaarden inhouden en met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geantedateerd zijn. Tot slot wordt de verklaring van [verdachte] op meerdere punten weerlegd. Uit deze feiten en omstandigheden leidt de rechtbank dan ook af dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden, voor het bedrag van € 360.000,- waarmee het pand aan de [adres 2] in [plaats 2] is aangekocht. Het witwassen is daarmee derhalve wettig en overtuigend bewezenverklaard.
4.3.8
Duiding betrokkenheid rechtspersoon [rechtspersoon]
De rechtbank constateert dat het volgende kan worden vastgesteld over de rechtsvorm van [rechtspersoon] . Het gaat om een vennootschap naar Spaans recht met rechtspersoonlijkheid die is opgericht middels een notariële akte. [rechtspersoon] heeft haar statutaire zetel in Spanje en staat vermeld in het Handelsregister van [plaats 1] . [verdachte] is als bestuurder en enig aandeelhouder aangemerkt ten tijde van het ontvangen van de bedragen van [onderneming 1] en het verwerven van het pand aan [adres 4] . De rechtsvorm van [rechtspersoon] lijkt op de Nederlandse besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (een BV). Een dergelijke rechtspersoon kan op grond van artikel 51, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld.
De Hoge Raad heeft in het zogenaamde Drijfmest-arrest aangegeven wanneer een strafbare gedraging aan een rechtspersoon kan worden toegerekend
(vgl. Hoge Raad 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938). Indien de strafbare gedraging aan de rechtspersoon kan worden toegerekend, kan deze worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit. Voor deze toerekening is het van belang of de gedraging heeft plaatsgevonden, dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Hiervoor zijn de concrete omstandigheden van het geval van belang.
Het staat vast dat aandeelhouder en toenmalig bestuurder [verdachte] heeft gehandeld uit hoofde van zijn dienstbetrekking bij de Spaanse vennootschap. Hij heeft [rechtspersoon] vertegenwoordigd bij de verwerving van het pand aan de [adres 2] in [plaats 2] . Hij was destijds ook de enige bestuurder van de rechtspersoon. De genoemde gedragingen zijn de rechtspersoon ook dienstig geweest, aangezien zij een onroerende zaak in eigendom heeft verkregen.
De rechtbank concludeert op basis van hetgeen hiervoor is overwogen dat [verdachte] , zowel als natuurlijk persoon als in zijn rol van vertegenwoordiger van de Spaanse vennootschap, moet hebben geweten dat [rechtspersoon] de onroerende zaak niet op legale wijze heeft verworven en voorhanden heeft. De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat [rechtspersoon] (buiten het verwerven van het onroerend goed en het ontvangen van de bedragen van [onderneming 1] ) geen economische activiteiten heeft ontplooid of inkomsten heeft gegenereerd. De gedragingen van [verdachte] kunnen op grond van de in het Drijfmest-arrest genoemde criteria tevens aan de rechtspersoon [rechtspersoon] worden toegerekend, zodat zij ook als dader kan worden aangemerkt.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
tezamen en in vereniging met één of meer anderen, in de periode 5 februari 2018 tot en met 18 mei 2020 in Nederland en/of Spanje,
- het onroerend goed, gelegen aan het adres [adres 2] te [plaats 2] en
- een geldbedrag van 360.000 EURO
heeft verworven, voorhanden gehad, en/of omgezet en/of van dit voorwerp gebruik heeft gemaakt en/of de herkomst heeft verhuld,
terwijl zij wist dat deze voorwerpen -onmiddellijk of middellijk- afkomstig waren uit enig misdrijf.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen, naast de verbeurdverklaring van het pand aan de [adres 2] , een geldboete van € 30.000,-, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht, bij een veroordeling, om geen andere straf of maatregel op te leggen dan een verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen onroerend goed.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
StrafmaatoverwegingenVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen. Er is onroerend goed en een bedrag van € 360.000,- met crimineel geld bekostigd. De rechtspersoon heeft onderdeel uitgemaakt van een geraffineerde constructie die is opgezet om het witwassen mogelijk te maken. Er zijn dekmantelorganisaties opgetuigd en transactiestromen gecreëerd door buitenlandse (nep)bedrijven. Er zijn vervalste overeenkomsten ingebracht en katvangers of stromannen ingezet. Dit is allemaal in functie geweest van financiële genoegdoening. De samenleving als zodanig lijdt hierdoor schade. Witwassen is immers een ondermijnende vorm van criminaliteit en leidt tot een ontwrichting van het economisch en financieel maatschappelijk verkeer. Het witwassen heeft plaatsgevonden in de vastgoedbranche. De aanschaf van een pand met misdaadgeld drijft de vastgoedprijzen op. Daarnaast zijn een notariskantoor en banken misleid. Dit zijn bij uitstek organisaties waar mensen het vertrouwen in stellen om hun financiële zaken te behartigen, waarbij zij erop moeten kunnen rekenen dat de criminaliteit zijn weg hierin niet zal vinden. Verdachte heeft het tegendeel bewezen.
De rechtbank stelt vast dat [verdachte] gedurende het politieverhoor en op het onderzoek ter zitting een verklaring heeft afgelegd en de rol van de vennootschap nader heeft geduid. Deze verklaring heeft er echter niet aan bijgedragen dat de tenlastegelegde verdenking er minder op geworden is. Er is niet naar waarheid verklaard en er is, tegen beter weten in, geprobeerd om met valse documenten een legale onderbouwing voor het vermogen te geven. De rechtbank beschouwt dit als een kwalijke gang van zaken en rekent dit de betrokken vertegenwoordiging van [rechtspersoon] aan.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat acht geslagen op de straffen die plegen te worden opgelegd in vergelijkbare gevallen. Daarnaast is rekening gehouden met het feit dat de rechtspersoon onbekend is in de Justitiële Documentatie van Nederland. Het is verder van belang te onderstrepen dat de rechtspersoon een aanzienlijk voordeel heeft genoten ten opzichte van andere reguliere bedrijven. Er is namelijk, zonder legale bron van inkomsten en zonder hypotheeklast, een pand bemachtigd nabij het centrum van [plaats 2] . Dit pand is gebruikt voor de bedrijfsexploitatie van een autocentrum van een duur segment van voertuigen. Het pand zelf is in waarde gestegen. [rechtspersoon] heeft ook huurinkomsten ontvangen die door het autocentrum zijn betaald. Dit rechtvaardigt voor de rechtbank een stevige financiële straf, te weten een geldboete in onvoorwaardelijke vorm.
Redelijke termijnDe rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht, waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling ter zitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van verdachte en/of verdediging op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
De rechtbank stelt vast dat [verdachte] op 18 mei 2020 is aangehouden, in verzekering is gesteld en drie dagen later voor het eerst als verdachte is verhoord. Op dat moment is hij ook geconfronteerd met de verdenking tegen de rechtspersoon. De redelijke termijn heeft dus op 18 mei 2020 aanvang genomen. Er zijn volgens de rechtbank bijzondere omstandigheden aanwijsbaar, die ertoe leiden dat niet binnen twee jaar een einduitspraak is gevolgd. Er is sprake van een ingewikkeld procesverloop door de internationale component in dit onderzoek. Er zijn rechtshulpverzoeken uitgevaardigd, dossiers overgedragen uit het buitenland en er hebben internationale getuigenverhoren plaatsgevonden. De berechting in onderhavige strafzaak heeft hierdoor vertraging opgelopen. Dit rechtvaardigt een uitbreiding van de termijn van twee jaar, waarbinnen strafzaken gerechtelijk moeten zijn afgedaan, met één jaar tot 18 mei 2023. De rechtbank zal op 16 juli 2026 het strafrechtelijk onderzoek sluiten en einduitspraak doen. De redelijke termijn is daardoor overschreden met meer dan drie jaar. De rechtbank is van oordeel dat het één en ander tot gevolg moet hebben dat 10% in mindering wordt gebracht op de beoogd op te leggen straf.
StrafopleggingDe rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat een onvoorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 40.000,- passend en geboden is. De rechtbank heeft daarbij tevens rekening gehouden met de bijkomende straf van verbeurdverklaring zoals hierna overwogen. Als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken zal een geldboete van € 36.000,- worden opgelegd. De rechtbank acht het gelet op de ernst van het feit niet opportuun om de straf slechts in voorwaardelijke vorm op te leggen, dan wel te volstaan zonder een straf of maatregel, zoals door de procespartijen is verzocht.

