ECLI:NL:RBZWB:2026:6503

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/3737
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:24 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens ontbreken verklaring van erfrecht en machtiging in belastingzaak

Deze uitspraak betreft het verzet van de erfgenamen van een overledene tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank waarin hun beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het ontbreken van een machtiging en een verklaring van erfrecht.

De rechtbank heeft vastgesteld dat ondanks herhaalde verzoeken geen schriftelijke machtiging en verklaring van erfrecht zijn overgelegd. Ter zitting gaf de gemachtigde aan geen financiële middelen te hebben om een verklaring van erfrecht te verkrijgen, maar dit werd door de rechtbank onvoldoende geacht om het verzuim te rechtvaardigen.

De rechtbank benadrukte dat degene die namens een ander beroep instelt, op verzoek van de rechtbank moet aantonen daartoe bevoegd te zijn. Omdat niet kon worden vastgesteld dat de gemachtigde namens alle erfgenamen optreedt, is het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Het verzet slaagt niet en de eerdere uitspraak blijft in stand. De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en het beroep blijft niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een machtiging en verklaring van erfrecht.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingdienst
zaaknummer: BRE 25/3737

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 op het verzet van

de erven van [persoon 1] , uit [woonplaats] , belanghebbende

(gesteld gemachtigde: [gesteld gemachtigde] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 23 februari 2026 in het geding tussen
belanghebbende
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 23 februari 2026 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat gesteld gemachtigde geen machtiging en een verklaring van erfrecht heeft ingediend en dat verzuim niet tijdig heeft hersteld.
1.1.
De rechtbank heeft het verzet op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Ter zitting is mevrouw [persoon 2] en haar [dochter] verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 23 februari 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [1] is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
2.1
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2.2
De rechtbank heeft in de verzet bestreden uitspraak vastgesteld dat bij het ingediende beroepschrift na een daartoe gedaan verzoek geen schriftelijke machtiging en een verklaring van erfrecht is overgelegd waaruit blijkt dat gesteld gemachtigde gemachtigd is rechtsmiddelen aan te wenden. Gesteld gemachtigde is meermaals in de gelegenheid gesteld een schriftelijke machtiging en een verklaring van erfrecht te overleggen, maar heeft dat niet gedaan.
2.3
Ter zitting heeft gesteld gemachtigde aangegeven geen financiële middelen te hebben om een verklaring van erfrecht te overleggen. De rechtbank is van oordeel dat de in verzet genoemde omstandigheden geen reden vormen om te oordelen dat belanghebbende niet in verzuim is geweest. De stelling dat er geen financiële middelen zijn om een verklaring van erfrecht te verkrijgen is onvoldoende. Iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. [2] Gesteld gemachtigde heeft een verklaring van erfrecht, noch een verklaring van de executeur-testamentair overgelegd. Ook uit de stukken die wel zijn overgelegd kan niet worden vastgesteld dat de gesteld gemachtigde namens alle erfgenamen van erflater optreedt. [3] Ter zitting heeft belanghebbende toegelicht dat de situatie complex is en dat ze niet alles kan zeggen. De rechtbank kan dus niet vaststellen of gesteld gemachtigde bevoegd is om namens belanghebbende beroep in te stellen. Het beroep is terecht niet-ontvankelijk verklaard

Conclusie en gevolgen

3. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 23 februari 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van R.M. Rosta, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit staat in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb.
3.Hoge Raad 2 oktober 2020, ECLI:NLHR:2020:1531.