ECLI:NL:RBZWB:2026:6504

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/6648
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:36c AwbArt. 8:54 AwbArt. 6:7 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid beroep afvalstoffenheffing niet-ontvankelijk verklaard

Belanghebbende heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van 6 maart 2026, waarin het beroep over de aanslagen afvalstoffenheffing, rioolheffing en zuiveringsheffing 2019 niet-ontvankelijk werd verklaard wegens te late indiening.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de beroepstermijn zes weken bedroeg, startend op 25 mei 2022, en eindigend op 5 juli 2022. Belanghebbende diende het beroepschrift pas digitaal in op 2 april 2025, ruim na de termijn. Hoewel belanghebbende een langdurige en complexe privésituatie rondom zijn zoon aanvoerde, heeft hij dit niet met stukken onderbouwd en niet aannemelijk gemaakt dat hij zo spoedig mogelijk beroep heeft ingesteld.

De rechtbank concludeert dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is en dat het beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Het verzet wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van 6 maart 2026 blijft in stand.

De zitting vond plaats op 7 juli 2026, waarbij belanghebbende niet verscheen. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot cassatieberoep bij de Hoge Raad binnen zes weken na bekendmaking.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard omdat het beroepschrift niet tijdig is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/6648

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 op het verzet van

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank van 6 maart 2026 in het geding tussen
belanghebbende
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Moerdijk, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 6 maart 2026 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat het beroep over de aanslagen afvalstoffenheffing, rioolheffing en zuiveringsheffing woonruimten over het jaar 2019 van het object [adres] in [woonplaats] niet tijdig was ingediend bij de rechtbank.
1.1.
De rechtbank heeft het verzet op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Belanghebbende is niet verschenen. Namens de heffingsambtenaar heeft mevrouw [gemachtigde] deelgenomen aan de zitting.
1.2
De griffie heeft op 21 april 2026 in het digitaal dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan belanghebbende verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat belanghebbende dit bericht op 21 april 2026 heeft ontvangen. [1] De rechtbank stelt daarmee vast dat belanghebbende correct en op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 6 maart 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [2] is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
2.1
De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. [3] Deze termijn vangt aan op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking.
2.2
Termijnen van bezwaar en beroep volgen rechtstreeks uit de wet, dat wil zeggen dat het fatale termijnen zijn waarvan niet afgeweken kan worden, tenzij de termijnoverschrijding verschoonbaar is in verband met bijzondere omstandigheden. De omstandigheden die belanghebbende noemt, moeten dusdanig bijzonder zijn dat het hem niet verweten kan worden dat hij niet binnen de beroepstermijn een beroepschrift heeft ingediend.
2.3
Naar het oordeel van de rechtbank is bij de in verzet bestreden uitspraak terecht en op goede gronden geoordeeld dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend. De rechtbank heeft daarbij terecht de dagtekening van het beroepschrift als bewijsrechtelijk uitgangspunt genomen voor het bepalen van de dag waarop het beroepschrift is ingediend. De dagtekening van de uitspraak op bezwaar is 24 mei 2022. De termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op 5 juli 2022. Belanghebbende heeft op 2 april 2025 digitaal beroep ingesteld. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend.
2.4
Belanghebbende heeft in zijn verzetschrift aangevoerd dat de rechtbank het beroep niet zonder nadere beoordeling had mogen oordelen dat het beroep niet-ontvankelijk is wegens de termijnoverschrijding, omdat zijn situatie bijzondere omstandigheden kent die een inhoudelijke beoordeling vereisen. Belanghebbende geeft aan dat er sprake is van een langdurige en complexe privésituatie rondom zijn zoon. Daarnaast waren objectieve gegeven over de feitelijke woonsituatie pas in 2023 beschikbaar gekomen en wilde hij eerst tot een oplossing komen rechtstreeks met de heffingsambtenaar voordat er juridische stappen werden gezet.
2.5
De rechtbank is van oordeel dat de overschrijding van de beroepstermijn in dit geval niet verschoonbaar is. Belanghebbende heeft weliswaar gesteld dat er sprake is geweest van diverse persoonlijke omstandigheden die hem verhinderden tijdig beroep in te dienen, maar hij heeft deze stelling niet met stukken onderbouwd. Ook heeft belanghebbende niet inzichtelijk gemaakt dat hij zo spoedig als redelijkerwijs van hem kon worden verlangd beroep heeft ingediend. Reeds daarom kan niet worden geoordeeld dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Het is voor de rechtbank niet aannemelijk geworden dat belanghebbende na de uitspraak op bezwaar van 24 mei 2022 niet binnen de termijn van zes weken beroep heeft kunnen instellen als hij het niet eens was met de beslissing van de heffingsambtenaar.

Conclusie en gevolgen

3. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 6 maart 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van R.M. Rosta, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Dit volgt uit artikel 6:7 van Pro de Awb.