7.Het beslag

Het Openbaar Ministerie heeft de verbeurdverklaring gevorderd van het inbeslaggenomen voorwerp. De verdediging heeft verzocht tot een teruggave van het beslagene aan verdachte.
De rechtbank is van oordeel dat het hierna in de beslissing genoemd inbeslaggenomen voorwerp vatbaar is voor verbeurdverklaring. Verdachte wordt veroordeeld voor het medeplegen van witwassen. Het onroerend goed is het witwasobject. Het onroerend goed is verdachte gaan toebehoren en is aldus een voorwerp met betrekking tot welk het bewezenverklaarde feit is begaan.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 23, 33, 33a, 47, 51, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
het medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
veroordeelt verdachte tot
betaling van een geldboete van € 36.000,-;
Beslag
- verklaart verbeurd het inbeslaggenomen voorwerp, te weten:
* het onroerend registergoed [adres 2] , [postcode] in [plaats 2] (geen kenmerk).
Dit vonnis is gewezen door mr. D. van Kralingen, voorzitter, mr. M.H.M. Collombon en mr. A.L. Hoekstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.A.C. Admiraal, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 juli 2026.

10.Bijlage I

De tenlastelegging
zij, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, in of omstreeks de periode 5 februari 2018 tot en met 18 mei 2020 te [plaats 2] , althans in Nederland en/of Spanje,
- het onroerend goed, gelegen aan het adres [adres 2] te [plaats 2] en/of,
- een geldbedrag van (ongeveer) 360.000,00 EURO
heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van dit/die voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt en/of
de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of wie dit voorwerp voorhanden had,
terwijl zij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dit voorwerp -onmiddellijk of middellijk- (mede) afkomstig was uit enig misdrijf;
(artikel 47 jo Pro. artikel 420bis jo. artikel 420quater van het Wetboek van Strafrecht)